De beer loopt nog los

De Amerikaanse schrijver Jerzy Kosinski hield ervan zich te vermommen en ging er prat op dat hij zich binnen twee minuten volkomen onherkenbaar kon maken. Zo is het ook in zijn roman Duivelsboom. “De hele tijd heb je het gevoel dat de schrijver je vanaf zijn pagina's aangrijnst, verscholen achter alle adembenemende anekdotes en verhalen.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Jerzy Kosinski: Duivelsboom, vertaling Oscar Timmers. Uitg. De Bezige Bij, 215 blz. Voor ƒ 14,95 bij Modern Antiquariaat Van Gennep.

Jerzy Kosinski's favoriete portret van zichzelf was een schilderij dat een vriend van hem had geschilderd, waarop zijn gezicht onzichtbaar was omdat het schuilging achter een masker. Het hing in de living van zijn kleine tweekamerappartement in Manhattan, schuin tegenover Wolf's Delicatessen op 57th Street. In 1957, toen Kosinski vanuit het door communisten beheerste Polen naar de VS vluchtte, had hij in Wolf's restaurant nog gewerkt als bordenwasser. Drie jaar later, nadat hij zijn eerste werk had gepubliceerd, kreeg hij een bewonderende brief van een vrouw die met hem kennis wilde maken. De vrouw was Mary Weir, de weduwe van de oprichter van National Steel, en een van de rijkste vrouwen van het land. Niet lang na hun eerste ontmoeting vroeg ze Kosinski ten huwelijk. De achtentwintigjarige schrijver stemde toe en stapte het leven binnen van de 'really rich'. Kosinski verweerde zich altijd fel tegen de aantijgingen dat hij Weir had getrouwd om haar geld. Van haar erfenis (ze stierf in 1968) wilde hij geen cent hebben om aan te tonen dat hij het meende. Zou hij dat wel hebben gewild, dan had dat geen verschil gemaakt want staalkoning Weir had in zijn testament vast laten leggen dat alle vermogen in de familie zou blijven.

Vijf jaar na de dood van Mary publiceerde Kosinski een boek waarin de hoofdpersoon, Jonathan James Whalen, zoon van een staalmagnaat, letterlijk zowat crepeert in de rijkdom. Whalen (26 jaar; de gemiddelde leeftijd van de Amerikaanse bevolking toen Kosinski aan zijn boek werkte), weet van gekheid niet meer waar hij zijn bevrediging moet zoeken. Hij kapt met zijn studie in Yale, reist naar hippiegemeenschappen in Nepal en de opiumbordelen in Birma, raakt verslaafd, neukt zich een delirium, kickt af en keert terug naar de VS, waar hij na de dood van zijn ouders als enige erfgenaam van het staalimperium is overgebleven. Whalen zou de verpersoonlijking moeten zijn van de Amerikaanse Droom. Hij is de ideale jonge, knappe miljardairszoon. Maar in feite is hij een drop out. Hij leeft in een exil van eigen makelij, met buitensluiting van bijna iedereen. De vrouw door wie hij geobsedeerd is weigert met hem te leven omdat ze niet afhankelijk wil zijn van zijn rijkdom. De belangenbehartigers van het staalimperium wantrouwen hem vanwege zijn drugsverleden. Ze achten hem niet competent en bespionneren hem zelfs. En datgene wat hij het meest begeert, innerlijke rust, blijkt met geen enkel fortuin te koop.

Whalen bevindt zich in het allerheiligste van de Amerikaanse Droom zoals Jonas zich in de walvis bevindt: in pikkedonker. 'Mijn ware zelf is antisociaal', laat Kosinski zijn personage zeggen, 'een in een kelder vastgeketende krankzinnige, die brult en op de vloer bonkt.' Whalen voelt zich nergens veilig, behalve daar waar hij zich terug kan trekken in onzichtbaarheid. Om de totale onzichtbaarheid te bereiken besluit hij zijn verleden te vernietigen. Hij verkoopt de huizen, schepen en landgoederen van zijn vader, woont in een gehuurde suite in een hotel, weigert zich bezig te houden met zaken en vermoordt zijn peetouders die hem naar zijn mening te scherp in de gaten houden. Whalen gebruikt steeds meer geld om zich van zijn geld te ontdoen. Op het moment dat hij aanvaard lijkt te hebben dat hij van niets en niemand nog iets te verwachten heeft, kiest Karen, het meisje van zijn obsessies, alsnog voor hem omdat ze als geslaagd fotomodel inmiddels op eigen benen kan staan. Whalen is dan al niet meer in staat om liefde te accepteren. Hij betimmert haar naakte lichaam met zijn vuisten en verdwijnt.

Kosinski was een schrijver van effectbejag. Ik bedoel dat niet op een negatieve manier. Het was zijn kracht; hij slaagde er in als geen ander met zijn boeken gevoelens los te krijgen bij zijn lezers, te provoceren. Kosinski had de effecten ook nodig, het lag in zijn aard. Hij was van nature een voyeur. Zijn beste vrienden en vriendinnen verzocht hij om hem te vergezellen op een van zijn nachtelijke zwerftochten door de wereld van de New Yorkse onorthodoxe seks. Met de meeste ging hij obscure gelegenheden binnen, enkel om te genieten van de reacties die het gadeslaan van de martelspelletjes op het gezicht van zijn gasten teweeg bracht. Kosinski hield er ook van zich te vermommen en zijn vrienden in verwarring te brengen. Hij droeg vaak valse baarden en snorren en kon verschillende gelaatsuitdrukkingen aannemen. Hij was geobsedeerd door uniformen, wat terugging tot zijn jeugd, toen hij als ondergedoken joods jongetje op het Poolse platteland in aanraking kwam met nazi's. Hij ging er prat op dat hij zich zelfs voor zijn naasten binnen twee minuten op iedere plek volkomen onherkenbaar kon maken, en regelmatig, in café's, in restaurants, bracht hij zijn vermommingen in praktijk. Terwijl zijn ware ik onzichtbaar was wilde hij zien wat zijn uiterlijk, zijn vermommingen bij anderen teweeg brachten. Zo is het ook in Duivelsboom. De hele tijd heb je het gevoel dat de schrijver je vanaf zijn pagina's aangrijnst, verscholen achter alle adembenemende anekdotes en verhalen. Als schrijver is Kosinski een exuberant sadist, aan wie je je als lezer het beste maar met passie kan onderwerpen. Het is walgen of genieten.

Kosinski testte zijn verhalen ook altijd uit, in verschillende versies, op zijn vrienden en kennissen, en afgaand op de reacties die ze teweeg brachten maakte hij zijn uiteindelijke keuze. Het vertellen van verschillende versies van een verhaal in een taal die oorspronkelijk niet de zijne was, was voor hem eigenlijk ook één van de manieren om zich te vermommen.

Een stel waarheidspuriteinen van The Village Voice beschuldigde Kosinski er begin jaren tachtig van dat veel van zijn verhalen eigenlijk niet door hem bedacht waren, dat hij het werk liet doen door editors. In meer dan zeshonderd publikaties die volgden in binnen- en buitenland werd de integriteit van Kosinski in twijfel getrokken. Kosinski's vrienden en zijn vrouw Kiki zagen dat hij aan alle kritiek bijna tenonderging. Toch behield hij zijn humor. In zijn appartement in Manhattan liet Kosinski een bereklem ophangen, naast verschillende atributen van het boerenleven in Polen. Tegen bezoekers die hem ernaar vroegen zei hij dat de klem een metafoor was voor de criticus. 'But you see', zei hij, the bear's still free.' Op een vroege ochtend in het voorjaar van 1991 bedekte hij, gelegen in bad, zijn hoofd met een plastic zak. Hij stierf zoals ook Whalen het wilde, in een masker van onzichtbaarheid.