Salome

Salome met Jessye Norman o.l.v. Seiji Ozawa: Philips 432 153-2 (2 cd) Salome met Catherine Malfitano o.l.v. Christoph von Dohnanyi: Decca 444 178-2 (2 cd)

Binnen twee jaar na de wereldpremière van Richard Strauss' opera Salome op 9 december 1905 in Dresden, was het geruchtmakende en als pervers en decadent beschouwde werk op tekst van Oscar Wilde al in vijftig theaters opgevoerd. Behalve dan in Wenen, waar de censuur tot 1918 studeerde op deze navertelling en interpretatie van het bijbelse verhaal over de jonge prinses Salome, die in ruil voor het uitvoeren van de dans met de zeven sluiers voor haar stiefvader Herodes het hoofd van Johannes de Doper (in de opera Jochanaan) krijgt gepresenteerd op een zilveren schotel. Salome, de eerste echt succesvolle opera van Strauss na Guntram en Feuersnot behoort sindsdien tot het allerbeste en nog steeds fascinerendste 20ste eeuwse repetoire, dus is het geen wonder dat kort na elkaar twee cd-opnamen verschenen bij Philips en Decca, beide labels van Polygram.

De Philips-opname met Jessye Norman in de titelrol werd al gemaakt in 1990 in Dresden - de stad van de Salome-première - met de Staatskapelle Dresden o.l.v. Seiji Ozawa. De Decca-opname met Catherine Malfitano werd gemaakt na de uitvoeringen in Salzburg in 1992 en '93 van de Salome-produktie van regisseur Luc Bondy. Hier dirigeert Christoph von Dohnányi de Wiener Philharmoniker, een orkest dus met een kortere Salome-traditie dan de Dresdners, maar dat is aan het prachtig gedetailleerde spel niet af te horen.

Beide opnamen kunnen worden gerekend tot zeer waardige eigentijdse aanvullingen op een reeks imposante voorgangers met titelrolvertolksters als : Ljuba Welitsch, Birgit Nilsson en Hildegard Behrens. Norman en Malfitano zijn beiden formidabele zangeressen, maar met een zeer verschillende vocale présence en temperament.

Norman excelleert met haar rijke en riante stemgeluid in de passages waarin ze haar zwoele, lange en lyrische noten kan doen opbloeien, zoals in de lange slotscène, waarin ze geëxalteerd het dode hoofd van Jochanaan verwijtend toespreekt en zijn lippen kust. Deze Salome gelooft werkelijk in zichzelf en haar gevoelens voor de onbereikbare profeet. Norman demonstreert hier - na de inmiddels tot standaard verheven opname van Strauss' Vier letzte Lieder (in 1982 in Leipzig gemaakt met Kurt Masur) en haar Ariadne auf Naxos-vertolking opnieuw een Strauss-zangeres van enorme allure te zijn, ideaal gepredisponeerd voor de moeiteloos zwevende legato-lijnen, die ook door Ozawa en de Dresdners worden benadrukt.

Malfitano imponeert met haar veel dunnere stem in de sterk dramatische scenes waarin ze directer, feller en soms meer acterend zingt. Fantastisch is bij voorbeeld het moment dat ze voor de eerste keer vraagt om het hoofd van Jochanaan: ze toont daar een ijzingwekkende pesterige jongemeisjes-geniepigheid, waar Norman pure trots laat horen. Wat pure techniek en vocale mogelijkheden betreft is Malfitano met haar vibrato en niet altijd zuivere intonatie wel de mindere van Norman. Ze overtuigt niettemin volledig, als men meent dat Salome niet zozeer een zielig labiel wicht is, maar vooral een kille, uiterst berekenende perverse persoonlijkheid.

De Jochanaan-vertolkers kan met beluisteren als complementen voor deze twee Salome's: tegenover de lyrische Norman staat een strenge en souverein klinkende James Morris, terwijl Bryn Terfel zich tegenover Malfitano bewijst als een gevoelig en gepassioneerd klinkende profeet. De rest van de twee uitstekende casts maakt weinig verschil: Walter Raffeiner en Kerstin Wit als Herodes en Herodias naast Norman of Kenneth Riegel en Hanna Schwarz naast Malfitano. Ozawa laat aan het eind van de slotscène, voor Herodes beveelt: 'Man töte dieses Weib!', het orkest dissonanter klinken dan Dohnányi en dat geeft de weerzinwekkendheid van het gegeven beter weer.