Opvolgingskwestie stoort democraten in zomerslaap

DEN HAAG, 31 JULI. Als D66 ergens allergisch voor is, dan is het wel voor de Opvolgingskwestie. Oftewel: wie moet het gaan doen als partijleider, vice-premier en minister van buitenlandse zaken Hans van Mierlo terugtreedt? H. van der Werf, voorzitter van een werkgroep uit de adviesraad van D66 die nadenkt over het imago van de partij, ondervond vorige week wat er gebeurt als je dit taboe doorbreekt. Van der Werf had op een vraag gezegd dat naar zijn mening ruim voor de volgende verkiezingen en wel direct na het zomerreces begonnen moet worden met het selecteren van een nieuwe partijleider. Natuurlijk voelde hij wel aan dat spreken hierover risky business is in zijn partij want hij voegde eraan toe dat hij “niet wilde spreken over de positie van Van Mierlo”.

De opmerking leidde er in ieder geval toe dat de partij ruw werd gestoord in de zomerslaap. Partijvoorzitter Vrijhoef verklaarde het onderwerp met grote nadruk “niet aan de orde”. Van der Werf “liep ver voor de muziek uit”. De partijvoorlichter en later ook de fractievoorzitter in de Eerste Kamer, Ed. Schuyer, verklaarden het adviesraadslid niet bevoegd om over deze kwestie uitspraken te doen. Hij had daarvoor “geen legitimatie”.

Schuyer erkende afgelopen zaterdag evenwel tegenover deze krant dat de leider de jongste discussie over zijn opvolging “over zichzelf had afgeroepen”. Had Van Mierlo niet zelf in maart tegenover het weekblad Elsevier twijfel gezaaid over zijn aanblijven als partijleider na 1998? Dat was een fout, zo werd hem intern te verstaan gegeven. Van Mierlo zegde toe dat hij in het vervolg zou verklaren dat hij “tot zijn vijfentachtigste” wilde aanblijven, een statement waar weinigen veel geloof aan hechten. Eerder zei oud-partijleider Jan Terlouw, commissaris der koningin in Gelderland, in een vraaggesprek: “Je bent partijleider of je bent het niet.” Zelf had de commissaris overigens in 1991 al gezaagd aan de stoelpoten van Van Mierlo door voor te stellen dat deze er goed aan zou doen het leiderschap over te dragen op het moment dat hij minister mocht worden.

Van Mierlo's absenteïsme als partijleider sinds hij minister van buitenlandse zaken is, zorgt er ook voor dat in de partij een sfeer van verweesdheid hangt. Toenmalig fractievoorzitter in de Eerste Kamer en partijprominent Jan Glastra van Loon constateerde in oktober vorig jaar, wederom in Elsevier, dat “de partij in een vacuüm verkeert”. “Ik zou op dit moment absoluut niet durven zeggen wie er het hardst aan het stuur trekt.” Van Loons opvolger in de senaat, Schuyer, pleit nu dan ook onomwonden voor een terugkeer van Van Mierlo naar de Tweede-Kamerfractie na 1998, opdat hij “in alle rust naar een opvolger kan zoeken”.

Spanning rond de politiek leider is uiteraard niet exclusief voorbehouden aan D66. Binnen de PvdA werd bijvoorbeeld voor de Kamerverkiezingen van mei vorig jaar sterk getwijfeld aan de bruikbaarheid van Wim Kok als partijleider, zoals duo-partijvoorzitter en Kamerlid Ruud Vreeman onlangs onthulde in een boek over zijn politieke loopbaan. Het relatief stabiele premierschap van Kok snoert voorlopig de meeste criticasters in die partij de mond. Net als in de VVD allerwege tevredenheid lijkt te bestaan over fractievoorzitter Frits Bolkestein zolang hij ten minste voor ongekende winstcijfers blijft zorgen.

Gedoe rond het politiek leiderschap is meestal een symptoom van narigheid in een partij. In die zin was de verklaring van Schuyer afgelopen zaterdag dat D66 “niet in verwarring is” een Freudiaanse verspreking. Vooral sinds de zware domper die de Statenverkiezingen dit voorjaar betekenden voor de partij, heerst er onrust over de koers. D66 is op zoek naar zichzelf. Vorige maand schreef Christiaan de Vries, directeur van het wetenschappelijk bureau van de partij, in het D66-orgaan Idee over de onrust in de partij “die allerwegen voelbaar wordt”. “Voor D66'ers stond de paarse combinatie voor een heroriëntatie die zij evenwel nooit is begonnen”. Veelzeggend was ook de ondertitel van de notitie die fractievoorzitter Gerrit Jan Wolffensperger schreef naar aanleiding van de Statenverkiezingen: “De toestand is hopeloos maar niet ernstig”.

“D66 heeft een nieuw profiel nodig,” betoogde Schuyer in mei in de spreekbuis van de partij De Democraat. In een toelichting verklaart hij dat de andere grote partijen “die steunen op de negentiende-eeuwse ideologieën het wat dat betreft makkelijk hebben”. Volgens hem kan D66 echter ver komen met de ideeën van het Humanisme. Het feit dat de D66-Kamerleden Bakker en Lambrechts in vragen aan staatssecretaris Netelenbos (onderwijs) vorige week aangedrongen op de herinvoering van de evolutietheorie als onderdeel van het schriftelijk eindexamen biologie in het voorgezet onderwijs kan dan ook beschouwd worden als uiting van nieuwe anti-confessionele profieleringsdrift van de fractie.

Onderdeel van de identiteitscrisis waarmee de democraten worstelen is de fundamentele vraag naar het wezen van D66: ofwel is de partij middel dan wel doel? Immers de oprichters van de partij deden dat in de jaren zestig vanuit de gedachte dat D66 de oude partijen zouden laten “ontploffen”. Volgens deze ontploffingstheorie zou het partij daarna overbodig zijn en kunnen ophouden te bestaan. Van Mierlo lijkt die oude “ontploffingsideologie” nog altijd aan te hangen blijkens zijn steeds terugkerende pleidooi voor het opgaan in een progressieve volkspartij. De jongere garde waartoe kroonprins Wolffensperger behoort beschouwen de partij niet als een tijdelijk verschijnsel. Tegenover Vrij Nederland zei hij onlangs: “De partij moet minder de sfeer van vrijwilligerswerk ademen. Hans heeft daar minder belangstelling voor.”