Spinoza

WIM KLEVER: Een nieuwe Spinoza in veertig facetten

176 blz., Wereldbibliotheek 1995, ƒ 32,50

In de zeventiende eeuw had de joodse Nederlander Jacob Jehuda León in zijn huis een groot model opgesteld van de tempel van Salomon. Het bouwsel was beroemd tot in het buitenland en voor de talrijke bezoekers had León een toelichting geschreven die in diverse talen verschenen was. Een exemplaar van de Latijnse versie bevond zich - mèt opdracht - in de bibliotheek van Michael de Spinoza, de vader van de latere filosoof Baruch of Benedictus, de grootste wijsgeer die Nederland ooit heeft gekend. Michael zal Baruch wel eens hebben meegenomen naar Leóns miniatuurtempel en de jongen zal er ongetwijfeld zijn ogen hebben uitgekeken, schrijft Wim Klever in zijn boekje Een nieuwe Spinoza in veertig facetten. In zijn latere werk en zijn briefwisseling keert het beeld van de tempel meermalen terug.

Dat is een aardige wetenswaardigheid, waarmee het boekje vol staat. In veertig korte schetsen, elk zo'n drieëneenhalve pagina lang, presenteert Klever een aardse Spinoza, verwikkeld in alledaagse beslommeringen en actief opgenomen in het intellectuele leven van zijn tijd. De denker was geen eenling, noch een onstoffelijke en ongrijpbare figuur, zo laat Klever zien. De mythevorming van eeuwen wordt in deze korte stukjes effectief en op charmante wijze afgebroken.

Of daarmee werkelijk een nieuwe Spinoza zichtbaar wordt, zoals de titel suggereert, is twijfelachtig. Tenslotte had Klever zelf, Nederlands belangrijkste Spinoza-kenner van dit moment, vorig jaar in zijn boekje Zicht op Spinoza al een soortgelijke ontmythologisering ondernomen. In zijn oeuvre over deze denker heeft hij het Spinoza-beeld ingrijpend bijgesteld. Zeer belangrijk was zijn ontdekking en publikatie van het geschrift Vrye Politijke Stellingen en Consideratien van Staat van Spinoza's vriend en leermeester Franciscus van den Enden, die op Spinoza's werk een groot stempel heeft gedrukt.

De veertig schetsen in dit boekje hebben geen wetenschappelijke toon of pretentie. Ze zijn, net als de columns uit Zicht op Spinoza, impressionistisch geschreven en lezen gemakkelijk weg. Eerder dan het deftige 'essays' zou men ze cursiefjes kunnen noemen, al ontbreekt daarvoor vaak de scherpe pointe. Soms polemisch, vaker goedmoedig, betoont Klever zich in deze veertig wetenschappelijke terzijdes een vurig bewonderaar van Spinoza, wiens actualiteit hij hoger acht dan “menig opzichtig gepluimde tijdgenoot”. Die actualisering valt niet altijd gelukkig uit. Zo heeft Klever zich in zijn sympathie voor de door Spinoza voorgestelde bestuursvorm - alleen economisch onafhankelijke burgers hebben beslissingsrecht over de besteding van overheidsgelden - in ieder geval sterker met de zeventiende-eeuwse denker vereenzelvigd dan voor een twintigste-eeuwse staatsburger goed is.