Shell Pernis naar de 21ste eeuw

Dezer dagen heb ik de Shell-raffinaderij in Pernis weer eens gezien. De meeste lezers zullen dit complex slechts kennen door een blik vanachter de autoruit. Overdag een ingewikkeld geheel van torens en buizen, 's nachts een kerstboomveld vol lichtjes. Krijg je de gelegenheid om de raffinaderij te bezoeken dan word je niet zo veel wijzer. Het omvormen van ruwe olie tot benzine, nafta en smeerolie is een tamelijk ingewikkeld produktieproces. Dat dit gebeurt met logische stappen in aparte fabrieken valt niet zo gemakkelijk te ontdekken waneer je rondloopt tussen de wirwar van sissende, stampende en rokende buizen. Het lijkt wel een ontzaglijk groot bord met ijzeren spaghetti-slierten. Ten hoogste valt te onthouden dat een raffinaderij ruwe olie kraakt, d.w.z. zware en sterk verontreinigde deeltjes ruwe olie afbreekt tot minder vuile en meer efficiënt te gebruiken deeltjes waarop onze auto's kunnen rijden.

In drie van fasen van mijn leven heb ik de raffinaderij bezocht.

Eerst als leverancier van Shell, want de onderneming waarvoor ik werkte had een eigen fabriek op het terrein waar olievaten werden gemaakt. In de gehele wereld was Shell onze belangrijkste klant en ook toen was de klant koning. Voortdurend waren we als toeleverancier in de weer om ons produkt beter te maken. Dat hoorde zo in de Shell-omgeving waarin kwaliteit en technische vooruitgang voorop stonden. Wat nu gewoon is in de relatie tussen een onderneming en zijn toeleveranciers paste Shell al twintig, dertig jaar geleden toe: samen proberen de kwaliteitslat steeds hoger te leggen door nieuwe ontwikkelingen en nieuwe technologie. Niet van de een naar de ander lopen om maar het goedkoopste uit te zijn, neen, een vaste relatie en een voortdurend verbeteringspatroon.

De tweede fase ontstond tijdens mijn ministerschap. Al eerder wist ik dat veel Europese raffinaderijen door hoge kosten en overcapaciteit een moeilijk bestaan hebben. Daar kwam bij dat Shell Pernis bij de gegeven techniek slechts met moeite kon voldoen aan de steeds scherpere Nederlandse milieu-eisen. Er werd voortdurend geïnvesteerd om de efficiency en het milieu te dienen, maar er komt dan een ogenblik waarop dat streven bij de bestaande instanties niet veel effect meer oplevert. Het proces moet dan worden omgevormd, of in het moderne jargon: gereëngineerd.

Serieus is de vraag gesteld of dat in Nederland nog wel zin had. Op die vraag kon alleen maar een ja volgen als men zekerheid kon krijgen over de milieu-eisen in de verdere toekomst. Een raffinaderij moet aan honderden eisen voldoen en heeft te maken met talloze vergunningen die door allerlei overheden (rijk, provincie en gemeenten) worden verleend. Ieder van die overheden wil het liefste zijn eigen normen en regels hanteren. Het is haast net zo'n bord spaghetti als de raffinaderij zelf. Shell wilde het hele bord zien en de andere partijen vonden dat redelijk. Ongeveer een jaar lang zijn vele experts van Shell en daarbuiten met een reeks van overheidsinstanties figuurlijk in een hok gaan zitten. Met dat vele praten kwam men er uiteindelijk uit. De eisen kwamen op een lange rij te staan met de belofte erbij dat de vergunningen zouden komen als Shell aan die eisen zou voldoen.

Daarmee was het Per-plus (Pernis plus milieu en efficiency) geboren, maar het zou wel een investering vergen van ruim 3 miljard gulden en in latere fase mogelijk nog eens enkele miljarden. Een dure uitkomst van een op zichzelf ideale methode: beide partijen wisten wat ze aan elkaar hadden. Het is voor de olieonderneming geen gemakkelijke beslissing geweest want voor een raffinaderij is Nederland een moeilijk land, maar uiteindelijk werd besloten het Per-plus uit te voeren.

Die uitvoering heb ik zo juist in een weer andere functie mogen aanschouwen. Nu dan als commissaris bij een bouwbedrijf dat een stukje van het Per-plus onder handen heeft. Een bijzonder ingewikkeld deel. Om bij de vergelijking van de spaghetti te blijven: een raffinaderij is eigenlijk twee borden van dat spul boven elkaar. Veel buizen boven de grond en haast evenveel daaronder. Ook van de laatste moet een groot deel worden vernieuwd en daar was mijn aannemer bij betrokken. Een hels karwei waarvan je zenuwachtig wordt als je het ziet. Doch het is slechts een onderdeel van een gigantisch geheel. Vele gebouwen en installaties zijn al gesloopt, ook de oude Van Leer vatenfabriek. Ruim 2500 mensen zijn in de enorme bouwput bezig met van alles te sjouwen. Overeenkomstig de hoge Shellnormen wordt overal op gelet. Zo kregen we voor het korte bezoek een apart college over veiligheid. Ruim 2 miljoen arbeidsuren zijn al vertimmerd zonder ongelukken wat bij zo'n werk een enorme prestatie is.

Het Per-plus is nog lang niet af. Dat zal wel tot 1997 duren. Dan zullen we een van de grootste en meest efficiënte raffinaderijen van de wereld bezitten, die ook nog de schoonste is. Tweederde van de produktie wordt geëxporteerd. Dat laat zich vertalen in een groot aantal goede banen maar, zo gaat dat bij efficiency, toch wat minder dan vroeger. Het Per-plus is door de lange onderhandelingen vooraf met de overheid een experiment geweest. Bij de totale beslissing was het soms een dubbeltje op zijn kant. Maar nu kunnen in Pernis de kerstbomen tot ver in de volgende eeuw branden.