Verrassende tentoonstelling over de Belgische avantgarde

Tentoonstelling: Van Realisme tot Symbolisme. De Belgische avantgarde 1880-1900. Tot 15 okt. Kunstcentrum Oud-Sint Jan, Mariastraat 38, Brugge. Dag 9u30-18u. Catalogus: Bfr. 1450,-.

In het hartje van Brugge, in de schaduw van de Onze-Lieve- Vrouwekathedraal, bevindt zich het Kunstcentrum Oud-Sint-Jan. Voor wie een beetje thuis is in de historie van Brugge is de naam van deze instelling nogal verwarrend. Van oudsher heet het middeleeuwse gebouw, waaraan het is vastgekoppeld, het Sint Janshospitaal. Dit is de plaats waar de schilder Hans Memling aan het eind van de vijftiende eeuw volgens de legende zijn toevlucht zocht en waar sindsdien enkele van zijn mooiste werken bewaard worden. Dit oude Janshospitaal heet Memlingmuseum. De vroeg-twintigste-eeuwse ziekenhuiszalen waarmee het oude gebouw werd uitgebreid zijn nu, nadat er onder dezelfde naam een modern hospitaal aan de rand van de stad werd gebouwd, omgetoverd tot een groot en modern expositie-complex. Maar wie daar terecht wil komen zal eerst het poortje van het oude hospitaal en dus de fameuze Memlings moeten passeren.

Het Sint-Janscentrum is een particulier initiatief en voert het beleid van een Kunsthal. Zonder zelf een collectie te hebben organiseert de Stichting Oud-Sint-Jan elk jaar minstens één grote publiekstrekker. Twee jaar geleden hingen er de schoongemaakte impressionisten uit Boymans-van Beuningen, vorig jaar was Modigliani er te zien en nu de Belgische avant-garde uit het fin de siècle. De huidige zomertentoonstelling, oorspronkelijk samengesteld voor de Londense Royal Academy, bevat vooral schilderkunst, bijeen gebracht van heinde en verre, uit 29 verschillende openbare collecties van Finland tot de Verenigde Staten en uit vele privéverzamelingen.

De tentoonstelling begint met een aardige, met veel spotprenten gelardeerde inleiding over de sociale, politieke en kerkelijke veranderingen rond 1880 in België, waar de liberalen een stapje terug moesten doen voor het opkomend socialisme. Enkele voorbeelden uit de toegepaste kunst, zoals een aandoenlijk kinderstoeltje door Henry Van de Velde, wat potterie en zilver, verwijzen vervolgens naar de grote verwevenheid tussen de verschillende kunsttakken in die periode. Het stoeltje ziet eruit alsof het met de rest van een roomkleurige kamer-met-veel-licht is meegeschilderd. De potten zijn heel bruikbaar maar tevens vrije kunstuitingen met veel expressionistische kleuren; ze werden gemaakt door de schilder Willy Finch, van wie verder op de tentoonstelling mooie pointillistische doeken te zien zijn.

In de doorgangen naar de zalen met schilderkunst hangt, een beetje krap maar in het concept van de tentoonstelling wel heel toepasselijk, een overzicht van de meest opvallende architectuur uit de periode van rond de eeuwwisseling. Hier wordt duidelijk hoe klein de overgang van de historiserende stijlen naar de art nouveau in België eigenlijk was en hoelang de renaissance er bleef doorwerken. Opvallend is ook het grote aantal kunstenaars dat zich een royaal en modernistisch huis kon veroorloven. Verder geven sommige foto's een goed beeld van de oorspronkelijke toepassing van sommige eigentijdse schilderijen. Het grote luministische doek La lecture dans le parc van Theo Van Rysselberghe bijvoorbeeld is op zichzelf niet zo'n meesterwerk, maar in zijn oorspronkelijke setting, in de vestibule van het door Horta gebouwde Solvayhuis in Brussel, krijgt het het effect van een filmdoek en is het geen probleem dat de wat grof gestippelde personages er nogal theatraal bij staan. Sterker, de op het eerste gezicht contrasterende stijlen van Horta en Van Rijsselberghe worden hier ineens één vanzelfsprekend geheel.

Naast de architectuur-gang stralen in vier grote zalen de grote namen van de Belgische kunst ons toe. Er zijn veel kunstenaars bij, zoals Fernand Khnopff, James Ensor, Henry Evenepoel, Willy Finch, Theo van Rysselberghe, Henry Van de Velde, Leon Spilliaert, Felicien Rops en George Minne, aan wie de laatste tien jaar grote tentoonstellingen zijn gewijd.

Toch is het blijkbaar niet de bedoeling geweest een overzicht van de moderne kunst of een parade van topstukken te geven. Er zijn zelfs opvallend weinig beroemde schilderijen. Dat maakt de verrassingen des te groter. De bekendste Ensor die er hangt is het bewogen doek Russische muziek, dat zo mooi ruig en virtuoos gepenseeld is dat het bijna jammer is dat Ensor ooit het meer surrealistische pad is opgegaan. De veeg die de glans op de lakschoenen van de luisterende heer moet suggereren, de witte afhangende doek op de pianokruk (die niet van het doek afknalt maar het geheel juist bindt), ze grenzen aan het abstracte.

Diezelfde kracht bezitten ook twee minder bekende, stevig geschilderde stillevens van dezelfde kunstenaar, van wie ook een verrassend Bonnard-achtig oranje-rood interieur met twee bijna in de achtergrond verdwijnende naakte kinderen in Brugge hangt. Dit laatste doek is sterk erotisch geladen, maar door de manier van schilderen en het spel met de verf vormt toch het licht het hoofdmotief. Deze Kinderen tijdens een wasbeurt, zoals de titel prozaïsch luidt, zijn prikkelend en onthecht tegelijk, en verwijzen al naar Ensors latere visionaire wereld.

Rode draad op de tentoonstelling is de invloedrijke, op vernieuwing gerichte kunstenaarsvereniging Les Vingt, die in 1883 in Brussel werd opgericht. Het is echter opvallend dat men blijkbaar heeft geprobeerd het progressieve karakter van Les Vingt hier te relativeren. Zo worden ook minder baanbrekende leden van de vereniging ten tonele gevoerd, zoals de vriendelijke schilder Isidore Verheyden van wie een mooi licht, lekker rul geschilderd landschap met twee arenleesters te zien is.

Van de in Nederland vrij onbekende Guillaume Van Strydonck, die in 1883 tot de oprichters van Les Vingt hoorde, hangt er een intrigerende Cercle d'amis, een ontbijttafel in een vrolijk morgenlicht waar omheen een gezelschap van in donkere pakken geklede heren is geschaard. Dit, op de koppen na zeer los geschilderd groepsportret, met alle charme van dien, stelt de vriendenkring van de Brusselse verzamelaar Henri Van Cutsem voor. Wie het wil zien kan ook wachten tot begin oktober wanneer het als pièce de milieu zal fungeren op een tentoonstelling die in het Noordbrabants Museum wordt gewijd aan de collectie van deze met bakkebaarden voorziene figuur, uiterst rechts op het doek.

Een van de mooiste schilderijen in Brugge, en wat mij betreft een complete verrassing, A Sunday amongst the Crackers (1886) is ook van Van Strydonck. Je ziet er dezelfde overtuigende kracht van de penseelstreek als bij de vroege Ensors, al ging Van Strydonck er zachter en minder nadrukkelijk mee om. De oude man in zijn zondagse pak met zijn gele boekje en de in een schommelstoel leunende vrouw doemen op uit een vage achtergrond. Vrijwel elke contour ontbreekt, het hele tafereel maakte de indruk met een rap penseel te zijn neergezet. Ondanks de terughoudende kleuren en de losheid van het geheel roept dit werk een veel exacter en intenser beeld op dan welk precies geschilderd realistisch interieur ook. De toeschouwer kan bijna niet ontkomen aan de lome namiddagsfeer en aan de monotone stem van de voorlezende man.

Een ongewoon aspect op deze tentoonstelling is dat getracht is een beeld te geven van de Belgische en niet alleen van de Brusselse moderne kunst. Dat betekent dat we ook werk zien van in Gent of Antwerpen werkzame kunstenaars zoals de impressionist Albrecht Baertsoen en de naturalist Théodore Verstraete. Vooral de besneeuwde schuiten van Baertsoen zullen een verrassing zijn voor wie bij Belgisch impressionisme denkt aan naar het luminisme neigende, door overdadig licht beschenen werken. Baertsoen zocht het, net als onze Breitner meer in de intimiteit van de winterse stad. Op zijn Schuiten fingeert het gore wit van niet helemaal meer verse sneeuw als bindend element voor een nogal gedurfde, eigenzinnige compositie.

De laatste zaal, gewijd aan het symbolisme, wordt echter weer vrijwel exclusief Brussels. Van de mysterieuze schilder Leon Spilliaert is het bekendste werk hier het in zwart, beige en groen getekende zelfportret. De hologige schilder staart de toeschouwer intens aan, terwijl hij nadrukkelijk een donkerrood krijtje in de hand houdt alsof er geen twijfel aan zijn integriteit als kunstenaar mag bestaan. Iets minder spookachtig maar minstens even intrigerend zijn twee minder bekende pastels in grijstinten uit 1908, waarop Spilliaert de reële vormen van een boulevard of een kade reduceert tot uiterst simpele, maar zeer expressieve vormen. Hij balanceert daarmee op de grens tussen het concrete en het mysterieuze, zijn beelden zijn reëel en onwezenlijk tegelijk.

Met Spilliaert eindigt het verhaal. Tussen een van de meest realistische werken op de tentoonstelling, een schrijnende Brooduitdeling van Van Leemputten, waar de arme boeren tot aan de rafels aan hun kleren herkenbaar zijn, en de schijnbaar lege pastels van Spilliaert is veel gebeurd. Dat zich dat in twintig jaar afspeelde is bijna niet te geloven. Als het de bedoeling was dat deze tentoonstelling ons, aan de hand van 32 kunstenaars - van Rops tot Khnopff en Spilliaert - een zo gedifferentieerd mogelijk beeld van de Belgische kunst laat zien, dan is deze opzet geheel gelukt.