Mannen, vrouwen, ongelijk

Tien jaar geleden deed ik in deze krant een voorspelling, en niet zomaar een in het gebruikelijke commentaar-genre: “De Balkan staat voor de tweesprong, ófwel er komt een krachtdadig opgelegde vrede óf er zal zich een steeds verder om zich heen grijpende geweldsspiraal voordoen.” Dat kan iedereen. In mijn voorspelling kon ik gelijk krijgen óf ongelijk, en dat zouden de feiten ondubbelzinnig uitwijzen. De feiten wezen ondubbelzinnig uit. En ik heb ongelijk gekregen.

Op 3 augustus 1985 beweerde ik dat binnen tien jaar op een Olympisch nummer een vrouw alle mannelijke deelnemers zou overtreffen: “Binnen tien jaar zal een vrouw Olympisch kampioen zijn in de mensenatletiek”. Vergeet het maar.

Wie het niet vergat was Frits Happel, de befaamde sportpedagoog, tientallen jaren de trainer van intellectueel en artistiek Amsterdam (daar kwam dus ook al geen Olympisch kampioen uit). Happel kwam een paar dagen na verschijning van mijn stuk een brief aanreiken waarin hij mij de les las. Sinds jaar en dag, schreef hij, blijven de beste vrouwen ongeveer tien procent ten achter bij de beste mannen in snelheid, afstand, of hoogte. Daar had en heeft hij grotendeels gelijk aan. Happel concludeerde “dat er altijd een significant verschil in prestaties tussen mannen en vrouwen in het nadeel van de vrouw zal blijven.” Ook dat is tien jaar waar gebleven, maar het volgde niet uit de toen bekende records.

Ik had erop gewezen dat in de loop der tijd steeds nieuwe naties aan de Olympische Spelen gingen meedoen: tot de Eerste Wereldoorlog was het vooral een treffen van Amerikanen en Europeanen en leken hun prestaties een bewijs voor de superioriteit van het blanke ras. Tussen de twee Wereldoorlogen traden ook Latijns-Amerikaanse, Aziatische en Afrikaanse naties aan en bleek - na een aanvankelijke achterstand van de nieuwelingen - dat na verloop van tijd de kampioenen voortkwamen uit alle mensensoorten. “Hoe meer de mensen streven naar voortreffelijkheid, des te meer blijken daarin hun overeenkomsten”, besloot ik.

Het grote verschil zit hem niet in Mongool of Negroïd, Kaukasiër of Aziaat, maar tussen de atleten en de liggende, hangende, zittende of slenterende rest van de mensheid. Dat vond ik een opwekkende, een Olympische gedachte. Het komt niet aan op de genen, maar op de faciliteiten, op de aantallen, op training, enthousiasme en volharding. Hoe meer vrijetijdsatleten er in een land hollen, springen, spartelen en smijten, hoe groter de kans dat daaruit op den duur een kampioen voortkomt. Als dus vrouwen eenmaal volop aan sport gaan doen, zullen al die fanatiekelingen niet alleen Olympische dameskampioenes voortbrengen, maar ten lange leste op sommige nummers ook de heren verslaan. Dat is dus niet gebeurd. Nog niet.

Hoe komt dat?

Het ontbreekt de atletes niet aan aanmoediging of waardering, de kampioenes worden verafgood. Maar of gewone sportmeisjes even hard worden aangespoord en opgejuind als gewone sportjongens, dat is maar de vraag. En heel wat potentiële kampioenes kiezen ontijdig voor hun verloofde, want anders wordt die maar sikkeneurig, maar hij hoeft niet tussen haar en zijn sport te kiezen. Toch ligt het daar niet echt aan. En het komt ook niet meer van een aarzeling bij vrouwen om een gespierd fysiek te kweken, want inmiddels zijn de kampioenes media-idolen en sex-symbolen geworden.

De prestaties van vrouwen zijn over de jaren spectaculair verbeterd, die van de mannen ook, maar de vrouwen hebben hen nog steeds niet ingehaald. De kampioene op de 100 meter van vandaag had de winnaar bij de heren van veertig jaar geleden geëvenaard; de snelste atlete op de laatste marathon had de legendarische Zatopek uit de jaren vijftig op de hielen gezeten.

Dat ligt ten dele aan fysiologische verschillen tussen mannen en vrouwen, en die zijn weer voor een deel met de genen gegeven: vrouwen hebben minder kracht in het bovenlichaam, maar ongeveer evenveel in de benen. Vrouwen hebben verhoudingsgewijs meer vetweefsel, mannen meer spierweefsel. Maar oefening en dieet kunnen dat goeddeels compenseren. In krachtsporten maken vrouwen geen kans, maar in uithoudingssporten wel. Al in 1971 won Natalie Cullimore een wedloop over 110 mijl, die door geen van de mannelijke deelnemers zelfs maar werd uitgelopen. Maar tot voor kort werden voor vrouwen juist geen wereldkampioenschappen en Olympische wedstrijden op de zeer lange afstand uitgeschreven. In 1976 versloeg in Californië een potige tenisster geheel onverwacht de plaatselijke kampioene. Deze Renée Richards bleek een jaar tevoren te zijn omgebouwd tot vrouw. Groot schandaal: zelfs een ex-man van middelbare leeftijd kon dus de vrouwelijke favoriet verslaan. Maar wie wel eens de travestieten op de televisie bekijkt wist dat allang: mannen kunnen alles beter, zelfs vrouw zijn.

Tien jaar geleden werd ik met mijn voorspelling door alle sportkenners weggelachen: Wie ook maar iets van sport begrijpt, ziet toch meteen dat geen vrouw ooit of ergens kans maakt om de mannelijke kampioen te verslaan.

Ik weet inderdaad niet veel van sport, maar ik wed op de fysiologie en de sociologie en dus op de kampioenes: het kleine verschil zal kleiner worden tot het op een keer in een Olympische wedstrijd in zijn tegendeel verkeert en een vrouw de beste man verslaat. Dat zal komen van de aantallen, de methodiek en het enthousiasme waarmee vrouwen sport bedrijven. Mijn Olympisch gelijk krijg ik het eerst bij het fietsen, zwemmen of hardlopen over zeer lange afstand.

De dag komt dat vrouwen alles even goed als mannen kunnen, zelfs vrouw zijn.

Ik ga Frits Happel die verwedde fles champagne brengen. In 2005 krijg ik er een terug.