Ga je mee? (slot); Z op Internet

De essentie van vakantie is dat niets hoeft. Wij zitten, kijken voor ons uit en zijn tevreden. Wij worden even niet geleefd. Er zitten meer mensen om ons heen, misschien wel ons reisgezelschap, maar die houden allemaal hun mond. Is er iets te zien? Misschien een bergwand, een meertje, een tuin of een boulevard. Maar al was het een blinde muur, het geeft niet. Wij halen adem en dat is voldoende. Nou ja, een koel glas is meegenomen, misschien een blokje kaas. Maar verder: graag niets. Zen en de kunst van het vakantievieren.

Op de vraag - kunnen Nederlanders wel genieten? - past het antwoord ja. Wij vroegen om uw bijzonderste, meest bevrijdende en verrijkende vakantie-ervaring en ontvingen zo'n veertig reacties, waarvan een tiental via Internet.

Wat u raakte: stilte, natuur, panorama's, nieuwe liefdes, onverwachte blijken van humaan handelen en narrow escapes. De express-trein die in het Noorse plattelandsdorp toch stilhield na handopsteken. De stier in Spanje die het tentje van de wildkampeerders toch maar voorbij liep. De garagiste in Frankrijk die de auto opknapte voor 36 gulden. Het vergeten paspoort bij de Chinese douane, waar de reisleider handig omheen praat. De zwijgzame berggids van 25 met de donkere krullen. De eerste hand op de schouder (de knie, etc.). Het jezelf nooit hoeven wassen op strandvakanties. De donderbui in de Dolomieten. De geit in het weiland naast de tent. Zelfgeplukte bramen eten uit een soepbord met een kaakje.

De inzendingen waren zo divers dat een keuze moeilijk was. Uiteindelijk kozen we voor brieven die representatief voor het aanbod waren en eruit sprongen door stijl en formulering. De brief van Hans Vermeulen uit Boskoop over werken drukken we af omdat hij in z'n werk vindt wat anderen op vakantie zoeken. Vermeulen werkt altijd maar wordt toch niet geleefd. Een kunstenaar dus. De boekebonnen werden toegekend aan M. Defesche, C. Kort, M.J. van der Put en H. Vermeulen. Volgende week volgt een nieuwe opgave.

Openlucht

45 jaar geleden:

-met blote voeten lopen over prikkelige stoeptegels

-kleedhokjes, open, met een plank die als bank en vergrendeling dient

-roetsj-roetsj aan- en uitgekleed zijn en dan je kam vergeten

-kinderen die met een Blue Band-bal in 't water spelen.

-een hongergevoel diep vanuit je buik

-je tas met spullen in de gaten houden

-de fantasie dat 's nachts 't bad tot een feestzaal voor de vogels wordt

Ik ben 53 en maak het weer mee. Een vakantie 'thuis' zette me op 't spoor van een eenvoudig openlucht zwembad in de eigen buurt.

Monique Defesche Heerlen Ik

Zeven jaar was ik, toen ik mijn eerste vakantiedag opnam. Hoe ik dat klaarspeelde met zo'n moeder die je geen moment uit het oog liet, en al begon te gillen als je je richting tuinhek begaf, zou ik niet meer weten, maar ik heb ongehinderd naar mijn reisdoel kunnen lopen. Dat was de heuvel met het hoge gras aan de rivier. Daar bloeide en geurde een zee van wilde bloemen, bezocht door bonte vlinders en zoemende bijen. Ik zag hagedisjes met gouden kloppende keeltjes, tere en forse libellen, sprinkhanen en krekels. Afgedaald naar de rivier stapte ik met blote voeten van steen op steen. Overal schoten kleine visjes door het troebele water, die ik probeerde te vangen met een gevonden blikje. Ik genoot bewust van ieder kostbaar moment, want ik was IK, en kon doen en laten wat ik wilde in mijn hervonden paradijs. Het heeft misschien wel een hele middag mogen duren. Nadat ik werd gevonden aan het eind van een koortsachtige zoekactie, kreeg ik een enorm pak slaag en kamerarrest. Niets of niemand echter kon me die uren van puur geluk meer afnemen, en ik heb nooit meer zo volkomen het Rijk Alleen gehad.

Lily Kloots-Touwen Vlaardingen Nooit meer

1 mei 1946 Op weg naar Priok horen we schieten. Paniek in de laadbak, we kunnen geen dekking zoeken. Dan ergernis, waarom wordt hier nog geschoten? Het stikt hier toch zeker van de Hollandse troepen? Dit is Batavia, niet het onveilige Bandoeng.

In Priok ligt de Boissevain. Jappen sjouwen onze koffers naar boven. “Een mooi gezicht” zegt iemand naast me. Nooit meer een Jap lijkt mij een heel wat mooier gezicht, nog even geduld, tot we varen. Het schip, voor de oorlog gebouwd voor 165 passagiers, heeft er nu 2000 aan boord. Mamma en de kleintjes hebben met vier vreemde vrouwen een hut en ze mogen in de eetzaal eten en worden bediend. Wit damast op tafel en je hoeft niet eens af te ruimen en af te wassen, vertellen ze. Wij, kerngezonden, slapen in de ruimen, pappa en Paul in een mannenruim, Els en ik in een vrouwenruim. In hangmatten boven de vastgespijkerde tafels en banken waar we in ploegen eten. Het is er bloedheet, dus we zijn altijd aan dek. Er is geen eerste en tweede klas meer, zoals voor de oorlog, je kunt overal komen. Het is vol. Als je over de railing wilt hangen, moet je wachten tot er iemand weggaat. Ik hang over de railing te kijken naar de Duizend Eilanden. Hiernaar heb ik verlangd in het kamp: aanleggen op zo'n eilandje en naar de top klimmen en uitkijken, en dan weer over de stranden lopen en geen sterveling zien. Dit zal ik nooit meer kunnen doen want ik ga naar Holland. Nou niet zeuren, dat wou je toch? Ja, want ik wilde klassen inhalen en dan geschiedenis studeren en de Sint Jan van den Bosch zien en het Muiderslot en het dorp Mijnsheerenland en het Rijksmuseum en alle bloempjes uit de Flower-Fairy-boekjes, en reizen naar Parijs en Verona en Rome. Daarvoor moet ik wel naar Holland.

Het is heerlijk aan boord. We krijgen wit brood en kaas, en de corveeërs die het eten uitdelen zijn buurjongens van voor de oorlog. Er zijn vijf klasgenoten uit Bandoeng aan boord, ik verplaats me met een troep oude en nieuwe vriendinnen, we zitten liedjes te zingen en te giechelen in een reddingsboot tot een M.P.-er ons er uit jaagt. Dit is vrijheid. Je moeder moet je ZOEKEN, ze heeft de fut niet en mijn vader komt ons soms - goedgehumeurd - vertellen dat we ons wel twee keer per dag aan de familie moeten vertonen. Je eet in het ruim met vreemde vrouwen waar je lak aan hebt. Niemand speelt de baas over ons. Dan wordt iedereen zeeziek behalve Els en ik en dus krijgen we snert, zalig! “Ze doen het er om!” kreunt het ruim vanuit de hangmatten. Ja, ze doen het er om, maar met de beste bedoelingen, verklaart de bemanning, snert STAAT in de maag en dan hebben ze wat om uit te spugen, dat is beter.

Ik ben zo gelukkig, ik ben hier nooit meer bang. Hier wordt niet geschoten en niet gekidnapped. We zingen Slow boat to China en Don't fence me in. Ik heb al mijn oorlogsherinneringen overboord gesmeten. Ik onthoud alleen de mensen. Alleen de aardigen. Ik ben zestien.

Marie-Jeanne van der Put Monnickendam De berg

Deze keer loop ik maar eens achterom, een lange omweg, maar een makkelijke wandeling. Ik heb de wind tegen maar dat voel ik pas als ik over een richeltje kom. Krachtig tot stormachtig schat ik. Dit is de achterkant van de berg. Onder de rotswand ligt een kale puinvlakte met kuilen. Een beetje sneeuw hier en daar herinnert aan de gletsjers die in koeler tijden dit landschap hebben gemaakt.

Vlakbij op de stenen zit een lammergier. Hij heeft me niet gehoord tegen de wind in, maar nu ziet ie-me. Hij vliegt op, en ja, daarom zat ie hier: dit is geen vliegweer. Hij komt laag overgewaaid. Wat is zo'n beest groot. Met moeite klimt-ie wat hoger. Hij wordt over de berg geblazen. En ik denk: 'Sorry.' Langs de rotswand is het puin begaanbaar. Hier en daar leidt een kloof van een paar meter breed steil omhoog. Ik twijfel nog welke ik zal nemen, als naast me een rotsblok naar beneden dondert. Ik zie nog net de oorzaak verdwijnen, hoog boven me, een gems. Deze dus maar, een gems zal het wel weten. Ik zal niet vertellen waar het is. Een hint: een kilometer verderop staat een andere berg ietsje hoger te wezen. Op het pad van de parkeerplaats naar de top staat een file. Een rijtje stijgers wacht tot een rijtje dalers is gepasseerd, of omgekeerd, en dat gaat zo de godganse dag. Zelfs kraaien zie je daar niet.

ChrisKort@sara.nl Amsterdam Varen

1. VAKANTIE

Ik woon langs een rivier en zie in april de eerste pleziervaartuigen weer opduiken naast de beroepsvaart. Met een wat verveelde blik en meestal iets te eten of te drinken in de hand in de zeilboot van twee of drie ton. Vakantie is tegenwoordig hard werken; het kost een aardige cent en er moet toch optimaal gebruik van gemaakt worden. We hebben veel vrije tijd en door een zelfgekozen inspanning werken we ons op tot die bevrediging, die de besteding van onze welvaartscenten moreel rechtvaardigd.

2. WERK Ik ben boomkweker en heb een stuk kwekerij dat blokland genoemd wordt. Het ligt achter andere kwekerijen in de polder en is alleen te voet of via het water te bereiken. Hopeloos ouderwets en inefficiënt. Voor het vervoer via het water bezit ik een schouw. Wat mensen buiten het dorp een mestpraam noemen. Gemaakt door scheepsmaker Arie (bijgenaamd Arie Pekbuik) in 1971 van vooroorlogs eikenhout. Ik probeer mijn schouw netjes bij te houden, dus minstens om het jaar uit het water en alles in de teer. Het blik in de koolteer, vurenhout in de carbolineum en het eikenhout in de bruine teer. Als ik het in september iets rustiger heb, dan doe ik dat. Het is een van de laatste schouwen die gebouwd zijn en ik wil hem graag goed houden. Bovendien ben ik ervan afhankelijk. Met 40 uur in de week red je het niet, als zelfstandige kweker. Het arbeidsloon is hoog en de prijzen staan door overproductie onder druk. Veel personeel is niet gemotiveerd om zwaar en vuil werk te doen. Overwerk gaat ten koste van het surfen of de sportschool. Dus ga ik vaak in het weekeind of 's avonds of 's morgens vroeg zelf, liefst alleen, naar mijn stukje blokland. Bij mooi weer in de korte broek, met slecht weer een regenpak of liever een ouwe jas; als hij nat is neem ik een andere ouwe jas. Als er ijs ligt, lopend of op de schaats. Ondertussen eet ik mijn brood op en een appel. Mensen vragen vaak of ik het niet erg vind altijd te werken en haast nooit of kort op vakantie te kunnen. Ach, ik heb geen hekel aan werken.

Hans Vermeulen Boskoop

Zaterdags Peil, postbus 8987, 3009 TH Rotterdam of direct per e-mail aan zpeil@nrc.nl (Internet: http://www.nrc.nl/)