Jeugd

MARJOKE RIETVELD- VAN WINGERDEN: Jeugdtijdschriften in Nederland en Vlaanderen 1757-1942. Bibliografie; 384 blz., geïll., Primavera Pers 1995, ƒ 95.-

In een boekje waarvan ze zich later distantieerde omdat het veel te moralistisch was uitgevallen, viel Annie M.G. Schmidt het moralisme aan van veel opvoeders en/of kinderboekenschrijvers die het kind beschouwden als een willoos wezen waar men naar believen zijn boodschap per trechter in kon gieten.

Toen ze dat in 1954 opschreef, in de brochure Van schuitje varen tot Van Schendel, vormde haar werk het lichtende voorbeeld van een volstrekt ander, veel vrijzinniger soort kinderlectuur.

En hoewel er in de jaren zeventig in dit genre nog even een nieuw soort moralisme de kop opstak - de boodschap luidde toen dat men solidair moest zijn met de Derde Wereld en dat het heel goed was als je ouders gingen scheiden - is het regime van de opgeheven vinger nu allang niet meer aan de macht.

Hoe anders was dat in de periode die Marjoke Rietveld-van Wingerden bestrijkt in haar voorbeeldig verzorgde bibliografie over Nederlandse en Vlaamse jeugdtijdschriften in de twee eeuwen sinds de Haagse uitgeverij Wed. O. van Thol in 1757 begon met het Magazijn der kinderen, inhoudende “zamenspraaken tusschen eene wijze gouvernante en verscheide van haare leerlingen van het eerste fatsoen, in welke men de jonge leerlingen doet denken, spreken en zich gedragen elk naar haaren aart, getemperdheid en neigingen; de gebreken der jeugd en derzelver verbetering aangetoond worden”.

Het grootste deel van de meer dan 400 tijdschriften die ze beschrijft, was immers opgezet om de jeugdige lezertjes iets aan het verstand te brengen - van het missieblad Annalen van het Genootschap der Heilige Kindsheid dat nog in 1919 opriep tot het vrijkopen van heidense kinderen (“slaafjes en slavinnetjes”) voor ƒ 25 per kind en het in 1894 opgerichte maandblad De Hoop der Toekomst dat streed tegen drankmisbruik onder jongens en meisjes (“Wij zouden u zoo gaarne gelukkige en nuchtere menschen zien worden”) tot en met het vrijdenkersblad Het veldviooltje uit de jaren twintig van deze eeuw (“De bijbel is een boek als alle andere met vele menschelijke dwalingen, hier en daar zeer schoon, vaak onbegrijpelijk, onzedelijk, vervelend en in strijd met het verstand”). Geen wonder dat de auteurs in dit soort bladen voortdurend op de knieën gingen en zich vaak presenteerden als oom Joseph, oom Willem en oom Jan (in het maandblad Kind der Heilige Communie) of tante Anna, tante Fien, tante Jo en tante Louise (in het wekelijkse Kleuterblaadje).

Marjoke Rietveld-van Wingerden heeft voor de rangschikking van de feitelijke gegevens en de inhoudsbeschrijving een voorbeeld genomen aan de twee jaar geleden verschenen bibliografie Het Geïllustreerde Tijdschrift in Nederland van Joan Hemels en Renée Vegt, waarin het ook voor de niet-studieus ingestelde lezer aangenaam bladeren is - vooral door de rijkdom aan saillante citaten uit de geïnventariseerde tijdschriften.

Rietveld is daarin iets minder bedreven, maar gelukkig haalt ook zij heel wat curiosa aan.

Zoals de passage over de vierdelige serie artikelen over Adolf Hitler die in de jaargang 1938-1939 verscheen van het katholieke blad Mei: “Hitler wordt aanvankelijk vrij positief beschreven als iemand die een moeilijke jeugd heeft gehad, maar zich toch goed heeft ontwikkeld. In het laatste artikel wijst men vooral zijn partij af als zijnde vijandig tegenover de rooms-katholieke kerk en laakbaar vanwege het optreden tegen joden.”

    • Henk van Gelder