Nu weet ik wat het allerdroevigst is; Jacqueline van der Waals, dichteres van de zintuigelijke verrukking

Jacqueline E. van der Waals: Verzamelde Gedichten. Verzameld en ingeleid door Henk van der Ent. Uitg. De Groot Goudriaan, 256 blz. Prijs ƒ 75,-.

In de gedichten van Jacqueline van der Waals vindt de sensatie van schoonheid zijn tegenstem in het besef van vergankelijkheid, net als in de poëzie van tijdgenoten als Gezelle en Gorter. Toch bleef Van der Waals altijd in hun schaduw; ten onrechte, zo blijkt uit de dit jaar verschenen Verzamelde Gedichten. Geen landschap kan in voorjaar en herfst zo exploderen in kleuren als het Nederlandse. Het is dan of een wilde schilder zijn palet van rood, lila, geel, groen, blauw naar hartelust uitborstelt over de velden en langs de bosranden. Gelukkig toeval bracht me de afgelopen lente veelvuldig naar een huis in Noord-Holland, zo'n tien kilometer ten zuiden van het schildersdorp Bergen, dat uitzag over een bollenveld. Het was alsof de tulpen de woonkamer binnengroeiden. De kleuren - hel oranje, diep rood, geel - waren tastbaar, je kon ze inademen. Het vreemde is: zelfs bij zo'n staat van uitbundigheid ontstaat al snel een gevoel van melancholie. Omdat het onwaarschijnlijk is, die pracht. En ook kortstondig.

Bij dat huis aan het bloeiende veld horen dichters, en ik nam ze ook mee: Guido Gezelle, J.H. Leopold, Herman Gorter - en niet in de laatste plaats Jacqueline E. van der Waals en haar pas verschenen Verzamelde Gedichten. Allen dichters van de zintuigelijke verrukking, voor wie het landschap, de natuur, de meimaand en de oktobermaand, als spiegels zijn van hun ziel. Het dilemma van vreugde die onvermijdelijk gedempt wordt door somberte vinden we het sterkst verwoord in de lyrische gedichten van Herman Gorter. Telkens is er bij hem die sensitieve feestelijkheid, meteen gevolgd door weemoed. Loflied en elegie verenigd in een gedicht, zoals in een vroeg vers uit 1890: 'Het regende in de stad, /toen kwam er wat /muziek van straatmuzikanten, /die bliezen naar de kanten. //Toen voelde ik den leugen /van vroolijkheid in 't geheugen, /die men als kind eens heeft, /te dansen omdat men leeft.'

Ook in een ander gedicht, niet van Herman Gorter of Leopold, schuilt diezelfde verscheurdheid. Het heet eenvoudigweg Liedje en werd geschreven door Jacqueline van der Waals: 'Ik hoorde des avonds den nachtegaal slaan. /Ik strekte de dorstige lippen uit /Naar de klanken, die stervend vergaan, /Naar de golvende stroomen van jublenden klank, /Naar den zoeten weemoedigen liefdezang. /O! dat ik de weelde drinken kon /Der klanken, die stervend vergaan!' Elders staan in haar werk, als een echo van Gorters 'leugen' te dansen omdat men leeft, de onheilspellende regels: 'Nu rijzen en dalen de heemlen /En de aarde met jubelgeschal (-) In 't heerlijke blauw en wit! /Waarom zijn wij niet geboren /Voor zulk een vreugde als dit!'

De uitroeptekens van pure opwinding kunnen niet verhullen dat er achter deze regels een grote droefenis schuilgaat. Net als de lyriek van Gorter is het werk van Jacqueline van der Waals doortrokken van vergankelijkheidsbesef, van eindigheidsweemoed, van een misschien wel calvinistisch te duiden angst of terughoudendheid om met volle teugen te genieten van weelde en vreugde. Al danst de zon van louter blijdschap over de graanvelden, Jacqueline van der Waals kan er niet anders naar kijken en over dichten dan met smart en pijn: 'Pijn zich uitend in zangen, /Die jubelen wilden, maar smartelijk zijn /Van verlangen'.

Vergankelijkheid

Zo gaat dat in de traditie van het romantische dichtershart: de verrukte sensatie van schoonheid en weelde moet aldoor zijn tegenstem vinden in somberte, in besef van vergankelijkheid en schrijnend inzicht dat woorden tekort schieten om die sensatie weer te geven. Zo bevinden dichters als Gezelle, Leopold, Gorter en Van der Waals zich in een eeuwigdurende patstelling. Zij kunnen geen licht zien zonder aan schaduw te denken, niet de zang van een vogel te horen zonder tegelijkertijd doortrokken te zijn van de sterfelijkheid van de schepping. Dat is niets anders dan de onmacht met droge ogen naar een zonsondergang te kijken, een graanveld, een bloemenveld in mei.

Aan geen dichter of dichteres is in de loop van de literatuurgeschiedenis meer onrecht gedaan dan aan Jacqueline van der Waals (1868-1922). Dat kwam niet door haar bescheidenheid, evenmin omdat ze geen vernieuwer was in de letteren of een taalkunstenaar als Gezelle of Gorter, het heeft te maken met dat ene noodlottige, klassiek geworden gedicht 'Het geitenweitje' uit de bundel Nieuwe Verzen (1909). De beroemdheid van dit gedicht gaat zover dat het de dichteres zelf in de schaduw stelt, of in elk geval als maatstaf is gaan gelden voor haar oeuvre. Eerder is het tegendeel het geval: 'Het geitenweitje' is met een handvol andere verzen uit diezelfde periode een Fremdkörper in Van der Waals oeuvre. Zelden is ze zo sentimenteel-lyrisch als in deze regels: 'Op het geitenweitje /Staat het kleine geitje /Bij de groote geit. /Geiteke, wat moet je /Met je fijne snoetje, /Dat zoo klaaglijk schreit?' Wie de kleine tweehonderdvijftig gedichten van Van der Waals versmalt tot dit ene vers mist een poëtisch oeuvre dat volstrekt niet minder is dan dat van Gorter rond de eeuwwisseling of Leopolds vroege verzen.

Er schuilt een merkwaardig geheim in haar gedichten. Telkens keert als een refrein een groot gemis terug. Waaruit dat gemis bestaat, is moeilijk te achterhalen. Nu eens lijkt het een verloren of voorbije liefde te zijn, dan weer is het een besef van eeuwig-romantische onvervuldheid en ook valt dat gemis samen met het verlangen naar God. Uit haar gedichten is af te lezen dat ze bijna onhoudbaar aan alles getwijfeld heeft. Ze zocht rust voor haar onrust, ze hoopte dat God haar 'weemoedswolkjes' zou verjagen, dat hij van haar weg zou nemen 'de sombre waanzinsvlagen /des twijfels (-), die nooit geneest'.

Zonde

Ze was allesbehalve argeloos of naïef in haar religieuze hang naar God. Ze gaat in sommige gedichten zelfs zover hem ter verantwoording te roepen voor het kwaad dat in de wereld bestaat. Als er een God is, hoe kan hij dan onrecht toelaten? De twijfel ervaart zij als een zonde, als iets dat haar beklemt en haar gemoed verscheurt. Openhartig dicht ze: 'Ik ben mijn zonde moe en mijn berouw, /Ik ben mijzelve moede en ik ben /Het zoeken moe naar God, dien ik niet ken'. Zoeken naar God en niet weten wie hij is of waar hem te vinden, dat is de thematiek van haar werk. Al openbaart God zich in de natuur, zoals Gezelle en Gorter dat ervaren, zijn heilloze onvindbaarheid wordt er niet minder om. In een van haar prachtigste gedichten verwoordt ze die droefheid van het vergeefse zoeken: 'Nu weet ik wat het allerdroevigst is. /'t Is niet de dood of scheiding, niet het kwaad (-), //'t Is als men leeft voor iets dat niet bestaat.'

Dit betrekkelijk vroege vers, uit circa 1900, is de neerslag van een impasse. Zoeken - en zeker weten niet te vinden. In haar late werk, geschreven vlak voor haar dood aan maagkanker in 1922, weet ze tot een uitweg te komen: dát God zich niet laat vinden, is zijn eigen wil om de twijfelende mens op de proef te stellen. Wie twijfelt, heeft ongelijk. De mens moet nu eenmaal lijden, en zeker een dichter, want 'hoe dieper droefenis, hoe zoeter zangen'. Jacqueline van der Waals noemt God een ironicus. Dat getuigt van moed. Het gedicht 'Duisternis' verenigt in zich het hele scala aan tegenstellingen waaraan de Godzoeker lijdt. Van der Waals schrijft over zijn 'schijnbare duisternis' en zijn 'schijnbare onvolkomenheid' om tot de slotsom te komen: 'Zoo ik tot Hem riep in mijn droefheid, Hij antwoordde niet, /Zijn gelaat hield Hij voor mij verborgen (-), /in de oneindige teederheid Zijner goddelijke ironie'.

Met de uitgave van deze Verzamelde Gedichten krijgt Jacqueline van der Waals de plaats in de Nederlandse poëzie die haar toekomt. Te lang verbleef ze in de schaduw van haar dichtende tijdgenoten, te lang werd ze beschouwd als een lieflijke damesdichteres. Haar strijd met God met als inzet vertroosting, rust en verlossing heeft ze met volle overgave gestreden, ze zat daarbij dicht op haar eigen huid. Zeker toen ze rond 1920 aan een ongeneeslijke ziekte leed, moest ze, om als dichteres niet ten onder te gaan, tot besef komen dat het kwaad, het leed, het verdriet, onuitwisbaar in de schepping aanwezig zijn. Toen vond ze het troostgevende inzicht waarnaar ze in haar gedichten al van meet af aan op zoek was: 'Als eenmaal het lijden komt, ook over mij, /zoo moge ik gereed zijn, het te aanvaarden.'