Jezus begon met vissers, ik vang met meisjes aan; De wensdromen van Eduard Douwes Dekker

Multatuli wilde de 'magtigste man in Holland' worden en daartoe verzamelde hij om te beginnen een 'krans van jongejuffrouwen' om zich heen. Uit zijn 'Minnebrieven' blijkt dat deze vrouwen zijn geloof in zijn eigen genie waarborgden en de sleutel waren tot zijn schrijverschap. “Als ik amourettes heb, of zoo iets, dan heb ik verve... 't is mij stof waaraan zich de vlam hecht.”

Multatuli: Volledige werken. Deel XXIV & XXV. Uitg. Van Oorschot, 758 resp. 600 blz. Prijs per deel ƒ 80,- Tristan Haan: Multatuli's legioen van Insulinde. Marie Anderson, Dek en de anderen. Uitg. Bas Lubberhuizen, 128 blz. Prijs ƒ 22,50. Hans van Straten: Multatuli. Van blanke radja tot bedelman. Uitg. Bas Lubberhuizen, 432 blz. Prijs ƒ 59,50, gebonden ƒ 75,-. K. ter Laan's Multatuli Encyclopedie. Uitg. Sdu, 556 blz. Prijs ƒ 69,90. Philip Vermoortel: De schrijver Multatuli. Uitg. Sdu, 88 blz. Prijs ƒ 19,90.

“In den cirkelgang van ons eentonig meisjesbestaan viel hij binnen als een meteoor, met zijn stralenkrans van martelaarschap voor de rechten van den Javaan.”

Voor ze hem leerde kennen, augustus 1860, net de maanden dat Max Havelaar een 'rilling door het land' deed gaan, dacht Sietske Abrahamsz bij Multatuli aan een treurig man. Hij had per slot ontslag genomen bij het Indische bestuur, uit woede over de mishandeling van de Javaan, en zwierf nu maar door Holland, zonder werk of geld en zonder uitzicht op het eerherstel dat hij verwacht had van zijn grote boek. Maar wat een heroïek! Op zeker ogenblik zei hij haar 'in een soort extase' dat hij keizer wilde worden, Keizer van Insulinde, en dat zij dan een prinses zou zijn, de Kroonprinses van Insulinde. Op de rijksmunt zou haar beeltenis komen te staan en voorlopig, want het kon nog even duren, mocht ze vast de titel Hertogin van Sumatra dragen.

Ze smolt.

“In mijn verbeelding zag ik de inhuldigingsplechtigheid, in de voorgalerij van 't Paleis te Buitenzorg. M. met 't keizerlijk ornaat, waarbij ik hem de kroon op 't hoofd zette. Een stoet van inlandsche vorsten, in prachtige karossen, kwamen den eed afleggen. Omgeven door al de Grooten uit 't Europeesche element begon de nieuwe Keizer zijne rede...”

Zo verrukt als Sietske was, zo geschokt bleek haar publiek toen ze het vijftig jaar nadien vertelde. Multatuli was al tijden dood, maar voor een kleine kring van trouwe lezers levender dan ooit. Hij was een martelaar, een onbaatzuchtige die zich geofferd had voor de Javaan gelijk Christus voor het mensdom. Dat hij onderwijl nogal een dunk had van zichzelf was geen geheim, maar keizer? In zijn kinderlijke zelfvergroting klonk het zo volmaakt uitzinnig dat het voor de multatulikunde sinds die dag ook zonder nader onderzoek wel vaststond dat aan die Sietske Abrahamsz een steekje los zat. Nog in het midden van de jaren zeventig schoof W.F. Hermans haar herinneringen in De raadselachtige Multatuli zonder omhaal aan de kant. Multatuli leefde toch niet in een wensdroom?

Schijnbaar is er nu toch iets veranderd. De uitgave van de Volledige Werken is voltooid, de laatste delen liggen sinds het voorjaar in de winkel, elke snipper Multatuli is publiek. Als martelaar heeft hij zijn beste tijd intussen wel gehad, debatten over Indië gaan nooit meer verder terug dan Poncke Princen, hij moet zonder heiligenleven verder. Hij is dood - en plots wordt Sietske Abrahamsz gehoord, in drie boeken tegelijk maar liefst. Daar zijn ze, zwart op wit, de wensdromen van Eduard Douwes Dekker.

Legionnairs

Uit Multatuli's legioen van Insulinde van Tristan Haan, over de vrouwen rondom de held, wordt duidelijk dat Dekker zich beschouwde als een leider. Hij sprak van het 'groote wereldrijk dat ik stichten wil' en nam zich voor een 'organisatie' op te bouwen die hem tot de 'magtigste man in Holland' maken zou. Hij had daartoe rekruten nodig, 'legionnairs' die als het moest hun leven voor hem zouden geven, en hij zei dat men zich nog 'verwonderen' zou wie hij daartoe aanwierf.

Het waren meisjes.

Sietske was er een van, als aanstaand kroonprinses (of nederiger, 'secretares') van Insulinde. Maar er was intussen ook een Mimi, een Charlotte, een Marie, een Mina en zo verder. Stuk voor stuk waren ze jong, slim, vrijgevochten en alvast voorzien van adellijke titels voor het komend wereldrijk, met Mimi bovenaan als keizerin. Ze monterden hem op, ze deelden desgewenst zijn bed, hoewel niet allemaal, en sterkten hem voor alles in zijn roeping, die intussen nooit veel duidelijker werd dan dat hij 'recht' ging doen en het 'goede' wilde. “Jezus begon met vissers, ik vang met meisjes aan,” zei hij opgeruimd (en zong dan graag het liedje Kon ik alle meisjes krijgen, 'k zou ze aan een draadje rijgen - een detail dat Haan niet noemt).

Wat die meisjes bij hem zochten, oppert Haan, laat zich half en half wel raden. Ze hadden een talent voor dweepzucht en een groot gevoel voor rechtvaardigheid. Ze waren daarbij in de regel stevige persoonlijkheden en verzetten zich tegen een maatschappij die hen als vrouw onmondig hield. Bij Multatuli konden ze vrij zijn, en nuttig, eindelijk eens meer dan 'onbezoldigde huishoûsters', gevangen in fatsoen.

“Waar ik aanhankelykheid vond was 't meestal bij vrouwen,” schreef Multatuli ooit aan Mimi. “Zy zyn de Samaritanen van dit Judea! De paria's dezer maatschappy. Zy mogen niet dìt, zy durven niet dàt, - zy zyn voorbeschikt te hooren naar elke blyde boodschap van verlossing. En ik, met myn 'malle begeerte om de smarten der wereld te dragen' ik was voorbeschikt te lyden onder hare ontbering van vrijheid.”

Dat verklaart meteen wat hij bij hen zocht, afgezien van hun verering en hun bijslaap - en hun kapitaal niet te vergeten, want ze gaven een voor een ook hun geld als wapen in de strijd. Maar met dat al laat Haan de hamvraag nog onopgelost. Hoe moest een krans van jongejuffrouwen te 's Gravenhage en daaromtrent voor hem een Rijk veroveren dat aan het andere einde van de wereld lag? Hoe had hij dat gedacht? En hoe keek zijn vrouw daar tegenaan?

Zuinigheid

Vooral die laatste vraag dringt zich ook op in Multatuli. Van blanke radja tot bedelman, een biografie van Hans van Straten die begint waar die van Paul van 't Veer door een ontijdige dood moest eindigen: bij de verschijning van de Havelaar. Mevrouw Dekker, Everdine, Tine voor haar man, verschijnt hier als een raadselachtige figuur. Terwijl haar man in Nederland zijn bruine leven leidde zat zijzelf om redenen van zuinigheid in Brussel met de kinderen en wachtte tot hij nieuws zou sturen over eerherstel of wat dan ook. Maar alles wat ze kreeg waren warrige verhalen over amourettes.

Dat leidde tot merkwaardige taferelen. Dekker biechtte haar zijn pekelzonden op en vroeg haar daar een akkoord voor. “Ik ben puur verliefd op Sietske. (-) Och, schrijf haar eens en zeg dat ik u gezegd heb dat ik verliefd op haar ben, en dat dat mag.” En van de andere kant moest ook Sietske vooral niet schromen Tine eens te schrijven, Tine was zo ruim van hart, zo 'onbegrijpelijk verheven', daar kon men niet hoog genoeg van denken, Tine schrijven deed je 'zooals een geloovige bidt'. Zo konden de meisjes begrijpen dat de liefde in het legioen iets eindeloos veel diepers was dan zomaar een flirt en Tine dat ze altoos de gebiedster van zijn martelaarschap bleef. (“Al mijn amourettes komen toch op u terug,” citeert Hermans, die een ander psychologisch patroon ziet. Tine offerde zich voor Dekker op en spoorde de meisjes aan hetzelfde te doen, zodat de dames elkaar als het ware africhtten tot gewilligheid.)

Zo komt Van Straten op een kwestie rond de legionnaire Charlotte. De precieze toedracht blijft onzeker, maar het ziet er naar uit dat Dekker het meisje voor de goede zaak een erfenis ontfutselde door haar en haar stervende moeder voor te houden dat hij haar zou trouwen. “Lotje heeft haar beetje geld aan mij gegeven,” schreef hij losjes aan haar rivale Mimi, die zijn chance met deze Lotje wat afgunstig aanzag. Trouwen deed hij haar vervolgens niet, maar zwanger maken wel, waarna ze voor een tijdige abortus gauw op de trein naar Brussel werd gezet - naar Tine.

“Mijn positie is zeer gecompliceerd,” schreef hij, nu toch plotseling wat zorgelijk, “en lijkt wel een zet op 't schaakbord.”

Een man die zijn ene minnares in overigens hartstochtelijke brieven schrijft over de andere en onderwijl zijn wettelijke vrouw te hulp roept als het moeilijk wordt - Van Straten buit de anekdotes vaardig uit. Het nadeel van die aanpak is alleen dat zijn karakters meer en meer op personages in een klucht gaan lijken, lege buitenkanten, vreemde uitvergrotingen, dolgedraaide apparaten. Je kijkt vierhonderd pagina's lang naar onvermoeibare eenmotorige brokkenpiloten, snorrend door een wereld met een vreemde logica. Hoe Tine zich de buitelingen van haar man liet welgevallen en hem onvoorwaardelijk bleef steunen, zelfs met zwangere Charlottes aan de deur, je krijgt geen flauw idee.

Nu kan de biograaf niet helpen dat de meeste van haar brieven zijn verdwenen. Dekker hechtte er blijkbaar te weinig aan om ze te bewaren. Maar het lijkt wel of Van Straten het erom doet. Als Tine op verzoek van Dekker op bezoek gaat bij de ouders van Mimi, die ten einde raad zijn over het legionnairschap van hun dochter, pleit ze daar met hartstocht voor haar man en schrijft in een brief die wel bewaard bleef: “Ten slotte hielden ze [de ouders] van mij en begrepen het edele karakter van Dekker en dat de hoogstaande geestdrift van hun dochter niet verspild was. Zoo ben ik erin geslaagd een beetje geluk te schenken en daarvoor ben ik beloond omdat Dekker tevreden over me was. Geluk geven, dat is meer ontvangen dan je geeft.” Waarna ze uitlegt waarom juist Dekker dat zo waard was. “Hij met al zijn zijsprongen houdt toch van mij zooals weinig vrouwen worden liefgehad. Ik geloof dat het is omdat ik dit voorheb, dat ik hem begrijp; niet dat mijn geest zo verheven is, maar ik geloof dat ik hem begrijp met het inzicht des harten en dan nog verwijt ik me zoo dikwijls dat ik niet groot genoeg ben, dat ik me niet hoog genoeg weet te verheffen tot zijn grootheid van ziel, dat me zooveel ontbreekt om de waardige vrouw van een dichter te zijn, van een genie.”

Dat klinkt misschien verknipt en slaafs, maar het geeft hoe dan ook inzicht in haar wereld, en dat is meer dan Van Straten je gunt. Van het bezoek aan Mimi's ouders noemt hij alleen het feit, met als gevolg dat Tine van haar drijfveer en haar grootheid wordt ontdaan en in een hersenloze sloof verandert - waarmee ook haar man zijn grootheid verliest en in een soort van sekteleider verandert, een fantast die met een ideaal als alibi zijn beurs en zijn geslachtsdeel achterna loopt.

Godlochenaar

Het raadselachtige, zowel bij Haan als bij Van Straten, eigenlijk bij alle anekdotisten van het letterkundig leven, is dat je al lezende steeds minder gaat begrijpen wat ze willen zeggen. Zeker bij Van Straten zie je Dekker gaandeweg haast onbegrijpelijk worden, want onnavoelbaar en dus op den duur oninteressant, en ondertussen eigenlijk ook onbelangrijk. Dat de man behalve gek ook schrijver was, en godloochenaar, en vrijdenker en denker in het algemeen, het komt terloops wel eens voorbij, maar wat dat wilde zeggen, en voor wie, en hoe die ene man een rilling door het hele land kon laten gaan? Je krijgt een schot hagel aan verhalen over amoureus verkeer en geldelijk getob, met bron en datum, en dat is het dan. Maar wat is het dan?

Op hetzelfde dode punt kom je na enig bladeren door K. ter Laan's Multatuli encyclopedie, het derde nieuwe boek dat Sietske Abrahamsz een stem geeft. Meer dan een tweekoloms bladzij krijgt ze, met de vaste data van geboorte, ouders, echtgenoot en kinderen, een samenvatting van haar lotgevallen in het legioen, citaten uit haar herinneringen en uit Dekkers brieven, verwijzingen naar diens werk en doorverwijzingen naar verdere lectuur tot slot. Haast alles staat erin, net als bij de overige legionnaires, bij vrienden en vijanden van Dekker, voorlopers en navolgers. Zelfs thema's uit het werk komen aan bod, in samenhang met literatuur en maatschappij van de tijd - wat na Van Straten een verademing is. Maar al straalt de ernst en toewijding van elke pagina, wat moet je hier als lezer mee?

Het hele idee van een enclopedie is een misverstand. Het werk werd voor de oorlog opgezet door Hollands eerste rode burgemeester, de Ter Laan uit de titel, in een poging Multatuli levend te houden en zodoende bij te dragen aan de volksopvoeding. Maar een enkele blik op de turf die na een halve eeuw nu eindelijk verschenen is, door inzet van het Multatuli Genootschap, en je ziet dat dit alleen nog leven zal bij dat Genootschap. De miljoenen feitjes brengen Multatuli niet tot leven maar maken hem voorgoed geschiedenis, van een voorbije eeuw - en dat is in de kern ook het probleem bij Haan en Van Straten. Met hun losse anekdotes uit de oude doos bezegelen ze Dekkers dood.

Ter vergelijking: heel anders pakt Philip Vermoortel het aan in De schrijver Multatuli, een recente monografie die het opneemt tegen het biografisch anekdotisme. Het gaat hier om het werk, niets dan het werk, om stijl en thema's en gedachten. In vier stukken, met een prachtig straffe eerste zin als aftrap ('Om tot een juister begrip te komen van Multatuli's oeuvre, moeten we allereerst van Max Havelaar af'), geeft Vermoortel een doorsnee van een oeuvre dat verloren is geraakt achter die overweldigende eersteling. Maar hoe geestdriftig hij ook zijn mag, bevredigend is dat toch ook niet helemaal. Je leest over God, natuur, liefde, waarheid, hart en hoofd, en krijgt zo al met al een mooi stuk cultuurgeschiedenis, maar zelden voel je daarin nog de adem van een levende schrijver. Ook in zijn gedachten blijkt Multatuli onderhand behoorlijk dood.

Indische ambtenaar

Zo is het vreemde bij dit hele rijtje boeken, en je ziet dat vaak, dat je van alles over een schrijver leert en toch geen zin krijgt om zijn werk te lezen. Misschien is dit dus niet de manier om oude meesters uit het stof te halen en zou je van een man als Dekker beter iets anders kunnen terugroepen. Niet ideeën uit zijn werk of anekdotes uit zijn leven, maar iets tijdelozers dat daarin verborgen ligt: een levenshouding, een probleem.

In de brieven van de jonge Dekker, Indisch ambtenaar nog, zie je zij aan zij twee visioenen groeien. Hij wil recht doen, ook al weet hij nog niet goed aan wie, en wil het zelf doen. Hij wil groot zijn, een 'genie', hij brandt van eerzucht en hij vergelijkt zich met Napoleon, die groot was toen hij nadacht over het lot van Europa, lang voor iemand kon voorzien dat hij daar invloed op zou krijgen. “Hij is groot om dat denkbeeld; hij zou groot zijn ook wanneer de toekomst daaraan niet had beantwoord.” In de droom van Insulinde, een rechtvaardig rijk in Indië, vindt hij een denkbeeld voor zichzelf en hij besluit zijn meerderen de les te lezen over hun betrokkenheid bij de uitbuiting van de Javaan.

Intussen groeit ook zijn verlangen om te schrijven - 'tot het volk te spreken', in zijn eigen woorden. Op het oog lijkt dat niet bijster bij te dragen aan hervormingen op Java, maar wanneer zijn strijd met het gezag in 1856 zo ver is opgelopen dat hij zich tot ontslag gedwongen voelt komt alles langzaam samen. Hij zal schrijven, niet om te vermaken maar om te hervormen. Zijn woord zal de werkelijkheid dwingen. Met die roeping zet hij zich in 1859 aan de Havelaar.

Alles in dat boek verzet zich tegen een typering als roman, zowel de schrijver als zijn alter ego Havelaar zien in verzonnen boeken krullentrekkerij en leugen. Waarheid wil hij. Maar wanneer de eerste rilling na verschijnen door het land gegaan is, merkt hij dat het werk toch evengoed als een roman gezien wordt: mooi en dwingend, sidderend van toorn, maar zonder onvermijdelijke consequenties voor de werkelijkheid. Hij zit in Holland, wacht op eerherstel dat maar niet komt en ziet hoe alles bij het oude blijft - behalve voor hemzelf. Hij heeft geen geld, geen macht en geen werk.

Hij kan niet meer terug, daartoe heeft hij zijn lot te zeer met dat van de Javaan verbonden, dus hij moet volharden in de aanval. Hij verhoogt de inzet. Als het Indische bestuur zich niet hervormen laat, dan zal hij het verjagen -'Insulinde is 'n prachtig paard, waarop 'n dief zit'. Maar hij heeft intussen flinke schulden, dus hij komt er moeilijk onderuit om tegen voorschot eerst nog maar een boek te schrijven. Zo begint hij aan een dichterlijk verhaaltje, later in Woutertje Pieterse terechtgekomen, van een kind dat in het kraken van een molen woorden meent te horen. Maar wanneer hij zich dan voorstelt hoe hij weer over zijn zaak zal spreken, de Javaan, dan hoort hij het publiek al. “Ik zal dadelijk horen: O, dat is die meneer van de pratende molens! en... enfoncé!” Wat iets wil zeggen als 'dan kan ik het wel schudden'.

Dat is het probleem waarvoor hij staat - hij blijkt zich in een hoek gewerkt te hebben. Om den brode moet hij schrijven, dat is zijn laatste middel van bestaan, maar om zijn aanspraken op Insulinde niet bespottelijk te maken kan hij eigenlijk alleen maar over Insulinde schrijven. En dat heeft hij al gedaan. Dat heeft hij, meer nog, al vergeefs gedaan. Zijn visioen over de macht van zijn woord slaat hem in het echt met onmacht.

In juni 1861 zet hij zich aan een van de wonderlijkste boeken ooit in Nederland verschenen, Minnebrieven. Na een inleiding die uitloopt op de vaststelling dat hij het leespubliek 'veracht met groote innigheid' volgen kriskras brieven tussen Havelaar, diens vrouw Tine en een zekere 'Fancy', een figuur die staat voor liefde, geestkracht en verbeelding, inspiratie, de innerlijke waarheid die hem tot zijn idealen brengt. De brieven zijn de neerslag van een crisis die hij doormaakt als hij Fancy uit het oog verliest en van de hoop die gloort als Fancy later terugkeert - want dan weet hij weer dat Insulinde ooit van hem zal zijn. “Ik zegen u, zeide zy, ik geef u thans den wil, later de kracht, en de overwinning in 't eind!”

Zy, schrijft hij. Want Fancy is een meisje.

Amourettes

Hadden Van Straten en Haan de Minnebrieven opgeslagen (of Eep Franckens minutieuze De veelzinnige muze van E. Douwes Dekker, nagenoeg de enige studie die leven en werk van Multatuli beide ernstig neemt) dan hadden ze meteen begrepen wat hij met zijn Sietskes en Charlottes voorgehad moet hebben. Fancy's waren ze - hij zegt het in zijn brieven af en toe zelfs letterlijk. Hij was niet zo gek te denken dat ze straks in Insulinde voor hem op de bajonet zouden gaan, maar wel romanticus genoeg om in hun kring de kracht te vinden voor de wensdroom van een keizerrijk waarin hij, daar heeft Haan beslist gelijk in, vast geloofde. “Denk altijd,” schrijft hij Tine, “als ik amourettes heb, of zoo iets, dan heb ik verve... 't is mij stof waaraan zich de vlam hecht.”

Dat moet de reden zijn dat Tine zowel als de meisjes almaar trouw in het verhevene van hun ménage bleven geloven. Toen de arme Tine zich na lezing van de Minnebrieven voor het eerst verzette, zelfs jaloers werd, denkelijk omdat ze in zijn Fancy Sietste zag, wekte ze zijn woede. “Foei! Heb ik dat aan je verdiend. (-) Tine, Tine, wil jij mij een certificaat worden van impotentie. Moet jij mij nu beletten artiste te wezen?” En toen ze bond ze weer in. Moest zij de oorzaak worden dat hij het geloof verloor in zijn genie, zijn Insulinde, in een toekomst van geluk waar heel de kring voor leefde?

Zo werd het legioen een sleutel tot zijn schrijverschap. Het gaf hem het vuur nog jarenlang te blijven hameren op waarheid, eerherstel, Javaan, mishandeling en recht dat eindelijk gedaan moest worden. Hij bouwde aan een oeuvre als een eindeloze voetnoot bij de Havelaar, zonder ooit de sprong te wagen naar verzonnen werk en zonder te beseffen dat hij eigenlijk nooit anders had geschreven, met zijn droom van Insulinde. Na een jaar of twaalf pas, in de jaren zeventig, toen hij de jongste niet meer was en van de Fancy's alleen Mimi overbleef, drong tot hem door wat hij al bij de Havelaar geweten had, dat hij de macht van het woord overschatte. Hij hield op met schrijven, nam zijn zoontje mee naar buiten en ging vliegeren.