Meeuwen eten zich rond op de vuilnisbelt

In de stad leven niet alleen mensen en auto's. Het wemelt er van de dieren: reigers, ratten, wespen, vleermuizen. Er groeien allerhande bomen en struiken, bijzondere en doodgewone planten. Er is, kortom, veel natuur in de stad.

“Voor vogels bestaan er geen steden”, zegt Nico de Haan, hoofd mediazaken van Vogelbescherming Nederland. “Er zijn bossen of rotsen. En of er beneden nu schapen lopen of mensen, maakt ze niets uit.” Voor een vogel is de stad waar hij al of niet tijdelijk verblijft vermoedelijk niet meer dan een rotsachtig terrein, een geaccidenteerde steenmassa waar voldoende voedsel te vinden is om in leven te blijven en de soort voort te zetten. Want dat is voor een vogel, zoals voor elk levend organisme, het allerbelangrijkst.

“Schuwe vogels zoals de grauwe kiekendief, of soorten met heel specifieke eisen zoals de grutto, komen niet naar de stad”, zegt De Haan. Daarentegen komen scholeksters ('super-krakers' noemt De Haan ze, die alleen in de duinen plachten te bivakkeren) hoe langer hoe meer broeden op de platte daken van flats of fabrieken: “Op die kiezelbiotoop is het heerlijk veilig en stil.” Dat ondervinden de meeuwen die door het toenemende aantal vossen letterlijk het dak op worden gejaagd. Zo ook de visdiefkolonie die op het dak van een veilinggebouw in Aalsmeer woont, een soort die vroeger alleen maar buiten voorkwam. Door de veranderde structuur van agrarisch Nederland, het kleinschaliger worden van open gebieden, door de toenemende verdroging van de grond, zoeken de vogels andere plekken op.

Voor een aantal soorten niet zonder succes. Zag je vroeger vooral 's winters meeuwen in de stad, nu zijn ze er altijd en in grote hoeveelheden. De Haan: “De meeuwenstand in Nederland is sinds het begin van deze eeuw vertienvoudigd. Dat is het effect van de overdadige voedering, vooral door de open vuilnisbelten. Rond de één miljoen verkeersslachtoffers moeten er jaarlijks worden opgegeten; plus de één à twee miljoen vogels die ten offer vallen aan hoogspanningskabels.” Dode vogels zie je weinig in de stad. Dat komt, zegt De Haan, omdat ook zij worden opgeruimd door de aaseters, door meeuwen en andere roofvogels. De kolonies kok- en zilvermeeuwen lijken nu gestabiliseerd. “Ze zijn vol. Op een gegeven moment kan er niets meer bij. Dat reguleert zichzelf.”

Een betrekkelijke nieuwkomer voor de stad is de ekster, zwart-wit, met een lange staart. 'Asielzoekers' zijn het volgens De Haan. In de loop van deze eeuw verjaagd van het veranderende platteland waar ze thuishoorden. Weggejaagd door de zwarte kraaien, hun aartsvijanden, die het op hun eieren, jongen en nesten voorzien hebben. Zwarte kraaien zijn echter banger voor mensen dan eksters; over het algemeen mijden ze de bebouwde kom. Zij moesten eens weten dat steden en dorpen in werkelijkheid veiliger zijn voor vogels dan het platteland, vanwege het simpele feit dat er daar niet op hen gejaagd wordt. “In de stad zijn vogels niet bang voor ons”, zegt De Haan. “Buiten wel, dan zijn ze al weg zodra ze je zien aankomen.” Niet dat eksters in de stad geen vijanden hebben. Zo azen torenvalken en eekhoorns eveneens op hun nesten, grote overkapte bouwsels waar ze in de winter al aan beginnen te bouwen. Ook voor bosuilen zijn ze niet veilig. “'s Nachts worden ze tot midden in de stad door de bosuilen van de takken geplukt. Vooral de jonge eksters zijn de dupe, die er al vroeg in het voorjaar zijn. Bosuilen eten alles wat beweegt.” In zijn boekje In de tuin, uit de serie Kijk op vogels, breekt De Haan een lans voor de ekster, ruimt een aantal misverstanden over deze 'beroemde en beruchte' vogels op en pleit ervoor de soort beschermd te verklaren. “Natuurlijk halen ze wel eens een merelnest leeg. Wij hebben de neiging dan partij te kiezen voor de zwakste, maar met de merelstand gaat het uitstekend, ook in de door de eksters intensief bewoonde gebieden.”

Inmiddels zijn ook blauwe reigers bekende stadsfiguren geworden. Ze zijn er graag omdat het er warmer is dan buiten, en voedselrijker. Daar staan ze, statig en roerloos, bij een vijvertje in een stadstuin, op een bootje in de gracht, of aan de rand van een kade. Ze loeren mee met de paar vissers die hun dobbertje hebben uithangen. En in het voorjaar jagen ze, met dat beschaafde uiterlijk maar uiterst stellig, op de balletjes dons die in het water drijven of met moeder eend op de kant zijn geklommen. Het levert taferelen op die je in natuurfilms ziet. Moeder die de reiger tracht te verjagen door met woedend klepperende vleugels op hem af te stormen. Dan zweeft hij even weg, maar staat een minuut later weer satanisch naar de jongen te staren. Je hebt het idee dat het puur geluk is dat er nog kleine eendjes overblijven. Reigers, ratten, aalscholvers, eksters - allemaal hebben ze graag een pulletje op het menu, voor zichzelf of voor hun eigen jongen.

De Haan vindt dat je inderdaad wel kunt spreken van een 'klein Serenghetti'. Het werkt immers volgens hetzelfde mechanisme: de competitie om de beschikbare ruimte en om eten en gegeten worden.

Alle sombere verhalen over vervuiling ten spijt is de kwaliteit van het Amsterdamse water de laatste decennia vooruitgegaan. Dat hier en daar in de grachten nog riolen uitkomen, deert vissen en vogels niet. Fosfaten bevorderen de algengroei, daar profiteren de vissen van en hoe meer vissen, hoe meer futen. De Haan spreekt zelfs van 'stadsfuten' als ware het een nieuwe ondersoort. “Watervogels zijn flexibel”, zegt De Haan. “Ze zien van grote afstand nieuwe kansen. Dat geldt niet alleen voor de Oostvaardersplassen, maar ook voor de stad. Vroeger was de fuut schuw. Ze werden vervolgd vanwege hun dichte verenpak dat werd gebruikt om er een mof van te maken. En omdat ze vis eten. Vissers houden niet van dieren die van vis leven, of het om dolfijnen gaat die tonijn eten of anderszins. Als je vis at was je fout; de aalscholver was dubbelfout, die is nog zwart ook.”

De fuut is nu beschermd, en dat hij niet bang meer is voor mensen kun je zien in een willekeurige Amsterdamse gracht. “Als er geen riet of biezen zijn, benut hij de attributen die er wel zijn: waterbladen, plastic.” Hij nestelt zich op aanlegsteigertjes of verwaarloosde, lekke bootjes. Nu maar hopen dat die niet in een vlaag van netheid worden opgeruimd. De Haan: “Alles wat wij mensen doen heeft consequenties voor vogels, in welke zin ook.”