Controleur tegen onderzoek eigen rol bij Vie d'Or; Verweer Verzekeringskamer

DEN HAAG, 4 AUG. De Verzekeringskamer vindt het “een goede zaak” dat de Ondernemingskamer van het Amsterdamse gerechtshof een onderzoek gaat instellen naar het faillissement van verzekeringsmaatschappij Vie d'Or. Maar de Verzekeringskamer vindt het “niet logisch” dat ze zelf bij het onderzoek wordt betrokken. “Onze rol in deze kwestie wordt al door anderen onder de loep genomen”, zegt een woordvoerder.

De Verzekeringskamer onderschrijft de conclusie van de Ondernemingskamer “dat de gebeurtenissen bij Vie d'Or een ernstige schok in de samenleving hebben veroorzaakt”.

De stichting Vie d'Or reageert enthousiast op het onderzoek. De stichting behartigt de belangen van de gedupeerde polishouders van Vie d'Or die in 1993 failliet ging. De schade voor de polishouders wordt geschat op 150 à 180 miljoen gulden. “Het onderzoek is een belangrijk hulpmiddel om te kijken wie er aansprakelijk is voor de schade”, zegt een woordvoerder van de stichting Vie d'Or. De stichting staat garant voor de financiering van het onderzoek van voor een bedrag van 200.000 gulden.

De Ondernemingskamer besloot gisteren dat drie onafhankelijke deskundigen het faillissement van Vie d'Or zullen onderzoeken en de rol die de Verzekeringskamer heeft gespeeld. De drie onderzoekers dragen de eindverantwoordelijkheid en rapporteren aan de Ondernemingskamer. In 1993 ging Vie d'Or failliet ten gevolge van “mismanagement”, zoals de curator concludeerde. Als de onderzoekers van de Ondernemingskamer concluderen dat er inderdaad fouten zijn gemaakt, dan kunnen de aandeelhouders met het rapport naar de gewone rechter stappen om een schadevergoeding te eisen.

Naast het onderzoek van de Ondernemingskamer loopt er een strafrechterlijke procedure door justitie, een onderzoek van het accountantskantoor KPMG (in opdracht van de stichting Vie d'Or) en ook een speciale Tweede Kamercommissie onderzoekt het faillissement. Volgens de voorzitter van deze commissie, D66-afgevaardigde Ybema, zullen de werkzaamheden van de Ondernemingskamer geen gevolgen hebben voor zijn commissie. “Ons onderzoek richt zich met name op de politiek bestuurlijke besluitvorming. Het onderzoek van de Ondernemingskamer heeft een andere insteek.” Ybema verwacht dat eind september zijn commissie de onderzoeksresultaten kan publiceren.

Opvallend is dat de Ondernemingskamer ook de Verzekeringskamer in het onderzoek wil betrekken, ondanks fel verweer van de toezichthouder. De speciale kamer van het gerechtshof in Amsterdam vindt dat er ook over de periode ná het onder curatele stellen van de levensverzekeraar op 18 november 1993 “gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen”. De drie nog te benoemen onderzoekers kunnen in hun onderzoek alles bekijken vanaf 1 januari 1988, de dag waarop Vie d'Or een vergunning van de Verzekeringskamer kreeg. De Ondernemingskamer “ziet geen reden om een eindtijdstip aan het onderzoek te verbinden”.

In haar verzet tegen onderzoeken naar het faillissement van Vie d'Or heeft de Verzekeringskamer zich altijd beroepen op de geheimhoudingsplicht. Volgens een woordvoerster van de Ondernemingskamer kunnen bestuurders van de Verzekeringskamer onder ede worden verhoord wanneer de drie onderzoekers dat wenselijk achten. Een woordvoerder van de Verzekeringsmaker bestrijdt dit. “Voor ons is het nog niet duidelijk of we onder ede kunnen worden verhoord”, aldus de woorvoerder.