Kiezeltuin

Afgaande op mijn eigen ervaring zijn degenen onder ons die van het lot een moeilijke tuin te dragen hebben gekregen daar zeer naijverig over: de mijne, zeggen ze hovaardig, als hadden zij het over een volwaardige tegenstander, is beslist veel erger dan enige andere. Hij doodt 75 procent van de planten die ik in hem heb gezet, en doet de resterende 25 plat op de grond liggen; hele stukken zijn kaal, daar groeit zelfs geen onkruid; en zo inert is het gazon dat het nooit gemaaid hoeft te worden. Enzovoort, enzovoort. Ach, had ik jouw problemen maar, zo zeggen we medelijdend tot iemand die het waagt zich over zijn tuin te beklagen.

Het was daarom ontnuchterend te lezen over iemand wiens tuinproblemen ontegenzeggelijk veel extremer waren dan de mijne, en die daar over zegevierde en niet alleen een tuin wist aan te leggen, maar zelfs iets buitengewoon oorspronkelijks in het leven te roepen. Dat is de tuin die de filmregisseur Derek Jarman aanlegde bij zijn vissershuisje op het strand van Dungeness, in Kent (Derek Jarman's Garden, met foto's door Howard Sooley, Thames & Hudson 1995).

Het vissershuisje staat op kiezelstrand. Er is in de verste verte geen boom te zien, alleen maar stenen en lucht. De zee is er wel, maar voornamelijk onzichtbaar; het zijn de stenen waar het om gaat. Dungeness, schrijft Jarman, 'staat apart, op 'het vijfde kwartier', aan het eind van de wereld; het is, met Cape Canaveral, de grootste formatie van kiezelsteen op aarde.' Het heeft ook 'het sterkste zonlicht, de minste neerslag en twee weken minder vorst dan de rest van het Verenigd Koninkrijk.' En een grote kerncentrale, die gloeit in de nacht 'als een oceaanstomer of een klein Manhattan.' Niemand die het tuinieren ernstig opvat zou er zelfs maar over piekeren daar te gaan wonen; het ziet er ongeveer zo tuinierbaar uit als de Zuidpool.

Jarman was ook niet van plan daar een tuin aan te leggen; wat hem aantrok was de kaalheid van die plek. Maar hoe dan ook, bijna uit zichzelf, op een manier die ik mij tamelijk goed kan voorstellen, begon het wat te worden. Het aanleggen van een stenenverzameling is een gangbaar menselijk instinct: over de hele wereld liggen steenhopen die daar door mensen zijn achtergelaten. Het lopen op kiezelstranden is veel interessanter dan op zandstranden, als gevolg van het naarstig speuren naar mooie stenen waar iedereen, zowel kind als volwassene, zich altijd onmiddellijk aan overgeeft. Voor het huis van mijn ouders in Ierland liggen tot op de dag van vandaag de stenen die mijn dochtertje verzamelde toen zij voor het eerst van haar leven een kiezelstrand bezocht. Zelf heb ik een selectie van wisselende samenstelling op mijn bureau.

Het is dus gemakkelijk te begrijpen hoe Jarman op een dag aan zijn tuin begon, door in een daar al bestaand perkje een baksteen te vervangen door een vuursteen die hij op het strand had gevonden; daarna verving hij geleidelijk andere stenen tot 'het bed er geweldig uitzag, als draketanden.' Vervolgens kwamen drijfhout en nog meer stenen, zorgvuldige selecties samengesteld uit verschillende kleuren, gerangschikt in cirkels en rechthoeken, een kruising tussen een mozaïek en een fantastisch landschap, bedacht als door een kind. En toen probeerde hij het met planten.

Hoe moeilijk het is een kuil te graven in kiezelstenen: het gat rolt meteen weer vol. Maar hij volhardde, vulde de kuilen met mest, zette de planten er in en liet het ze uitvechten zo goed ze konden. Iedereen die een tuin bij de zee wil maken zou zijn selectie van planten moeten proberen, het zijn duidelijk de sterkste. Het boek bevat een soort lofzang op de Crambe maritima, zeekool, een in dat deel van de wereld inheemse plant, met prachtige foto's, vanaf het eerste knopje dat in de lente verschijnt tot en met de opzienbarende zaaddozen.

De planten - santolina (heiligenbloem), salie, lavendel, gaspeldoorn en zelfs vlier - hebben de neiging te groeien in mooie grote pollen, in vorm gehouden door de wind. In Dungeness lijkt vlier, dat normaal uitgroeit tot een boompje, meer op een bodembedekker, een groot kussen (de plant op de voorgrond, op de illustratie, is er een). Deze vormen zijn buitengewoon bevredigend wanneer ze omgeven zijn door stenen.

Vervolgens zijn er de verticale elementen gemaakt van stukken drijfhout en een heleboel stukken roestig ijzer, meest overblijfselen uit de oorlog; daar is op het strand van Dungeness blijkbaar geen gebrek aan. Deze dingen slaan bij mij minder aan dan de stenen cirkels, hoewel ik kan begrijpen dat het verleidelijk is er iets mee te proberen.

Als je tussen de regels door leest krijg je de indruk dat de keuze van de planten aanvankelijk strenger was dan later. Er zijn een paar inheemse gewassen die goed aangepast zijn aan de daar heersende voorwaarden, zoals zeekool, slangenkruid, valeriaan. Dan zijn er andere die er nog min of meer uitzien of ze er horen, zoals klaprozen, korenbloemen en anjers, en tenslotte komen de soorten die afkomstig lijken uit een volkomen ander universum, waar Jarman bij aantekent dat 'gele narcissen tussen de kiezelstenen het meest surreëel zijn'. Zelf begon hij specialistische kwekerijen af te lopen en dingen te kopen als hybride helleborussen, die in mijn ogen uit de toon vallen tussen de stenen.

Als je naar de afbeeldingen kijkt dringt het tot je door hoe essentieel de verhouding tussen stenen en planten is; met teveel planten gaat het er uitzien alsof de stenen gewoon tuinpaden zijn, en daarmee wordt het banaal. Dat is het laatste wat je er nu van kunt zeggen. Sommige stukken, die met het drijfhout en de roestige stukken metaal, zien er werkelijk zeer vreemd uit, als een landschap in een film - een wat sombere, artistiekerige film - zonder veel aanknopingspunten met tuinieren. Wat het meest boeit is dat Jarman te werk ging zonder vooropgezette ideeën over het soort tuin dat hij wilde: het was de omgeving zelf die determineerde watvoor tuin hij kreeg - ongewoon, oorspronkelijk, mooi. Helaas, veel van het aanleggen van de tuin zoals beschreven in het boek correspondeerde met de evolutie van de ziekte - aids - waaraan Derek Jarman niet lang geleden is gestorven.

    • Sarah Hart