In steenrijk Brunei is zingen, dansen en drinken verboden

BANDAR SERI BEGAWAN, 29 JULI. Brunei bruist niet, hoewel daar dezer dagen alle reden toe zou zijn. De kleine oliestaat aan de noordpunt van Borneo, ingeklemd tussen de Maleisische provincies Sarawak en Sabah, is vanaf vandaag de gastheer van de 28-ste vergadering van de ASEAN, de associatie van Zuidoostaziatische landen en vormt het decor voor belangrijke ministeriële ontmoetingen op het hoogste niveau. Maar de honderden genodigden, die zich tussen de bedrijven door kunnen vergapen aan de glinsterende 22-karaats gouden koepel van de Omar Ali Saifuddin Moskee - de enige moskee ter wereld met een lift en een roltrap - vormen geen aanleiding voor enige levendigheid. Integendeel, in deze strenge moslimstaat blijft soberheid troef. Ook als er hoog bezoek is.

Een paar jaar geleden was dat wellicht anders geweest, maar Brunei is de afgelopen jaren van gedaante veranderd. Begin jaren negentig was het land nog een populair oord voor ontspanning, zaten de bars en café's vol en trokken Maleisiërs in het weekend naar de vermaarde Karaoke-clubs in de hoofdstad Bandar Seri Begawan. Sinds 1992 onderging Brunei een re-islamisering. Dansen en zingen in het openbaar zijn verboden, religieuze scholen en nieuwe tempels uit de grond gestampt. Ook werd Brunei drooggelegd: import en verkoop van alcohol zijn volledig aan banden gelegd.

Verantwoordelijk voor dit alles is Hassanal Bolkiah, de Sultan van Brunei. Al jaren staat hij bovenaan de lijst van grootverdieners. De besnorde monarch, die deze maand zijn 49-ste verjaardag vierde, verdient alleen al aan rente op zijn miljardenvermogen 60.000 dollar per uur, bezit 350 auto's, een eigen Boeing 727 en woont in een paleis met 1.788 vertrekken - 388 meer dan het Vaticaan.

Vandaag mocht hij de ASEAN-bijeenkomst openen. Naast Brunei omvat deze associatie, die in 1967 werd opgezet om een veilig en stabiel blok te vormen tegen het oprukkend communisme in de regio, ook Thailand, Maleisië, Singapore, Indonesië, de Filippijnen en sinds gisteren tevens de 'oude communistische vijand' Vietnam.

Brunei trad toe tot de ASEAN nadat zij definitief onafhankelijk was geworden van Groot-Brittannië in 1984. Sindsdien is Brunei uitgegroeid van een kleine, kwetsbare monarchie die leeft van olie en gas tot een volwassen en invloedrijke Aziatische staat die gekenmerkt wordt door politiek stabiliteit en een gezonde economie. Het hoofdelijk inkomen van de 276.000 inwoners van Brunei behoort met zo'n 25.000 dollar tot de hoogste ter wereld.

De nationale economie, en het vermogen van de sultan, leunen zwaar op de grote gas- en olievoorraden voor de kust. Door een samenwerkingsverband met oliemaatschappij Shell, dat aan de kust een eigen dorp heeft gebouwd voor honderden buitenlandse werknemers, ontvangt Brunei hieruit enorme inkomsten. Tot het eind van de jaren tachtig kon de regering daarvan ruimschoots aan al haar verplichtingen voldoen. Maar de afgelopen jaren is de stroom inkomsten minder geworden, deels door een daling van de olieprijs maar ook door het terugschroeven van de olieproduktie om de voorraad niet te snel op te maken. Naar schatting zit er nog voor zeker veertig jaar olie en gas in de Bruneise zeebodem.

Om zich voor te bereiden op de dag dat er plotseling geen druppel olie meer uit de grond naar boven komt, is Brunei al in het midden van de jaren zeventig begonnen met diversificatie. Maar de resultaten daarvan zijn tot nu toe uiterst mager geweest. Omdat het land voor driekwart bestaat uit jungle en bossen, zijn de mogelijkheden beperkt. Symbolisch genoeg bevindt het grootste alternatieve industrie-project van de Bruneise regering zich buiten haar landsgrenzen: in het noorden van Australië heeft de Sultan miljoenen geinvesteerd in een veehouderij die iets groter is dan Brunei zelf. De veehouderij levert al het vlees dat in Brunei verkocht wordt.

Zoals Brunei's toekomst zonder olie nog niet helder is, zo hinkt men op politiek terrein ook op twee gedachten. Volgens westerse diplomaten in Brunei zijn er twee kampen. Aan de ene kant staan de conservatieven die pleiten voor handhaving van tradities en de lijn die door de re-islamisering is ingezet. Tegenover hen staan de pragmatisten die Brunei willen ontwikkelen als de meeste andere ASEAN-landen: vrij en open, met een bloeiende economie en mogelijkheden voor buitenlandse investeerders. Hoewel de sultan geen kant kiest, liet hij in één van zijn spaarzame interviews wel weten dat er in zijn land absoluut geen plaats is voor islam-fundamentalisme. “Ik heb altijd gewaarschuwd voor de gevaren van Islam-fundamentalisme en ik zal nooit toestaan dat mijn mensen door extremistische religieuze krachten worden beinvloed”, aldus de sultan.

Daarmee lijkt hij iets meer aan de kant van de pragmatisten in het land te staan. Het feit dat de Brunei Solidarity National Party, 's lands enige politieke partij, dit jaar voor het eerst toestemming kreeg voor een inaugurele vergadering, wordt door diplomaten eveneens uitgelegd als een teken in die richting.