Als ze een stoot op je maag geven, krijg je even geen lucht

“Soms schopt iemand naar mijn hoofd. Maar als ik snel ben kan ik zo onder zijn been doorlopen. Ik ben de kleinste van de groep en lange jongens kan ik moeilijk op hun hoofd raken. Ik moet veel bewegen om niet geraakt te worden. Terwijl ik om iemand heen draai probeer ik met een lowkick zijn dijbeen te raken. Mijn vader roept dan vanaf de zijlijn dat ik mijn handen hoog in dekking moet houden of dat ik mijn linkerstoot moet laten gaan. Mijn vader is mijn coach.

Ik ben met mijn vader al een paar keer naar kickbokswedstrijden gaan kijken in de Jaap Edenhal en in de Sporthallen Zuid, hier in Amsterdam. Donderdagavond mag ik later naar bed, want dan mag ik van mijn vader naar Eurosport kijken. Dan is er kickboksen en Thaiboksen op de televisie. Mijn vader vindt het leuk als ik over de wedstrijden praat. Ik vraag hem waarom iemand niet doorgaat met een serie op het lichaam of zo. Mijn vader kan me een heleboel uitleggen want hij is amateurkampioen lichtgewicht boksen van Nederland geweest.

Op de sportschool hier in Amsterdam krijg ik les van Iwan Hippolyte of Ernesto Hoost. Ik vind dat ze heel mooi vechten. Later wil ik net zo worden als zij, ook wereldkampioen. Het kan me niet schelen waarin, misschien eerst kickboksen en later Thaiboksen. Bij Thaiboksen mag je ook je ellebogen gebruiken om mee te stoten, bij het kickboksen gebruik je alleen je handen en je benen. Als je aan het sparren bent gebruik je handschoenen en scheenbeschermers en een gebitsbeschermer natuurlijk.

Toen ik twee was wilde ik al op de stootzak schoppen. Ik kon het nog niet eens uitspreken, 'Soppen, soppen', zei ik. Dan hield mijn vader de stootzak op en mocht ik slaan en schoppen. Eén keer in de week train ik op de sportschool. Tussendoor houd ik steeds mijn technieken bij op de stootzak thuis. Mijn favoriete techniek is de mawashi. Met mijn linkerbeen kan ik heel hoog schoppen, ik ben ook links. Eerst schop ik laag en dan, meteen daar overheen, schop ik met hetzelfde been hoog. Met gewichten train ik niet - mijn vader zegt dat dat nog wel komt. Maar in de zomervakantie gaan we naar de camping bij Bussum, dan ga ik wel hardlopen.

We wonen in de buurt van de sportschool. Mijn vader brengt me altijd naar de training, ik mag dan achterop de fiets bij hem. Hij heeft voor sportmasseur geleerd en voor trainer. Soms ga ik op de training neer, omdat ik dan heel erg moe ben. Als je dan een stoot op je maag krijgt kan je even geen lucht meer krijgen. Mijn vader tilt me dan van de mat op en zegt wat ik moet doen.

De jongens zijn erg aardig. Ze zijn bijna allemaal zestien. Ze houden er rekening mee dat ik nog niet zo groot ben. Ik ben de allerjongste en ik weeg nog maar vijfenveertig kilo. Soms is dat wel lastig. Aan het eind van de les moeten we soms op onze rug liggen en dan gaat iemand anders op je maag staan. Dat is een oefening om je maagspieren sterker te maken. Sommige jongens gaan echt met hun hielen staan springen op de maag van een ander. Maar als een grote jongen bij mij staat gebruikt hij maar één voet om op mijn maag te drukken.

Op school vond ik het eerst niet zo leuk. Ik kon niet goed horen, maar niemand had dat door. Nu ben ik geopereerd. Er zijn buisjes in mijn oor gebracht en daarom gaat het nu op school ook goed. Ik vind het niet erg altijd de kleinste en de jongste te zijn maar op de training zou ik het wel leuker vinden als er ook iemand van mijn leeftijd bij is.''

    • Hans Moll