Nederland en Bosnie (2)

De mist van de oorlog mag ons niet het zicht benemen op de universele waarden die vooral na de ondergang van het rijk van het absolute nazi-kwaad, de centrale elementen zijn van onze politieke identiteit. Toch schijnt er een totale zelfverdedigingsoorlog voor nodig te zijn om een kwaad als 'absoluut' te bestempelen. Na Hitler en de zijnen zijn er nog een aantal verknipte geesten met absolute macht op het wereldtoneel verschenen die het absolute kwaad op hun onderdanen konden botvieren zonder dat dit tot een 'gepaste' reactie van het Westen leidde.

Zodra men de relatief comfortabele positie heeft om militaire betrokkenheid, in dit geval in de vorm van humanitaire bijstand, aan een kosten-baten analyse te onderwerpen, gebeurt hetzelfde op het ethische niveau. Ethiek wordt situationele ethiek. Een goed voorbeeld hiervan is het artikel van C. Dobbie dat 22 juli op deze plaats werd gepubliceerd. Daarin beargumenteerde de auteur dat humanitaire hulp conflicten dreigt 'te bestendigen', te prolongeren, te verergeren en zelfs te institutionaliseren'. Geconfronteerd met dit dilemma, rest de keus partij te kiezen - oorlog voeren - om het gewapende conflict zo snel mogelijk uit de wereld te helpen. Maar dit mag men niet van een soldaat verlangen, volgens dr. Buve (NRC Handelsblad, 21 juli), omdat de mogelijkheid te sterven voor zoiets abstracts als de internationale rechtsorde, in plaats van voor het vaderland, niet voldoende zingeving biedt. In tijden wanneer het absolute kwaad niet als zodanig erkend wordt, bestaat niet de behoefte elkaar 'Gesinnungsethisch' - uitsluitend morele normen dienen richtsnoer voor het handelen te zijn - te overtreffen in het formuleren en implementeren van beleid. De 'realist' Hans Morgenthau heeft dit probleem treffend verwoord: “To know with despair that the political act is inevitably evil, and to act nevertheless is moral courage.”

Na de Tweede Wereldoorlog, waarin menselijkheid en beschaving een nieuw

    • P. Makken