De angst voor groei zonder banen is ongegrond

Sinds 1950 groeide de werkgelegenheid in Nederland van 3,8 tot 6,5 miljoen personen. Het aantal gewerkte uren nam veel minder toe. Dat maakt sommigen zwartgallig: de fut zou uit de economie zijn. Zulke pessimisten zien echter over het hoofd dat na de oorlog een keuze is gemaakt voor steeds meer vrije tijd in plaats van voor het nog sterker opschroeven van de produktie van goederen en diensten. In alle industrielanden daalt het door werknemers gemiddeld gewerkte aantal uren trendmatig. Zo herovert de mensheid een hoekje van het verloren paradijs: voor een redelijk bestaan hoeven wij tegenwoordig minder en minder uren in het zweet ons aanschijns te zwoegen.

De eerste tien jaar na de oorlog - op zaterdag werd destijds nog gewerkt en de koffie was nog altijd op de bon - emigreerden enkele honderdduizenden Nederlanders, omdat zij in Europa onvoldoende toekomst zagen. Nog voordat de wederopbouw was voltooid, tegen het eind van de jaren vijftig, raakte de arbeidsmarkt echter zwaar overspannen. Niemand had dit voorzien. Vervolgens kwam een omvangrijke immigratiestroom op gang, omdat werkgevers op grote schaal gastarbeiders wierven in landen rondom de Middellandse Zee. Ondanks deze invoer van arbeid bedroeg de werkloosheid aan de vooravond van de eerste oliecrisis (1973-74) slechts 45.000 personen.

Daarna kwam de omslag. Gedurende de afgelopen 25 jaar is het aantal ontvangers van een werkloosheidsuitkering opgelopen tot driekwart miljoen. Indien de verborgen werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt meegenomen, telt ons land nu een miljoen werklozen. En dat, terwijl het aantal banen in Nederland sinds 1960 duidelijk sneller is gegroeid dan in andere Europese landen het geval was. De forse groei van het aantal banen heeft niet kunnen verhinderen dat de werkloosheid in Nederland anno 1995 slechts weinig beneden het gemiddelde van de Europese Unie ligt. Dat komt door de unieke toename van het aantal werkzoekenden die zich vooral na 1960 manifesteerde. Deze explosie van het arbeidsaanbod had drie specifieke oorzaken. Ten eerste het bij internationale vergelijking tot 1965 uitzonderlijk hoge Nederlandse geboortencijfer, waardoor zich tot het eind van de jaren tachtig omvangrijke cohorten jongeren op de arbeidsmarkt meldden. Bovendien is de arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen sterk gestegen. Terwijl zij in 1950 vrijwel niet buitenshuis werkten, verricht nu vrijwel de helft van deze groep betaalde arbeid. Ten slotte is ons land een immigratieland geworden, als gevolg van gezinshereniging van gastarbeiders en de toestroom van asielzoekers.

In mindere mate spelen deze oorzaken ook elders een rol. Overal, met als duidelijke uitzondering de Verenigde Staten, is de werkloosheid de afgelopen kwart eeuw sterk toegenomen. In de 25 industrielanden die zijn aangesloten bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zitten op dit moment 35 miljoen mensen zonder werk, wat overeenkomt met acht procent van de beroepsbevolking. In de jaren zestig stond slechts vier procent aan de kant. Velen zijn beducht dat die tijd nooit meer terug komt. Erger nog, staat over dertig jaar wellicht aanzienlijk méér dan tien procent van de beroepsbevolking buiten spel? Het wordt beweerd, maar het is niet erg aannemelijk.

Ten eerste wordt vaak vergeten dat het arbeidsaanbod onder invloed van de vergrijzing van de bevolking in de volgende eeuw drastisch zal teruglopen. In 1970 behoorde slechts 54 procent van de bevolking tot het potentiële arbeidsaanbod (de leeftijdsgroep van 20-65 jaar). Tussen 1990 en 2010 is dat meer dan 60 procent. Daarna loopt het aandeel van deze leeftijdsgroep weer terug tot 54 procent in 2040. Bij een gelijk deelnemingspercentage zal het arbeidsaanbod hierdoor met 1 miljoen personen krimpen. De werkloosheid is dan nagenoeg verdwenen. Maar de automatisering dan? Overal staan toch banen op de tocht? Dat is echter niets nieuws. Sinds jaar en dag verdwijnen banen en komen er nieuwe bij. In de jaren zestig werkte 40 procent van de bevolking in de industrie, nu nog maar 25 procent. Per saldo groeit de werkgelegenheid tot nu toe echter onafgebroken, zij het soms met een tijdelijke onderbreking. Waarom zou dat in de volgende eeuw anders zijn?

Binnen het consumptiepatroon van de vergrijzende bevolking zal de vraag naar arbeidsintensieve dienstverlening sterk toenemen. In de ouderenzorg valt niet zoveel te automatiseren. Angst voor baanloze groei (wel een stijgende produktie, niet meer banen) is dus volstrekt ongegrond. In de 21ste eeuw zullen sommigen juist serieus pleiten voor arbeidsduurverlenging om te bereiken dat ouderen bij een kleinere beroepsbevolking toch voldoende verzorging krijgen. Een betere oplossing is het de pensioengerechtigde leeftijd in de loop van de volgende eeuw geleidelijk met een of twee jaar te verhogen. Zo blijven de pensioenen beter betaalbaar en komen meer mensen beschikbaar om de nationale produktie voor hun rekening te nemen ('ouderen voor ouderen').

Hoewel er alleen in de afgelopen tien jaar al een miljoen banen bijkwam - de banenmotor draaide in ons land zelfs een hoger toerental dan in de VS - schoot de uitbreiding van de werkgelegenheid tekort, vooral door tijdelijke oorzaken, zoals de babygolf en de inhaalrace van vrouwen op de arbeidsmarkt. Dat is een schrale troost voor mensen die op dit moment - vaak wanhopig - op zoek zijn naar werk. Om hùn kansen op een baan te vergroten, moeten de bestaande arrangementen van de verzorgingsstaat in revisie.

Uitkeringsregelingen moeten zo worden herzien dat zij individuen veel sterker prikkelen om beschikbaar werk te aanvaarden. Van groot belang is dat werken weer gaat lonen. Een kostwinner die leeft van een minimumuitkering gaat er thans netto slechts dertig gulden per maand op vooruit, wanneer hij een baan op minimumloonniveau aanvaardt. Die zijn er trouwens steeds minder: in de meeste verplicht gestelde CAO's beginnen de loonschalen een heel stuk boven het wettelijk minimumloon. In geen enkel ander land is het verschil tussen minimumloon en minimumuitkering zo gering als hier. In Duitsland gaat de kostwinner er bij het aanvaarden van een laagstbetaalde baan 33 procent op vooruit in vergelijking met zijn bijstandsuitkering, in België zelfs 50 procent. Het geringe loonsverschil maakt het aanvaarden van laagbetaald werk in Nederland uitgesproken onaantrekkelijk.

Het kabinet heeft de komende jaren miljarden beschikbaar voor lastenverlichting. Het zou de beschikbare middelen vooral moeten gebruiken om de lasten voor de werkenden te verlichten, zoals de commissie-Andriessen vorig jaar heeft bepleit in zijn rapport De onderste baan boven. Hierdoor wordt asperge steken financieel veel aantrekkelijker dan thuis zitten met een uitkering. In plaats daarvan kiest het kabinet voor verlaging van de werkgeverslasten. Maar de loonkosten liggen in Nederland al tien tot zestig procent lager dan bij de ooster- en zuiderburen. Verdere verlaging van de loonkosten van de Nederlandse werknemer heeft dus niet de hoogste prioriteit.

De werkgelegenheidsgroei is verder gediend met een betere werking van markten voor arbeid, goederen en diensten. De arbeidsbemiddeling kan veel effectiever worden georganiseerd. Toch zal de markt het werkloosheidsprobleem op middellange termijn niet afdoende oplossen. Daarvoor is er te veel scheef gegroeid. Op korte termijn dient de overheid, zolang de marktsector onvoldoende emplooi biedt, banen te scheppen voor mensen die buiten de boot dreigen te vallen, met inschakeling van hun uitkeringsgeld. Zij zijn verplicht aangeboden werk te aanvaarden: voor wat hoort wat. Het kabinet is op een onverplichtende manier al met zulke banenplannen bezig, maar het is te weinig en het gaat allemaal veel te langzaam. Zo dreigt een groep van honderdduizenden langdurig werklozen blijvend van de arbeidsmarkt te vervreemden.

Werkloosheid is geen natuurramp. Op termijn van een halve eeuw verdwijnt het probleem door de vergrijzing van de bevolking van de industrielanden. Maar al op veel kortere termijn kan een daadkrachtig werkgelegenheidsbeleid de werkloosheid tot een tijdelijk verschijnsel maken.