Athene negeert dood moslim-leider

ATHENE, 31 JULI. De begrafenis van de islamitische leider in Grieks Thracië, Sadik Ahmed, die vorige week bij een verkeersongeluk om het leven kwam, is onverwacht rustig verlopen. De 48-jarige arts, die de moslim minderheid in Griekenland “Turks” noemde en met grote felheid voor haar rechten op de bres kwam, was voor de Grieken het zwarte schaap maar in Turkije genoot hij veel sympathie, vooral bij de rechtse oppositie. Binnen zijn eigen kiesdistrict Komotiní is hij tweemaal met een recordaantal stemmen in het Griekse parlement gekozen. Bij de laatste verkiezing van 1993 kreeg hij weer 26.000 stemmen, maar intussen had de Kieswet voorzien in een drempel van drie procent, teneinde hem en zijn mede-afgevaardigde Ahmed Faikoglu buiten het parlement te houden.

Voor de begrafenis was vanuit Ankara een grote deputatie gekomen met vijf ministers, alsmede oppositieleider Mesud Yilmaz, oud-minister van buitenlandse zaken. De toon van de redevoeringen bleef getemperd. Als de Turkse regering dat had gewild, had ze ook openlijk vraagtekens kunnen zetten bij de toedracht van het ongeluk, waarbij de arts in volle vaart botste op een stilstaande tractor, toebehorende aan een Grieksorthodoxe boer (die echter met zijn islamitische dorpsgenoten op goede voet stond). De weduwe van het slachtoffer had aanvankelijk de verdenking geuit dat het geen gewoon ongeluk was en enkele kleinere Turkse kranten hadden deze insinuaties met graagte overgenomen. Maar noch de grotere Turkse bladen, noch de autoriteiten in Ankara hebben deze lijn aangehouden.

Hiermee is een man heengegaan die de Grieken nooit hebben gekend, nooit hebben willen kennen. Nooit is hem in de pers of op de televisie een interview afgenomen, hoewel hij toch goed Grieks sprak. Hij bleef voor de Grieken “een agent van Ankara”. Hoewel hij al vanaf de periode- Özal op slechte voet stond met Turkse regeringen en bij de laatste Turkse Nationale Feestdag, 29 oktober vorig jaar, niet eens werd uitgenodigd bij de receptie van de Turkse consul in Komotiní (waarschijnlijk verdacht men hem van heulen met het fundamentalisme).

Veel Grieken zagen in de ambitieuze man een Thracische 'Denktasj in spe'. Ook dit was nogal bezijden de waarheid, al had hij veel aanhang onder de 120.000 mensen tellende minderheid, hetgeen ook bij de begrafenis bleek. Maar in laatste instantie ontbrak het de, toch altijd nieuwsgierige Grieken aan belangstelling voor deze figuur. Zelfs zijn naam hebben ze nooit correct kunnen weergeven: hij bleef hier hardnekkig Sadik, wat zijn voornaam was. Alsof je Denktasj 'Rauf' zou noemen.

Geen enkele Griekse krant ook, behalve de minieme Avgi, heeft melding gemaakt van het feit dat Ahmed vlak voor zijn dood nog een diplomatiek succes heeft kunnen boeken (onaangenaam nieuws is geen nieuws, lijkt het hier wel eens). De Commissie voor de Mensenrechten van de Raad van Europa had zijn rekwest over de beperkte vrijheid van meningsuiting van de islamieten in Thracië ontvankelijk verklaard. De Griekse regering zal nu voor 1 september moeten antwoorden op de vraag waarom de leden van deze minderheid zich geen 'Turken' mogen noemen, terwijl Athene het steeds heeft over de 'Griekse' minderheid in Zuid-Albanië. Deze procedure kan op den duur leiden tot een veroordeling van Griekenland voor het Hof van de Mensenrechten.

Het is nu al duidelijk wat Athene zal antwoorden. In 1923 werd de toestand van de overgebleven minderheden in respectievelijk Turkije en Griekenland omschreven in het verdrag van Lausanne. Daarin wordt de - intussen vrijwel tot niets teruggebrachte - minderheid in Istanbul en op de eilanden Imbros en Tenedos niet Grieks genoemd maar orthodox. De minderheid in Grieks Thracië wordt 'moslim' genoemd en niet Turks. Athene zal zich ook weer uitputten te bewijzen dat een aanzienlijk deel van de minderheid, meer dan een derde, niet van Turkse herkomst is, maar hetzij tot de zigeuners behoort, hetzij tot de Pomaken, een Bulgaars sprekende groep in eigen land die moeilijkheden kreeg omdat ze niet meedeed aan de opstand tegen de Turken in de vorige eeuw.

Het is allemaal waar. Toch staat Athene vrij zwak, omdat nog slechts enkele tientallen jaren geleden, onder het bewind van Karamanlís, het voorvoegsel 'Turks' juist werd aangemoedigd, ook bij de Pomaken, die zelfs verplicht onderwijs in het Turks kregen opgelegd. In die jaren vijftig, voor de Cypruscrisis, was Turkije een bondgenoot voor Athene en het communistische Bulgarije een potentiële belager.