Gratiebesluit Soeharto reactie op roep om 'verzoening'

JAKARTA, 31 JULI. “Gratie verlenen is het voorrrecht van de president en hij is onze hoogste bevelhebber. We zullen dit besluit uitvoeren maar deze drie mannen na hun vrijlating op de voet blijven volgen, want het communistische gevaar blijft latent bestaan.” Met deze woorden maakte het plaatsvervangend hoofd sociaal-politieke zaken van de Indonesische strijdkrachten, generaal-majoor Syarwan Hamid, dit weekeinde duidelijk dat het leger berust in het jongste besluit van president Soeharto om gratie te verlenen aan drie politieke gevangenen, maar dat het niet van harte gaat.

Vrijdag werd bekend dat op 16 augustus, aan de vooravond van het halve eeuwfeest van de onafhankelijkheid, drie oude mannen die een levenslange celstraf uitzitten wegens betrokkenheid bij de mislukte coup van 1965, op vrije voeten worden gesteld. Het gaat om de ex-minister van buitenlandse zaken Soebandrio (81), de voormalige chef van de de luchtmacht Omar Dhani (71) en ex-brigadier-generaal Raden Soegeng Soetarto (77), in 1965 plaatsvervangend hoofd van de politieke inlichtingendienst. Met het besluit tot vrijlating trotseerde Soeharto de strijdkrachten van Indonesië, die eerder deze maand bij monde van chef-staf generaal Feisal Tanjung hadden laten weten dat “er geen clementie kan zijn voor ex-communisten”.

De drie krijgen strafvermindering op humanitaire gronden. Moerdiono, de kabinetschef van de president, wees vrijdag op hun goede gedrag, hun hoge leeftijd en hun zwakke gezondheid. Moerdiono's verklaring was echter gesteld in zeer omzichtige bewoordingen en daaruit bleek al dat er binnen de politieke top van Indonesië geen consensus bestaat over het besluit. De levenslange gevangenisstraf van de drie, die zij uitzitten in de Cipinang-gevangenis in Oost-Jakarta, is omgezet in een straf met een bepaalde duur en de Indonesische wet kent geen 'tijdelijke' straffen langer dan twintig jaar. Dit betekent invrijheidstelling, want de drie zitten al bijna dertig jaar vast. Moerdiono onderstreepte dat “de vrijlating van de drie niet betekent dat hun zonden worden uitgewist”.

Het besluit heeft het karakter van een politiek compromis. De president komt tegemoet aan de roep uit de samenleving om een 'nationale verzoening' ter gelegenheid van het Gouden Jubileum van de republiek en geeft blijk van zelfvertrouwen door de bezwaren van militaire zijde naast zich neer te leggen. Elf andere politieke gevangenen, die eveneens hadden verzocht om presidentiële clementie, zagen hun verzoek echter afgewezen. Onder hen is ex-kolonel Abdul Latief, één van de uitvoerders van de poging tot staatsgreep van 1 oktober 1965.

Die dag ontvoerden en vermoordden militaire eenheden onder leiding van links georiënteerde legerofficieren zes generaals die zij verdachten van CIA-connecties. Daarop formeerden zij een 'Revolutionaire Raad' die de macht naar zich toe trok. De coup werd binnen luttele dagen echter neergeslagen door de Strategische Reserve onder leiding van generaal-majoor Soeharto, de huidige president. Hij hield de PKI, de communistische partij van Indonesië, verantwoordelijk voor de putsch en stelde deze buiten de wet. Het verbod was de opmaat voor een bloedige heksenjacht op werkelijke en vermeende PKI-leden.

Sindsdien beschouwen de Indonesische strijdkrachten het communisme als staatsvijand nummer één en aan dat oordeel houden ze vast zelfs na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en de socialistische staten van Oost-Europa. Dit weekeinde maakte de woordvoerde van de strijdkrachten, brigadier-generaal Suwarno Adiwijoyo, nog eens duidelijk hoe de militairen hierover denken: “Ons standpunt blijft onveranderd. We zullen de communisten nooit vergeven voor hun rebellie van 1965, die diepe littekens heeft nagelaten. De communistische ideologie is springlevend in China en Vietnam en zal ook elders nooit uitsterven. Daarom zullen wij deze drie na hun vrijlating goed in de gaten blijven houden.”

In een kennelijke poging de strijdkrachten te sussen, maakte Moerdiono bij de aankondiging van het gratiebesluit onderscheid tussen 'rasechte communisten' en 'fellow-travellers' als Soebandrio, Dhani en Soetarto. Die zouden weliswaar betrokken zijn geweest bij de mislukte coup, maar waren “nooit lid geweest van de PKI”. Deze laatste ontboezeming is nieuw. De drie zijn tijdens hun processen voor het militaire tribunaal voortdurend geassocieerd met de PKI en de regering heeft nooit eerder erkend dat zij geen partijlid waren. Het onderscheid klinkt gezocht, maar bespaart de strijdkrachten gezichtsverlies.

Generaal-majoor Syarwan Hamid zei dit weekeinde dat er “nog steeds een klein groepje rasechte communisten bestaat dat goed in de gaten moet worden gehouden”. “Ik zal u niet verklappen of Soebandrio en de zijnen daar bij horen.” De zwijgzaamheid van de generaal spreekt boekdelen.