Vrijheid

G.A.I. SCHUIJT en D. VOORHOOF (red.): Vrijheid van meningsuiting, racisme en revisionisme; 236 blz., Academia Press (Gent) 1995, ƒ 72,10

In 1977 plande een groepje met de naam National Socialist Party of America (NSPA) een mars ter gelegenheid van de verjaardag van Adolf Hitler, compleet met hakenkruisen en nazi-uniformen, in Skokie. Meer dan de helft van de inwoners van deze voorstad van Chicago was van joodse afkomst; er woonden enkele duizenden overlevenden van de Holocaust.

Skokie pikte de mars niet en uiteindelijk is deze ook afgeblazen. Dat lag echter niet aan de overheid, ook al probeerde deze op allerlei manieren er een stokje voor te steken. Wat men ook bedacht, steeds werden de maatregelen met succes aangevochten bij de rechter - tot het federale Hooggerechtshof toe.

De vrijheid van meningsuiting woog het zwaarst, vond ook de Amerikaanse Unie voor de burgerrechten (ACLU). De constitutie is kleurenblind en dat dient ook te gelden voor het bruine front.De ACLU vond dan ook dat zij geen andere keuze had dan op te komen voor de NSPA. Deze opstelling kostte de organisatie wel vijftien procent van haar leden. Deze waren de grondwettelijke vrijheden niet minder toegedaan, maar vonden dat de rechtsstaat zich moet kunnen verdedigen tegen degenen die hem proberen te vernietigen.

Over het dilemma van de weerbare democratie en de vrije meningsuiting hebben het Instituut voor informatierecht van de Universiteit van Amsterdam en de Vakgroep communicatiewetenschappen van de Gentse universiteit een bundel uitgebracht.

Deze is gebaseerd op een gezamenlijk seminar over juridische maatregelen tegen uitingen van racisme en in het bijzonder de ontkenning van de Holocaust (het zogeheten revisionisme). Aanleiding genoeg. België heeft begin dit jaar een speciale strafbepaling tegen de Auschwitz-leugen ingevoerd.

Nederland vertrouwt voorlopig op de rechter; begin dit jaar veroordeelde de rechtbank in Den Haag de beruchte revisionistische uitgever Verbeke wegens “belediging van een bevolkingsgroep wegens ras of geloof”.

Het grote punt is nu echter of het verkondigen van een volstrekt onware theorie op zichzelf al dit beledigend karakter kan hebben. (Het gaat daarbij niet alleen om de Auschwitz-leugen, maar ook om het vorig jaar verschenen The Bell Curve. Intelligence and Class Structure in American Life van Richard Murray en Richard Herrnstein. De Amerikaanse auteurs verkondigen hier de stelling dat zwarten gemiddeld een lager IQ hebben dan blanken.) Bij de Belgische wet wordt overigens precies de omgekeerde kanttekening gemaakt, namelijk dat de bestaande bepalingen al voldoende zijn om bepaalde revisionistische uitingen te beteugelen.

Een van de auteurs oppert dat het parlement beter had kunnen volstaan met het aannemen van een resolutie waarin de ontkenning van de Holocaust in politiek-morele termen ten stelligste wordt afgekeurd.De onderliggende vraag is of de inzet van justitiële middelen tegen de revisionisten uiteindelijk wel te verenigen valt met de neutraliteit van de staat in de strijd der ideeën. Deze vraag blijft natuurlijk niet beperkt tot de Lage Landen.

De bundel bevat interessant vergelijkingsmateriaal over de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland. Daaraan vooraf gaan twee rechtsfilosofische beschouwingen, waarin onder meer gewaarschuwd wordt dat het grote accent op 'meningsuitingen' in de strijd tegen het racisme niet de illusie moet scheppen dat racisme in de eerste plaats een kwestie zou zijn van 'meningen' en niet van attitudes, structuren en handelingen. En wat de meningsuiting zelf betreft wordt herinnerd aan de stelling dat de leugen alleen als leugen valt te identificeren door kritische discussie.

En toch, wie zal het de bewoners van Skokie kwalijk nemen dat zij gewoon niet gediend waren van die mars?