Het wordt leeg rond Iraks Grote Leider

Vijf jaar geleden blufte Saddam Hussein, aan de vooravond van de tweede Golfoorlog die hij zijn land oplegde, dat zijn volk van meer dan 18 miljoen zielen best één miljoen kon missen voor de glorie van het eeuwige Irak en de Arabische Natie. Roem en glorie bleven uit. En een tegenstribbelend Irak doet wat zijn vijanden voorschrijven: het ontwapent zichzelf. Honderden mensen sterven per dag - niet in een roemruchte oorlog, maar door ondervoeding, gebrek aan medicijnen en roofovervallen door misdadige bendes, die overal opereren.

Geen Arabier, laat staan een Irakees, kon vijf jaar geleden dromen dat de man die binnen Irak gezien werd als de Wrake Gods en buiten Irak als een sterk en te respecteren wereldleider, steeds minder macht zou uitoefenen over een steeds kleiner deel van zijn land. Evenmin kon men zich voorstellen dat Irak - door zijn overval op het even begeerde als geminachte Koeweit - binnen enkele jaren naar peilloze diepten zou worden gesleurd.

Het wordt leeg rond de Grote Leider. Met moord, intriges, oliedollars en terreur werd hij in de jaren '50 langzaam maar zeker de baas van de Ba'ath-partij, om vervolgens op te klimmen tot president van het meest geïndustrialiseerde Arabische land. Thans is hij eenzamer dan ooit. Een figuur, die zelfs zijn allernaaste familieleden niet langer vertrouwt.

Saddam heeft genoeg reden tot wantrouwen, nu geen van zijn beslissingen de afgelopen jaren het verwachte succes heeft opgeleverd. Wellicht kan hij zich daarom steeds moeilijker concentreren en valt hij van het ene in het andere uiterste, hopend zo het naderende onheil te ontlopen. De afgelopen tijd is hij steeds religieuzer geworden. Hij examineert nu zelfs zijn naaste omgeving op hun kennis van de Koran. Alleen zijn twee zoons Uday en Qusay die belangrijker zaken aan hun hoofd hebben, hoeven die teksten niet te kennen.

Toch nadert het politieke en fysieke einde van de man, die dacht dat absolute macht sterker is dan alle normen en mensen, waardoor hij nèt iets te veel vijanden maakte. Dinsdag ontvluchtten twee naaste vertrouwelingen het langzaam zinkende schip Irak: zijn schoonzoons, getrouwd met twee van zijn drie dochters, zijn lieveling Ragha en haar zuster Rana.

“Een familieruzie”, bevestigden de anders zo discrete dienaren van koning Hussein van Jordanië, onder wiens hoede zij zich hebben gesteld. Maar die familieruzie kwam niet zo maar uit de lucht vallen. Zij is het gevolg van de ellendige situatie van Irak. Want hoewel Saddam en zijn naasten nog steeds in overvloed zwelgen - getuige de tientallen paleizen en luxe villa's die de afgelopen jaren voor hen werden gebouwd - verkruimelt het door de VN opgelegde olie- en handelsembargo de nationale koek. Het land is als gevolg van de schade in de oorlogen tegen Iran en om Koeweit, de daarop gevolgde sancties van de VN, de buitenlandse schulden (geschat op 60 miljard dollar) en de door de VN gebillijkte eisen op schadevergoeding (geschat op 100 miljard dollar) “terug in de pre-industriële tijd”, berichtten onlangs deskundigen van de VN.

Elke dictatuur heeft, wil zij overleven, naast bloedige terreur om potentiële tegenstanders af te schrikken, ook geld nodig om haar beulen te belonen. Dat omkopingsgeld ontbreekt in Irak in toenemende mate - reden voor Saddam om de sunnitische clans in Centraal-Irak, die hem moeten beschermen, met posten en functies te belonen. Die bieden immers de mogelijkheid om op illegale wijze extra te verdienen of anderen af te persen. Tijdens de riante dagen van de bezetting van Koeweit maakten Saddams familieleden afspraken wie welk deel van de uit Koeweit geroofde buit mocht hebben. Uday, de oudste zoon van Saddam, bekend om zijn moorden en verkrachtingen, kreeg alle geroofde mercedessen en de thans naar Jordanië gevluchte Hussein Kamel Hassan al-Majid alle computers. De afgelopen tijd konden Uday en zijn oom Watban al-Ibrahim de opbrengst in hun zak steken van Iraks illegale olie-exporten naar Iran en Turkije: naar schatting 700 miljoen dollar. Aan Iraanse kant neemt een zoon van president Rafsanjani de olie tegen een zeer gereduceerde prijs in ontvangst. Het is dus voor alle betrokkenen een winstgevende bijverdienste.

Alleen de zeer grote vissen krijgen echter nog een deel van de opdrogende nationale buit. Steeds vaker maken zij onderling ruzie over de percentages die zij opeisen. Voor de iets minder grote vissen blijft weinig tot niets over. Legerofficieren en hoge ambtenaren, die vijf jaar geleden nog een rijk bestaan hadden, kunnen niet langer rondkomen. De distributie van goedkoop voedsel door de overheid is volstrekt onvoldoende om te overleven, zodat iedereen is aangewezen op de zwarte markt, waar de prijzen astronomisch zijn. Zo verdient een doorsnee-overheidsambtenaar ongeveer 5.000 dinar per maand, de prijs van twee kippen. Voor een kilo suiker moet hij 2.000 dinar neerleggen. Officieel is de dinar is 3,2 dollar waard, maar op de zwarte markt moet men tussen de 1.500 en 1.650 dinar voor één dollar betalen. Wie uit Irak weg wil, dient over voldoende relaties of geld te beschikken. Want een uitreisvisum kost 333 dollar, oftewel 111 maandsalarissen.

Deze uitzichtloze situatie leidt tot een meedogenloze strijd om de profijtelijke posities. Zelfs binnen de machtige sunnitische stammen van de Dulaimi's en de Jaburi's, de ruggegraat van Saddams heerschappij over het leger, de geheime diensten en de ambtenarij, groeien onrust en afvalligheid. Dat leidde al in mei tot een gewapende opstand van de Dulaimi's, nadat één hunner, een generaal die openlijk kritiek had geuit op Uday's machtsstreven, in Bagdad onder de gebruikelijke folteringen ter dood was gebracht.

De strijd gaat niet alleen om de karige brokken die de hongerige wolven elkaar niet gunnen. Hij gaat ook om de manier waarop Irak het politiek moet opnemen tegen zijn buitenlandse vijanden. Want de uitkomst daarvan bepaalt uiteindelijk de overlevingskansen van het regime. Uday bij voorbeeld voert al sinds een jaar campagne in zijn krant Babel tegen vice-premier Tareq Aziz omdat diens “slappe diplomatie” tegenover de VN (onder druk toegeven, in de hoop dat de sancties worden opgeheven) tot dusverre niets heeft opgeleverd.

Saddams halfbroer Watban al-Ibrahim, die als minister van binnenlandse zaken volgens Uday in mei miet krachtig genoeg optrad tegen de opstandige Dulaimi's en daarom door hem voor “een halve man” werd uitgemaakt, werd vervolgens door de president ontslagen. Dezelfde Watban werd overigens woensdag, tijdens een feest ter gelegenheid van het eind van de oorlog met Iran zeven jaar geleden, “per ongeluk” in zijn been geschoten, meldde gisteren het dagblad Babel van Uday. Eén van de aanwezigen “had bij de vreugdeschoten zijn evenwicht verloren”. Volgens Abdel Jabbar, woordvoerder van het Iraaks Nationale Congres (de paraplu van de verdeelde en onmachtige Iraakse oppositie) was de schietpartij iets minder onschuldig. “Uday en Watban hebben ruzie over de inkomsten uit de illegale olie-export naar Turkije.”

Tot voor enkele dagen stonden Saddams zoons zij aan zij met hun neven tegenover hun ooms, de halfbroers van Saddam. Nu is ook die alliantie gebroken, zo blijkt uit de vlucht van twee van Saddams neven naar Jordanië. Saddam beloonde hun trouw door zijn dochters aan hen uit te huwelijken. Hussein Kamel Hassan, die alleen op de lagere school is geweest, werd over de hoofden van de andere hoge officieren tot luitenant-generaal gepromoveerd en mocht minister van industrie en mineralen worden, alsmede hoofd van de Commissie voor de Militaire Industrialisatie. In die functie bouwde hij het arsenaal van massa-vernietigingswapens op, dat hij vervolgens op last van de VN weer moest afbreken. Velen zagen hem als de politieke Nummer Twee van het regime. In Amman, waar hij zich sinds dinsdagavond bevindt, heeft hij zijn eigen handelsonderneming, al-Arab genaamd, die tevens een dekmantel is voor één van Iraks zeven geheime diensten. Zijn mèt hem gevluchte broer, luitenant-kolonel Saddam Kamel Hassan, was hoofd van Saddams lijfwacht en getrouwd met Rana, de tweede dochter van Saddam. Volgens Jordaanse functionarissen bestond het eminente gezelschap dat in Jordanië politiek asiel had gevraagd en gekregen, uit “ongeveer twintig officieren”.

Uday reisde hen achterna, vergezeld van Ali Hassan al-Majid, beter bekend als 'Ali Chemicali' of 'de Beul van Koeweit', omdat hij in 1988/'89 de massale vergassing van Koerden in Noord-Irak en in 1990 de tuchtiging van het bezette Koeweit had georganiseerd. Ali Hassan al-Majid werd een paar weken geleden door Saddam als minister van defensie weggestuurd en ogenschijnlijk gedegradeerd tot organisator van de Ba'ath-partij in Bagdad. Waarschijnlijk was zijn ontslag bedoeld als zoenoffer aan de Dulaimi-stam, die hij iets te hard had aangepakt, waardoor de president zich gedwongen zag hun woede te sussen met vijf miljoen dollar en 500 heren- en dameskamelen.

Gisteren probeerde Uday - zonder succes - zijn overgelopen familieleden te spreken te krijgen en tot terugkeer naar Irak te bewegen. De zussen en zwagers wilden niet. De repercussies zullen waarschijnlijk al de komende dagen merkbaar worden. Men verwacht onrust - zowel in het leger, als bij de Republikeinse Garde, waar zich vele door Hussein Kamel aangestelde lieden bevinden. Zij zullen mogelijk in actie komen, uit angst te worden uitgeschakeld door Saddams zoons, die steeds meer macht grijpen. Saddam heeft hun onlangs alle privileges toegekend van vice-president.

Uday is, na de jongste kabinetswijzigingen, de facto leider van de ministeries van binnenlandse zaken en defensie, naast zijn officiële functies van hoofd van het Olympisch Comité (waar de beulen en folteraars worden opgeleid), eigenaar van een radio- en een tv-station, alsmede van de krant Babel. Bovendien heeft hij zijn eigen militie opgericht, de 'Fedayien van Saddam', 35.000 man sterk. Hij stuurt duidelijk aan op een botsing met de VN. En Saddam luistert steeds meer naar hem. Zijn op de achtergrond opererende broer Qusay, die na de opstand van de shi'ieten in maart 1991 berucht werd om de snelle doodvonnissen en martelingen die hij gelastte, controleert nu alle geheime diensten.

Zal Saddam volgend jaar de vijfde verjaardag vieren van de 'Moeder van Alle Veldslagen'? Velen betwijfelen het. Zij zien uit naar zijn vertrek, dat Irak van de VN-sancties moet verlossen. Maar zij vrezen zijn opvolger, die waarschijnlijk hetzelfde kaliber zal hebben als de thans naar Jordanië gevluchte officieren, die allen, zonder uitzondering, bloed aan hun handen hebben. “Het verschil tussen hen en Saddam”, zegt een gevluchte Iraakse academicus. “Dat is het verschil tussen een slager en een poelier.”