Kruipen, rollen en kreunen in de krochten van een slot

Voorstelling: Fileren, Moestuin etc. door Trajekt Theater. Idee en regie: Wiepke Poldervaart en Josselin de Jong. Gezien 28/7 Fort Rammekens bij Vlissingen. Te zien t/m 6/8 aldaar.

Diep verscholen in het Zeeuwse landschap ligt Fort Rammekens, een plek van grote dramatische schoonheid. Het uit 1547 daterende verdedigingswerk is stoer en ongenaakbaar, heeft duistere ondergrondse gangen, wordt omsloten door water. Onder de gewelven overwinteren vleermuizen. Ergens staat op een muur met een zwarte lijn aangetekend hoe hoog de waterstand in februari 1944 stond. Voor theatermakers die in de zomer de schouwburg ontvluchten en locatietheater maken is het een ideale plaats.

Maar ook moeilijk. Want het Fort heeft van zichzelf al zoveel zeggingskracht dat elke theatrale toevoeging een groot gevaar in zich bergt. Weersta maar eens de historie, de schoonheid van het bouwwerk, de adembenemende natuur rondom.

Trajekt Theater nodigde Josselin de Jong uit een voorstelling te maken in Rammekens. Een voorstelling werd het niet. Wat de toeschouwer te zien krijgt, en menigeen komt van verre, is een wonderlijke, naïeve mengeling van toneel en beeldende kunst. In de catacomben huist een groep mensen, ontheemden, gehuld in grijze lompen. Ze kruipen en rollen door de gangen en over het gras van de binnenplaats. Ze kreunen wat. Het stelt eigenlijk niets voor. Een mevrouw die het groepje gadeslaat, voelt zich danig bekocht: “Ik dacht dit dit toneel was. Waarom zeggen ze niks”. Pantomime is het ook niet, daarvoor ontbeert de bewegingstaal elke subtiliteit.

Voordat we de wezens aanschouwden liepen we langs de postkamer bij de ingang van het Fort. Daar lagen in grote hoeveelheden brieven en ansichtkaarten uit vroeger tijden. Zo stuurde iemand op 8 juni 1956 een kaart uit Lourdes naar Nijmegen met de mededeling: 'Veel regen'. En Mien was in de zomer van 1956 te gast in vakantieoord 'Dennendal' in Nunspeet. Die oude kaarten vond ik eigenlijk het meest intrigerend van alles wat er te zien was; er ging weemoed en nostalgie vanuit.

Nieuwsgierigheid naar het interieur van het Fort voerde ons de gangen in. Daar stonden miniatuurkamertjes opgesteld met stoelen, tafels, lampen waarvan de kap gemaakt was van een vergiet. Elders lagen in kleine ronde wiegjes poppehoofdjes onder een lampje. Weer verderop bedden op de grond, een emmer met blauwsel om wasgoed wit te maken. Af en toe rinkelde een alarmbel.

Dat - en niet meer was er te zien. Vergeleken met wat Jan Fabre in Watou, in het zuidwesten van België, doet met beelden geïnspireerd op gedichten is het gebodene in Fort Rammekens van een intense schraalheid, gemakzucht en betekenisloosheid. Hier geen verrassing of sensatie, alleen wat parafernalia in een ruimte bijeengebracht. Maar daarmee wordt aan de omgeving geen enkele eer geboden. Josselin de Jong en regisseur Wiepke Poldervaart maken de denkfout dat alles wat vreemd is, dankzij het Fort diepte en drama krijgt. Zo is het niet. Want de keuze voor het ene dan wel andere objekt moet een noodzaak in zich sluiten. Nu leek het volstrekt willekeurig. Een schemerlampje hier, een rinkelende bel daar.

De mevrouw foeterde nog lang na en ik gaf haar gelijk. Het mooiste had het fort zelf te bieden, namelijk als je binnen stond en door de schietgaten in de metersdikke muren naar het landschap buiten keek. Het golvende groen, de stralende lucht omsloten door grauw cement. Daar is geen theater voor nodig, daar spreken Fort Rammekens en de natuur eromheen zelf.