Meneer Jansen en zijn ijzige vrouw

Als mijn vader mij vroeger meenam om “iets te gaan doen”, gingen we naar de markt op de Goudsche Singel, naar de Fransche Bazar op de Hoogstraat, of naar een van zijn talloze kennissen in en om de stad. Onder hen bevond zich een meneer Jansen, een grote, zwaarlijvige man met een zachtmoedig gezicht en sporen van gemorste sigareas op zijn slechtzittende pakken. Volgens mijn vader, die het 'meneer Jansen' nooit anders dan met een zekere eerbied uitsprak, was hij in het bezit van een benijdenswaardig talent en had hij gemakkelijk concertpianist kunnen worden in plaats van pianoleraar.

Voor mij hadden deze bezoeken echter weinig aantrekkelijks, aangezien hij mijn vader geen groter genoegen kon doen dan iets voor hem te spelen, met de Mondscheinsonate, waarmee ik meneer Jansen altijd zou blijven associëren, als gebruikelijke toegift.

Hij woonde op een etage in de Van den Hoonaardstraat, en behalve een dochtertje, waar hij dol op was, had hij een knappe vrouw, die een ijzingwekkende afstandelijkheid uitstraalde en zelden gedurende onze aanwezigheid in de studeerkamer verscheen. Mijn moeder beweerde dat zij zo'n verbeelding had, dat zij het merk van de mantels en japonnen die zij zich in betere tijden bij een gerenommeerde modefirma had aangeschaft, aan de binnenzijde van de kleren naaide die zij nu genoodzaakt was bij C&A te kopen.

Het dochtertje Tilly was bleek en blond en opvallend stil. Zij had een enigszins verbaasde en tegelijk verschrikte uitdrukking in haar ogen, en ofschoon ik haar nogal saai vond, haalde ik haar, omdat ik op weg naar school langs haar huis moest en we in dezelfde klas zaten, weleens af, waarna we meestal in diep stilzwijgen naar de Ackersdijkstraat liepen. Daar we verder geen enkel contact hadden, verwonderde het me des te meer dat zij op een warme nazomermiddag - we hadden net gegeten - met haar ouders voor onze deur stond om te vragen of ik met hen meeging naar de theetuin de Oude Plantage.

De uitnodiging kwam volkomen onverwachts, en blij en opgewonden liet ik me meetronen naar Kralingen, waar mijn vreugde ten top steeg toen we in het café dat bij de speeltuin hoorde zomaar uit een vitrine met snuisterijen iets mochten uitzoeken. We kozen allebei een klein, roze schemerlampje, waarvan het glazen voetje met roze en witte muisjes was gevuld, en holden vervolgens naar de schommels en wippen, terwijl Tilly's vader en moeder zich aan een van de ijzeren tafeltjes in de overigens totaal verlaten tuin zetten.

Desalniettemin begon mijn enthousiasme al vrij vlug plaats te maken voor een onbehaaglijk gevoel - een vreemd soort beklemming, die mij steelse blikken op de man en de vrouw temidden van de eenzame woestijn van stoelen en tafeltjes deed werpen. Ze waren in zo'n heftig gesprek gewikkeld dat ze ons helemaal vergeten schenen te zijn. Wel leek het zachtmoedige gezicht van meneer Jansen steeds bleker en hulpelozer te worden, in tegenstelling tot dat van zijn vrouw, dat steeds onverzettelijker werd.

Op een gegeven ogenblik was alle aantrekkelijkheid van de speeltuin verdwenen, en toen de zon onderging en schaduwen zich tussen de roerloze schommels en wippen nestelden, hingen Tilly en ik verveeld bij het café rond, waar de buffetjuffrouw, waarschijnlijk om ons te plezieren, een muntstuk in de pianola had geworpen, zodat plotseling 'O mein lieber Augustin' door het lege lokaal schalde.

Achteraf besefte ik dat ik als bliksemafleider voor Tilly had moeten fungeren om haar ouders op het neutrale grondgebied van de Oude Plantage in de gelegenheid te stellen ongestoord hun onafwendbare scheiding te bespreken. Want kort daarop ging Tilly van school en vertelde mijn vader dat zij met haar moeder naar het buitenland was vertrokken.

Meneer Jansen, die de Van den Hoonaardstraat verliet en geen les meer gaf, verkocht zijn vleugel en ging in een zaak van tweedehands piano's werken. Hij kreeg een paar kamers boven de winkel, waar mijn vader hem af en toe opzocht, maar waar hij niet lang woonde, omdat hij nog in datzelfde jaar een eind aan zijn leven maakte.