Ook ouders kunnen kinderen schaden

De reportage van 15 juli over middelmatige crèches, snel wisselende leidsters en kinderen die zich niet hechten zorgde voor een stroom ingezonden brieven. Er was aan een taboe geraakt, zoveel was duidelijk. Een debat-pagina over emancipatie, kinderopvoeding en rollenpatronen. En: waarom niet alle kinderen gebaat zijn bij sociale contacten met hun leeftijdgenoten.

Dumpen

De heren Van IJzendoorn en Cuyvers nemen het in 'Crèches kunnen kinderen ook schaden' (Z 15 juli) op voor de baby's in kinderdagverblijven. Het beeld dat zij in het artikel van Renée Braams schetsen suggereert dat ouders voorrang geven aan andere werkzaamheden en hun kinderen dumpen 'in een soort schooltje' waar zij professioneel verzorgd worden door leidsters die teveel wisselen en te weinig 'veilige hechting' bieden. Het beleidsadvies van de Commissie Kwaliteit Kinderopvang - die opvang en niet opvoeding als primair doel aanbeveelt - ondersteunt volgens Van IJzendoorn het gebruikmaken van crèches 'als bewaarplaats'. Deze uitspraken doen enorm tekort aan de wijze waarop een groot deel van de kinderopvang zich inzet voor ontwikkeling, behoud en stimulering van kwalitatief goede opvang - die tegelijkertijd professioneel, sensitief én groepsgericht kan zijn. Bovendien wordt er voorbijgegaan aan de zorgvuldige en serieuze manier waarop vele ouders in Nederland trachten de zorg voor hun kind(eren) te combineren met andere werkzaamheden. Het beeld van carrièrebeluste, drukbezette en egoïstische ouders (moeders?) is totaal in tegenspraak met de realiteit.

Enige feiten: na de geboorte van het eerste kind gaat 28 procent van de vrouwen met een betaalde baan minder uren werken en slechts 19 procent blijft evenveel uren werken (CBS, 1993). Een halve baan wordt door de meerderheid van de aankomende moeders als ideaal gezien. Kenmerkend voor jonge gezinnen in Nederland is een (bijna) fulltime werkende man met een vrouw die parttime werkt, gemiddeld drie dagen per week. Als het om gezinnen met jonge kinderen gaat, zijn tweeverdieners met volledige werkweken en hoge inkomens dan ook een uitzondering in Nederland. Het 'tweeverdienersmodel' waar Renée Braams aan refereert is in werkelijkheid een 'anderhalfverdienersmodel'. De meeste ouders wensen (en gebruiken) kinderopvang in een kinderdagverblijf voor niet meer dan drie dagen per week. Het onderzoek van Van Dijke e.a. ('Ouders over kinderopvang', 1994) vindt slechts 2 procent ouders die van een fulltime crècheplaats gebruikmaken. De opvang is nodig omdat beide ouders werken, maar een kinderdagverblijf wordt ook gekozen om contacten met andere kinderen, sociale vaardigheden, ontwikkelen van fantasie en creativiteit. Vele ouders zoeken naar een evenwicht tussen blijven werken en een optimale opvoedingssituatie voor hun kind(eren) te creëren. Tenslotte blijkt in bovengenoemd onderzoek dat ouders met kinderen op een kinderdagverblijf zeer tevreden zijn over de opvang (84 procent) en 89 procent van de kinderen het duidelijk naar de zin heeft. Al die zielige baby's in voltijdse crèches, ingeroosterd in een uithoekje van hun ouders' drukke bestaan, zullen zelfs voor Van IJzendoorn en Cuyvers niet makkelijk te vinden zijn.

Leonie Zwetsloot

(BOinK, Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang) Opvoedingswaarheid

Het artikel over crèches (Z 15 juli) roept weer het ouderwetse gevoel van onzekerheid op over wat goede opvoeding voor jonge kinderen is of zou moeten zijn. Wat vooral blijft hangen, is dat kinderopvang, hoe goed van kwaliteit ook, altijd 'minder' is dan opvoeding thuis. Is kinderopvang goed voor kinderen omdat zij met elkaar relaties aangaan? Of gaat het in de kinderopvang juist om relaties tussen kinderen en volwassenen (leidsters), waarvan de kwaliteit bewaakt moet worden?

Het draait helemaal niet om wat goed, beter of best is, noch in de kinderopvang, noch in de opvoeding thuis in de privé-sfeer. Ouders en deskundigen hanteren verschillende criteria en hebben diverse 'oplossingen' bedacht om de spanning tussen werken en zorgen zo soepel mogelijk te kunnen hanteren. Het is nogal logisch dat elke opvoeder de keus die hij of zij gemaakt heeft, met verve verdedigt.

Zo ook verdedigen onderzoekers, pedagogen, ouders en leidsters in de kinderopvang de aanpak die zij voorstaan, al dan niet met een beroep op ander onderzoek, eigen en praktijkervaring. Op de eerste plaats verdedigen zij zich op grond van hun eigen normen en waarden ten aanzien van de opvoeding van baby's en peuters. Er is geen sprake van één absolute opvoedingswaarheid en een journalist die deze probeert te ontdekken, zal in een cirkel blijven ronddraaien.

Het is prima dat er gerede twijfels bestaan over hoe wij onze kinderen willen opvoeden. Dat betekent dat we in onze cultuur waarde hechten aan opvoeden op zich. Het is ook goed dat crèches verschillende opvoedingsstijlen hanteren; dan kunnen ouders tenminste kiezen. Ik betwijfel of ouders altijd wel 'de beste opvoeders' zijn, zoals Cuyvers beweert. Al is het waar dat ouders zelf een afweging moeten maken over hoe ze hun kinderen willen (laten) opvoeden. In een samenleving die de mond vol heeft over gelijke kansen en integratie, is het nog steeds niet gelukt om de verdeling van arbeid en zorg op een voor elke opvoeder bevredigende manier vorm te geven, via een ruim aanbod van kwalitatief goede kinderopvang en betaald (ouderschaps)verlof. Blijkbaar zijn kinderen het ons als samenleving niet waard, om daarvoor een prijs te betalen.

Liesbeth Pot

NIZW, sector Jeugd Intimideren

Het artikel suggereert dat contacten met leeftijdgenootjes de belangrijkste meerwaarde van crèches vormen. Voor de meeste kinderen is die meerwaarde evident, met name wanneer kinderen opgroeien in een gezin waarin weinig gelegenheid bestaat voor contacten met leeftijdgenoten. Het gunstig effect van contacten met leeftijdgenoten in een crèche is echter geen automatisme en vergt deskundige begeleiding door volwassenen.

Er zijn grote individuele verschillen tussen kinderen in hun vaardigheden in het aangaan en onderhouden van relaties. Sommige kinderen laten zich gemakkelijk intimideren door leeftijdgenoten. Anderen intimideren zelf. Crèchebezoek kan voor beide groepen nadelig zijn. Voor kinderen die zich laten intimideren zijn contacten met leeftijdgenoten onaangenaam. Ze verwerven niet de beoogde vaardigheden in de omgang met leeftijdgnoten en ze gaan met tegenzin naar de crèche. Kinderen die anderen intimideren kunnen zonder voldoende tegenspel in de crèche deze manier van omgang vanzelfsprekend gaan vinden. Met intimidatie bereiken ze het snelst hun doel en het leidt tot directe bevrediging van hun behoeften. Intimidatie is dan een voorloper voor latere agressie in contacten met leeftijdgenoten.

Agressieve kinderen vormen een risicogroep. Ze worden later afgewezen door groepsgenoten. Ze zijn moeilijk handelbaar voor leerkrachten en ze lopen een verhoogde kans op voortijdig schoolverlaten. Problemen in relaties met leeftijdgenoten bij jonge kinderen zijn in Nederland onderzocht. Op 20 september promoveert Simone de Roos in Nijmegen op een longitudinaal onderzoek naar de relaties met leeftijdgenoten van 48 kinderen over de leeftijd van 1 tot 5 jaar. Kinderen die zich op 1-jarige leeftijd meer laten intimideren zijn in de daaropvolgende jaren tot op 5-jarige leeftijd op de basisschool meer teruggetrokken. Kinderen die op 1-jarige leeftijd meer intimideren doen dat op 5-jarige leeftijd ook nog vaker en worden eerder afgewezen door klasgenoten op de basisschool. Vroege gunstige contacten met leeftijdgenoten vormen ook geen garantie voor latere gunstige contacten. Of kinderen met vroege gunstige contacten hun gunstige relaties kunnen handhaven is mede afhankelijk van de contekst waarin kinderen komen te verkeren. Die contekst wordt vooral bepaald door de kwaliteit van de begeleiding van groepen. Kortom, zowel kinderen met gunstige als kinderen met minder gunstige vooruitzichten in hun relaties met leeftijdgenoten zijn aangewezen op goede kwaliteit van begeleiding in crèches.

Kinderen met een veilige gehechtheidsrelatie met hun opvoeder hebben betere vooruitzichten op succesvolle relaties met leeftijdgenoten dan kinderen met een onveilige gehechtheidsrelatie. De veiligste ontwikkelingsroute heeft Van IJzendoorn geschetst: biedt jonge kinderen eerst de gelegenheid om een veilige gehechtheidsrelatie te ontwikkelen met de opvoeder thuis en laat hen daarna of parallel daaraan relaties met leeftijdgenoten exploreren. Een veilige gehechtheidsrelatie is het beste uitgangspunt voor verdere ontwikkeling maar biedt geen garantie voor gunstige relaties met leeftijdgenoten. Veel kinderen verblijven, voordat ze naar de basisschool gaan, nu eenmaal korte of langere tijd in een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal.

Deskundigheid van begeleiders is essentieel voor de kwaliteit van een crèche. Om invloed te hebben op relaties van kinderen met leeftijdgenoten moet een leidster zelf een hechte relatie met individuele kinderen kunnen ontwikkelen en bovendien in staat zijn om groepsprocessen te begeleiden. Relaties vormen zich over verloop van tijd en voor de stabilisering van een groep zijn minimaal 6 tot 8 weken nodig. Groot verloop van leidsters of te veel wisseldiensten kunnen een bedreiging zijn voor de vorming van hechte relaties of van een hechte groep. Sensitieve responsiviteit is van groot belang maar niet voldoende: een sensitieve opvoeder is niet automatisch een goede crècheleidster.

Leidsters dienen bovendien inzicht in en greep te hebben op de relationele en groepsprocessen die zich in een crèche afspelen. Leidsters dienen er oog voor te hebben dat de belangen van kinderen tot hun recht komen, niet alleen in hun eigen relatie met hen, maar ook in de relaties die kinderen met andere kinderen in de groep onderhouden. Leidsters moeten geïntimideerde kinderen een gevoel van veiligheid kunnen beiden maar ook zodanig grenzen kunnen stellen aan intimiderende kinderen dat die zich daarbij toch nog prettig voelen. Ze moeten de autonomie van geïntimideerde kinderen versterken door hen het gevoel te geven dat ze zelf greep krijgen op de situatie. De autonomie van intimiderende kinderen dienen ze te versterken door hen te laten beseffen dat relaties uiteindelijk plezieriger zijn als ze rekening houden met de belangen van andere kinderen.

Verder moeten crèches een uitgebalanceerd programma van activiteiten hebben. Crècheleidsters dienen zo'n programma te kunnen opzetten en uitvoeren. Het vergt heel wat deskundigheid van leiding en personeel in een crèche om een programma van activiteiten en de begeleiding van relaties en groepsprocessen vorm te geven. Ik onderschrijf van harte de teneur van het artikel dat tot nu toe niet altijd voldoende aandacht wordt besteed aan de inhoudelijke kwaliteit van crèches en dat daarmee de belangen van kinderen tekort gedaan worden.

Prof. dr. C.F.M. van Lieshout Ontwikkelingspsycholoog KU Nijmegen Verlof

Voor mij was een crèche een ideale oplossing. De kinderen genoten van het spelen met de andere kinderen, en toen we nog op een flat woonden, konden ze daar in ieder geval naar hartelust buiten spelen. Het fenomeen crèche is voor veel meer kinderen beschikbaar gekomen. Ouderschapsverlof is, weliswaar beperkt en in veel gevallen onbetaald, een wettelijk recht geworden. De opvang van kinderen onder de vier lijkt als obstakel te verdwijnen.

Mijn dochter is vier geworden en ging naar school. Werd het mij toen gemakkelijker mijn werk met de zorg voor haar te combineren? Helemaal niet. Haar schooltijden zijn van half negen tot half twaalf, en van half twee tot half vier. Overblijven (2 uur lang) kan, maar gebeurt met veel te veel kleuters in een te kleine ruimte. Gevolg: het overblijven is veel schoolser dan de schooldag zelf. Elke dag dat mijn dochter moet overblijven zegt ze dramatisch “Ik wìl niet overblijven.”

Ook hebben we nu te maken met schoolvakanties, 'studiedagen', sportdagen, schoolreisjes, en wat dies meer zij. Ouderschapsverlof om deze uren op te vangen of aan de ouder-activiteiten deel te nemen, krijg je niet. Wie gaat mee naar de schooltuintjes, de schoolreisjes, de sportdag, spoelt fluor, assisteert bij het eindfeest, maakt gordijntjes voor de poppenhoek? Van moeders zoals ik, die vier dagen betaald werken, hoopt de school er niet te veel te krijgen. Gezien de aanzuigende werking die de buitenschoolse opvang op ons soort moeders heeft, is de school dan ook niet onverdeeld gelukkig met deze voorziening, zo is mij verteld. Over werkende vaders rept de school niet. Wellicht is het voor mannen nog lastiger een aandeel in de kinderverzorging te nemen doordat zij vaak niet part-time kunnen werken. Een wijdverbreid probleem dat opmerkelijk genoeg met name mannen lijkt te treffen, als ik tenminste op mijn eigen kennissenkring af ga. Sinds mijn kinderen school gaan heb ik meerdere malen overwogen met werken te stoppen of te verminderen, hoewel dat laatste in mijn functie niet kan. Zat mijn dochter nog maar op de crèche die gewoon van kwart voor acht tot kwart voor zes open is, waar ze bedjes hebben voor als ze moe is, en badjes voor als het warm is. Zolang kinderopvang, ouderschapsverlof, en calamiteitenverlof voor kinderen boven de vier jaar niet geregeld is, kan niemand roepen dat vrouwen wel kunnen gaan werken als de kinderen naar school gaan.

Suzanne van de Vathorst, arts

Amsterdam Tendentieus

“Onderzoek heeft aangetoond dat middelmatige crèches wel degelijk schadelijk kunnen zijn voor de ontwikkeling”, stelt prof. Van IJzendoorn. Het is jammer dat een discussie over crèches zo vaak ontaardt in tendentieuze stellingen. Zolang de kwaliteit niet goed is geregeld, zal een crèche net zo goed en net zo schadelijk kunnen zijn als een goede of slechte ouder. 'Kan een crèche de ouders vervangen?', wordt elders in het artikel gevraagd. Nee natuurlijk. Het is evident dat veilige hechting belangrijk is als basis voor ieder kind. Maar het kind hecht zich aan de ouder anders dan aan de leidster. Dit contact is immers tijdelijk en beroepsmatig. Cuyvers betwijfelt of het voor baby's wel zo leuk is professioneel verzorgd te worden. Ik ben juist van mening dat een professionele leidster sensitief is en warm. Doordat zij niet die sterke emotionele band met kinderen heeft zoals ouders die hebben, is zij in staat zonder bijzondere verwachtingen of teleurstelling met het kind om te gaan en van het kind te houden zoals het is. Een crèche kan de ouders nooit vervángen, want elk kind heeft die onverbrekelijke band nodig zoals alleen tussen ouders en kind bestaat, maar wel áánvullen.

Saskia Henderson

Amsterdam Kwaliteit

Een van de verdiensten van het stimuleringsbeleid van d'Ancona is dat er meer kindercentra bij zijn gekomen. Het aantal opvangvoorzieningen voor kinderen van 0 tot 13 jaar is in 4 jaar tijd gegroeid van 1200 naar ruim 2100, gespreid over bijna 500 gemeenten. Een ouder heeft dus gemiddeld een keus uit 4 verschillende voorzieningen. Essentieel voor kindercentra is dat zij altijd hun beleid duidelijk kunnen maken en hoe zij dat in de praktijk realiseren. Wetenschappers kunnen nooit uitmaken hoe de ideale kinderopvang eruit ziet. Ze kunnen wel behulpzaam zijn door goede concepten aan te reiken en met theoretische onderbouwingen. Het antwoord op de vraag hoe de ideale kinderopvang eruit ziet, kan en moet echter uitsluitend beantwoord worden door de klanten van de kinderopvang. Dat zijn ouders (mede namens de kinderen), bedrijven en gemeenten.

De ondernemers in de kinderopvang zijn de afgelopen jaren steeds meer afhankelijk geworden van het marktmechanisme van vraag en aanbod. De overheid is nog slechts voor krap vijftig procent aandeelhouder in de branche. Marktafhankelijkheid en een terugtredende overheid is een betere drijfveer voor het leveren van een permanente kwaliteit dan wetgeving. Hierdoor ervaren de ondernemers in de kinderopvang heel direct hun dagelijkse verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun dienstverlening. Onvoldoende kwaliteit zal op de langere termijn onherroepelijk leiden tot ontevreden klanten en dus tot verloop. Kern van de zelfregulering is dat de branche zelf, in nauwe samenspraak met haar klanten, vaststelt welk kwaliteitsniveau wenselijk is en tegen welke prijs. De branche zal zelf moeten vastleggen welke normen zij hiervoor aanlegt en hoe deze getoetst worden. Dat is de beste garantie dat de ondernemers in de kinderopvang blijvend aandacht besteden aan kwaliteit.

Laurie Ickenroth

VOG, ondernemersorganisatie voor ondermeer de kinderopvang Vergoeding

Dit artikel over crèches geeft zeer juist de gevolgen van overhaaste (regerings)maatregelen weer. De genoemde explosieve groei sedert vijf jaar geleden van 20.000 naar 100.000 opvangplaatsen heeft de kwaliteit niet bevorderd. Vooral het relatief grote verloop onder de leidsters baart zorgen. De genoemde Commissie Kwaliteit Kinderopvang moet toegeven dat niemand een redelijk inzicht heeft in die kwaliteit. Terecht wordt het taboe over de vraag naar deze kwaliteit genoemd.

De Nederlandse Gezinsvereniging pleit voor vergoeding van huisvrouwen en -mannen. Het opvoeden van onze kinderen zou financieel aantrekkelijker moeten worden. Investeren in onze kinderen is een uitstekende belegging: het verdient zich zeker terug. En wie beter dan de ouders zelf kunnen die investering doen?

Een opvangplaats kost 20.000 gulden per jaar. Volgens pedagoog Cuyvers zou dit 40.000 gulden moeten bedragen, als je er een kwaliteitsvignet op zou plakken.

Naar de stellige mening van de Nederlandse Gezinsvereniging doen ouders het met liefde en plezier voor de helft van deze bedragen.

C.G. Hoogland, Nederlandse Gezinsvereniging, Amsterdam