Rudi Fuchs bestrijdt in Italië de aanbidding

Paliano, centro Zerynthia, strada Palianese Sud. T/m 29 sept. Di t/m zo 16-19u, za en zo ook 11-13u. Inl 0039-775-533650 PALIANO, 9 AUG. In de lieflijke heuvels op drie kwartier rijden ten zuidoosten van Rome ligt een klein plaatsje, Paliano, met grote ambities. Vroeger was een groot deel van het huidige stadje in handen van het adellijke geslacht Colonna. Door de eeuwen heen heeft de aristocratie een stempel gedrukt op Paliano en er de belangstelling voor culturele manifestaties levend gehouden.

Zo komt het dat hier, in de campagna, een kleine maar interessante tentoonstelling is ingericht door drie conceptuele kunstenaars van wereldfaam. De Amerikaan Sol LeWitt heeft een paar kamers volgeschilderd met zijn kleurenschema's, de Italiaan Mario Merz laat door die kamers een glazen tafel golven, en de Nederlander Jan Dibbets heeft in een aangrenzende ruimte naast de echte ramen foto's opgehangen van andere ramen.

De drie kunstenaars zijn bij elkaar gebracht door Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, die bekend is in Italiaanse kunstkringen door zijn voormalige directeurschap van het museum voor moderne kunst in Rivoli, bij Turijn. Onder het motto Accumulaties wil hij een semi-permanente expositie in Paliano laten zien, waarbij jaarlijks een van de kunstenaars wordt verwisseld. Volgend jaar zal Sol LeWitt worden vervangen.

Fuchs zegt dat de tentoonstelling in Paliano onderdeel is van zijn strijd tegen het individualisme in de contemporaine kunst. “Het probleem is dat de twintigste-eeuwse kunstwereld het werk van afzonderlijke kunstenaars er steeds wil uitlichten”, vertelt hij, rondlopend door de zalen. “Iedereen wil het liefst een eigen zaal. Dat ene ding moet je dan aanbidden. Er mag niemand anders bij, anders wordt de eigen inventie verstoord door die van de anderen. Dat specialisme, dat gericht zijn op de eigen persoon, merk je ook als je een tentoonstelling maakt. Als ik zeg, ik wil dit hier of daar hangen, antwoorden ze 'dat kan niet, want mijn werk heeft die ruimte nodig'. Eigenlijk is dat lulkoek. Ik heb mijn hele leven daartegen gestreden.”

Het museum is als een kerk, meent Fuchs, waar allerlei dingen door elkaar heen spelen. “De kerk dateert uit de dertiende eeuw, dan is er in de baroktijd wat veranderd, er hangen al schilderijen en er komen weer nieuwe schilderijen bij. Je kijkt naar een schilderij, dan draai je je om en kijk je naar een ander schilderij van een andere kunstenaar. Het museum gaat over het vergelijkbaar maken van dingen. Dat gebeurt in een galerie niet. Daar zie je werken van een kunstenaar X en over alle andere dingen mag niet worden gesproken, want jij moet dat werk kopen. Je mag niet eens weten wat er aan andere kunst is. In een museum kijk je juist naar X, Y en Z.”

Pagina 7: Dibbets biedt uitzicht dat in het echt niet bestaat

We komen bij de witte zaal waar Dibbets zijn foto's van ramen en hun uitzicht heeft opgehangen: glas-in-lood ramen van twee Franse kerken, dat van de sociale verzekeringsbank in Amsterdam (Fuchs kijkt daar naar vanuit zijn werkkamer) en een raam van het huis dat Frank Gehry heeft gebouwd in Minneapolis. De zaal biedt op deze manier 'uitzichten' die in de werkelijkheid van Paliano niet bestaan. Een van de foto's, onder een hoek genomen, hangt schuin onder het echte raam van de zaal zelf en is een direct commentaar daarop.

“Dibbets reageert hier op de ruimte”, zegt Fuchs. “Zijn vroegere werk is heel precies geplaatst en gelokaliseerd op een vlak, terwijl hij hier ineens heel vrij met die motieven omgaat. Dat zie je met grote kunstenaars. De drie kunstenaars hier zijn allen van een generatie die los is gekomen van zijn verleden. Iedere kunstenaar overlegt met zichzelf als hij jong is: word ik figuratief of abstract, beeldhouwer of schilder. Sommigen houden zich heel precies aan wat ze toen met zichzelf hebben afgesproken. Dat wordt soms een beetje benauwd werk. Grote kunstenaars kunnen daarvan afwijken. Ik vergelijk dat met iemand die op de weg rijdt, met links en rechts prachtige bloemen en bomen, en nooit van de weg afgaat. Het is alsof Dibbets hier bloemen strooit. Hij heeft een heel raar soort ruimte gemaakt met uitzichten, waardoor die ruimte aan alle kanten gaat trekken.”

Dibbets zelf moet een beetje lachen om het thema van de tentoonstelling. Hij zit gemoedelijk op een muurtje naast de voormalige boerenwoning waarin de tentoonstelling is aangebracht. “Accumulaties? Ik ben blij dat ik geen commentaar hoef te geven op andere kunstenaars. Ik geef commentaar op de ruimte. Fotografie is een afbeelding van de ruimte en hier is de afbeelding van de ruimte weer een deel van de ruimte geworden.”

Dibbets, die een huis in Toscane heeft, was als enige van de drie kunstenaars vorige maand aanwezig bij de opening. Aangemoedigd door de grote belangstelling zegt hij zich onderdeel van een typisch Nederlandse traditie te voelen. “De essentie daarvan is helderheid, overzichtelijkheid. Licht is heel belangrijk. Je zou zeggen dat dit nu in de Nederlandse kunst geen rol meer speelt, maar merkwaardigerwijze kunnen Nederlanders daar op een speciale manier mee omgaan, op een manier die voor Italianen, Fransen of Amerikanen wel te begrijpen is, maar die ze niet kunnen imiteren. Wij denken dat het simpel is, dat iedereen het wel had kunnen bedenken, maar dat komt doordat het ons met de paplepel is ingegoten.”

Beweging is een ander hoofdelement, vervolgt Dibbets. “Dat is bijvoorbeeld het verschil met een andere grote traditie, de Spaanse. Die is heel stil. De Vlaamse is van nature heel onrustig, net als de Nederlandse.” Hij maakt een weids gebaar naar de heuvels om zich heen. “Zo'n landschap geeft op de een of andere manier een ongelooflijke rust. Dat heb je in Nederland nooit. Daar zijn allemaal voorbijschietende wolken. Hier zie je nooit van die razende toestanden. Het merkwaardige is dat zoiets reflecteert in de kunst. Die wordt daardoor heel authentiek en plaatsgebonden. Als je grote kunst uit Nederland elders op de wereld ophangt gaan die werken er alleen maar op vooruit. In een andere omgeving valt het bijzondere ervan meer op. Een Ruysdael is in New York veel mooier dan in Nederland.”

Fuchs gaat verder voor door de zalen met de Wall Drawings van Sol LeWitt. Het zijn geometrische figuren. Soms strak, dan weer met vloeiende lijnen, soms monochroom, dan weer met een heel scala van kleuren. Zoals vaak bij Sol LeWitt heeft hij geen verf gebruikt, maar ecoline die door assistenten met watjes op de muur is aangebracht. Hierdoor blijft de structuur van de muur door de verf heen zichtbaar.

Dat LeWitt niet zelf het handwerk van het aanbrengen van de verf heeft gedaan, vindt Fuchs geen enkel probleem. “Michelangelo liet ook andere mensen aan zijn beelden werken. Je had bij het marmer iemand voor een scherpe rand en iemand voor een bolle rand, allemaal specialisten. Het idee dat een kunstenaar alles zelf moet doen heeft te maken met het impressionisme. De kunstenaar ging naar een plekje toe, aan de Seine bijvoorbeeld, en daar schilderde hij wat hij zag, zoals hij het zag. Dat moet je inderdaad zelf doen. Maar het idee dat je alleen maar kan schilderen wat je ziet, is niet interessant in de eeuwen daarvoor. Ruysdael liet niet zien wat hij zag, maar hoe hij vond dat Holland eruit zag. Het was synthetisch, met bepaalde wolken, ook als die er niet waren.”

Fuchs ziet deze tentoonstelling als een uitdaging om Italianen te laten zien dat klein fijn kan zijn. “Het is moeilijk om hier iets kleins te maken. De sponsor wil een grote tentoonstelling, la grande mostra. In Italië zijn tentoonstellingen bovendien drie keer zo duur als in Nederland, omdat er een enorme hoeveelheid publiciteit aan te pas komt. In Rivoli werden al die Italiaanse critici ingevlogen. Alles werd voor hen betaald. Iets kleins maken is hier een uitdaging. We zijn dat in Nederland ook een beetje aan het kwijtraken, het idee dat je iets met de hand kan doen. Ik zeg altijd dat ik een artigiano ben, een ambachtsman.”

De tijd is op. Fuchs moet handen gaan schudden van notabelen, verzamelaars en critici. De burgemeester van Paliano, Giuseppe Alveti, komt nog even praten. “Ik ben blij dat we een grote kunstenaar als Dibbets hiernaartoe hebben kunnen halen”, zegt hij. “We willen laten zien dat je buiten de grote stad, in de periferie, ook heel belangrijke dingen kan doen. Dit is meteen een andere omgeving. Er is een enorme kalmte, de kwaliteit van het leven is veel groter. Alles gaat langzamer. Ik ben bang voor de snelheid. We moeten oppassen voor een samenleving die ons nooit laat nadenken.”