Bizarre wandelingen in een doolhof zonder garantie; Van Caeckenberg in Vleeshal Middelburg; Wandelingen in een doolhof zonder garantie

Tentoonstelling: Oh La, La. Patrick van Caeckenbergh. T/m 28 aug. Vleeshal, Markt, Middelburg. Di t/m zo 13-17u. Boek De vruchtbare ruïne ƒ 20,-.

Hij zou de leukste vader zijn die je je als kind wensen kunt. Zo'n vader die theepotten laat dansen, een paard maakt van augurken, penen, doperwten en een boel bestek, en een kachelpijphoed heeft waarin verstopt een rariteitenkabinet zit vol piepkleine, kleurige laatjes met korreltjes, vishaakjes, bolletjes en zaadjes. Patrick van Caeckenbergh is sinds kort vader, maar hij is ook kunstenaar. En de kunst die hij maakt is niet zozeer verlokkend voor kinderen, als wel voor iedereen die bevattelijk is voor fantastische bedenksels en absurdistische spinsels, voor kleur en poëzie.

Het is alsof je een labyrint betreedt in de Vleeshal van Middelburg. De koele hal, waar eens de biefstukken, hammen en varkenspoten gewogen werden, is keurig opgedeeld in drieën. En daartussendoor staan de bouwwerken, mechanische constructies en fotoknipsels van Van Caeckenbergh, zo'n vijftien in totaal, allemaal even nauwgezet vormgegeven. Het oudste werk - een 'dubbele' ready made - dateert uit 1985 (het Paard), de jongste (Nouvelle Astronomie Pittorasque: Le Ciel, en twee vazen op klompen) zijn dit jaar gemaakt. Iedere stellage vormt een apart klein universum, met eigen wetten, ordeningen en structuren. Uitgemeten, in kaart gebracht, opgeschreven en aan elkaar gekoppeld, gaat er een systematiek van uit die doet denken aan wat de encyclopedisten in de achttiende eeuw nastreefden.

Maar misleiding ligt op de loer als je naar Van Caeckenbergs werk kijkt. Want waar de kunstenaar de toeschouwer in feite toe uitnodigt, is het betreden van een doolhof, zijn doolhof, dat kronkelt door z'n hoofd, z'n hart en z'n ingewanden. Je kunt de wegen inslaan die Van Caeckenbergh heeft aangelegd, maar let op, gewone verkeersregels gelden hier niet en het is de vraag of je ooit ergens aankomt.

Het is voor het eerst dat werk van Van Caeckenbergh in Nederland te zien is en het is dan ook een verdienste van Lex ter Braak, directeur van de Vleeshal, dat hij de moeilijk tot exposities bewegende Van Caeckenbergh nu tamelijk uitgebreid tentoonstelt. In België, maar ook in Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, maakte Van Caeckenbergh al naam met verschillende als expositie vermomde projecten. De tentoonstelling De Kakenberg, de plek waar alles aan de kaak wordt gesteld, in 1990 in Thiers, was een landkaart. Een opvouwbare landkaart gold als catalogus en - in de geest van Marcel Broodthaers - ook weer als kunstwerk. De bezoeker maakte een bizarre 'bergwandeling' langs verschillende 'ruïnes' - vroegere installaties van Van Caeckenbergh: het Vlaamse Mobilhome dat hoger in de berg gecomprimeerd werd tot Paard, de zes kabouters (c.q. 'Mondriaan, Brancusi, Duchamps etc') die een caran d'ache-tekendoos ten grave dragen, en de waterput die zowel sceptisch als septisch werkt.

Ook de tentoonstelling Het Leven Zelf. Deel I. Ik sprak met viervoeters, vogels en vissen, twee jaar geleden in het Vlaamse Loppem was zo'n totaalkunstwerk. In een tent stond niet minder dan een allegorie van het scheppingsproces opgesteld. Kunstproduktie is niet het resultaat van intellect of sentiment. “Zie het als spijsverteringsstelsel”, zei Van Caeckenbergh toen. “Dat ene ondefinieerbare moment van smaken, dan de lange weg van spijsvertering die je als mens niet bewust kan voelen of beïnvloeden, en ten slotte de ontlasting. Die ontlasting is in feite het kunstwerk.” In Loppem toonde hij onder andere fotoknipsels en stellages die op de oriëteringssystemen van dieren gebaseerd zijn.

Het prachtige Geurpenseel, nu ook in de Vleeshal te zien, is daar een voorbeeld van. Het elegante zeshoekige torentje is met spiegels en halve kartonnen vlinders beplakt die zich als hele vlinder weerspiegelen. De kunstenaar tuimelt daar in karton doorheen: op houten platformpjes laat hij gehaakte bollen (stuifmeelbollen?) bengelen, hij buigt, rekt, kromt zich en scheldt een onzichtbare vijand uit. Reageerbuisjes met een korrelachtige substantie gevuld en een prop watten afgesloten zitten achter de vleugels van de vlinders vastgeplakt. Geur is hier het leidmotief, al valt er als bezoeker niets letterlijks op te snuiven.

Het gevoel voor het absurde wordt de jonge Belgische kunst wel als kenmerk toegedicht. Kunstenaars als Panaramenko, Leo Copers en Van Caeckenbergh zouden de erflaters zijn van voorgangers als Rops, Ensor en Magritte. Maar wie Van Caeckenberghs werk afdoet als iemand die alleen maar het irrationele zoekt en verbeeldt, doet hem daarmee onrecht. Van Caeckenbergh probeert greep te krijgen op een wereld die geen greep toelaat. Dat maakt zijn pogingen er niet minder legitiem om.