In 2000 kunnen we allemaal werken

Is het begrip volledige werkgelegenheid definitief verbannen van de lessen economie naar het geschiedenislokaal? Ik denk van niet. Wel zal echter aan dat begrip een andere invulling moeten worden gegeven; de jaren vijftig en zestig zijn echt voorbij.

In de afgelopen decennia is het aantal werklozen in ons land enorm gegroeid. Politici en economen stonden machteloos. Aanvankelijk werd een Keynesiaans beleid gevoerd. In het begin van de jaren tachtig maakte dit plaats voor een sterk op het aanbod gericht beleid, waarin matiging van de loonkosten centraal stond. Hoewel dit beleid zeker vruchten heeft afgeworpen - in de laatste tien jaar werd voor meer dan een miljoen mensen een baan gecreëerd - bleef de werkloosheid hoog. Een nog sterker groeiend aanbod van arbeidskrachten was daarvan de hoofdschuldige.

Momenteel lijken de mogelijkheden van dit aanbodgerichte beleid enigszins uitgeput. De SER concludeerde recent nog dat van loonmatiging weinig extra werkgelegenheid te verwachten is. De rek is er een beetje uit. Het hopen is op een sterke groei van de economie en daarmee van de werkgelegenheid. De voortekenen daarvoor stemmen echter niet erg optimistisch. De industrie worstelt met een enorm afzetprobleem en met concurrentie uit landen met veel lagere loonkosten. In de afgelopen jaren hebben we de gevolgen daarvan voor de werkgelegenheid kunnen waarnemen (Fokker, DAF, Philips, Hoogovens). Maar ook in de dienstensector is de toekomst niet erg florissant. Rationalisaties en vertrek van diensten naar, wederom, lage lonenlanden, mogelijk gemaakt door technologische vooruitgang, zullen in de westerse landen vele tienduizenden banen gaan kosten. Ook bij de overheid en de gepremieerde en gesubsidieerde sector is niet veel groei van werkgelegenheid te verwachten. De Rijksoverheid bijvoorbeeld heeft net de Grote Efficiëntie Operatie achter de rug en gaat zich concentreren op kerntaken. Begin juli nog kondigde het ministerie van OCW een groot verlies aan banen aan. De enige uitzondering op dit sombere beeld vormt de op de consument gerichte dienstverlening. Groei is waarneembaar in horeca, toerisme, recreatie, en andere op de persoonlijke dienstverlening gerichte activiteiten. Het is echter onwaarschijnlijk dat hiermee het banenverlies in andere sectoren kan worden gecompenseerd.

Mede als gevolg van het uitblijven van structurele ingrepen in de economie, is het beeld voor de komende jaren dat van een beetje 'doormodderen'. En daarmee lijken we aardig in de buurt te komen van het door het Centraal Planbureau in 1992 opgestelde Global Shift scenario. Dit scenario voorziet in een aanzienlijk aanbodoverschot in het jaar 2015. Ook het meer optimistische scenario, de balanced Growth, kent dan nog werkloosheid, zij het duidelijk minder. Blijvende werkloosheid dus en exit volledige werkgelegenheid? Nee, dat beeld is me te ongenuanceerd. Naar mijn mening zal de werkelijkheid er anders uitzien.

Om te beginnen zullen zich op afzienbare termijn tekorten op (delen van) de arbeidsmarkt gaan voordoen, ondanks de hoge werkloosheid. De reden daarvoor is van demografische aard. Het aandeel jongeren in het totale arbeidsaanbod zal sterk gaan teruglopen, de zogenaamde ontgroening. In een studie voor het ministerie van binnenlandse zaken hebben wij die ontwikkeling afgezet tegen de te verwachten vraag naar arbeid in verschillende leeftijdscategorieën, op basis van CPB-gegevens. Al rond de eeuwwisseling blijken zich grote tekorten te gaan voordoen aan jongeren. Juist op deze groep concentreert zich namelijk de vraag van werkgevers. Onder ouderen (boven de 35) neemt tegelijkertijd de werkloosheid toe, een gevolg van de vergrijzing. Deze ontwikkeling wordt nog versterkt door het steeds langere verblijf van jongeren in het onderwijs. Een verblijf dat overigens noodzakelijk is, gezien de steeds hogere eisen die aan arbeidskrachten gesteld gaan worden.

In de aard van de werkgelegenheid zullen zich eveneens veranderingen gaan voordoen. Nu al is een sterke tendens naar meer flexibele banen zichtbaar, zich bijvoorbeeld uitend in een enorme groei van de uitzendbanen. Alleen vorig jaar groeide de uitzendbranche al met 40 procent. Concurrentie-overwegingen en de aard van de werkzaamheden in de groeisectoren binnen de dienstverlening zullen de toename van flex-banen alleen maar bevorderen. Voor steeds minder werkenden zal de zekerheid van een nine-to-five vaste baan zijn weggelegd. Sommigen spreken over een de-jobbing van de westerse samenleving.

Blijven er grote groepen werkloze ouderen over. Voor hen staat het beleid eigenlijk al in de steigers. Zij zullen arbeid gaan verrichten die binnen de formele economie niet meer betaalbaar is, maar die om uiteenlopende redenen wel maatschappelijk nuttig wordt geacht. De huidige gesubsidieerde arbeid binnen banenpools en de recente regelingen van minister Melkert zijn hiervan voorbeelden. Overigens zal ook hierbij de persoonlijke dienstverlening een groeisector zijn. Via werkcorporaties, dienstenwinkels, arbeidsbonnen en dergelijke, wordt getracht een deel van het nu nog zwarte circuit (schoonmaak, oppas) weer binnen de grenzen van onze gereguleerde economie te trekken. Deelname aan dergelijke bezigheden zal steeds minder vrijblijvend zijn. Voor de groep die ook daar buiten valt is er het zogenaamde sociale activeringsbeleid, het vrijwilligerswerk, de zorg voor familie, voor oudere buurtbewoners en dergelijke. Rest een, naar verwachting nog grote groep arbeidsongeschikten.

Het beeld dat resulteert is dat van een groep 'gelukkigen' met een vaste baan, een groep die is aangewezen op meer flexibele arbeidscontracten, de groep die gesubsidieerde arbeid verricht en vele honderdduizenden die arbeidsongeschikt zijn. Daarbij zal een verwevenheid tussen de verschillende vormen van arbeid gaan optreden. Niet alleen zullen ze naast elkaar bestaan. Ook zal de wederzijdse afhankelijkheid toenemen. Nu al draaien verschillende bedrijven voor een groot deel op flexibele arbeidskrachten (Stork, AKZO, zelfs Shell!) en zijn bijvoorbeeld bedrijven in binnensteden erg blij met de toezichthoudende functie van stadswachten uit de banenpool.

Uiteindelijk zullen we in het begin van de nieuwe eeuw weer volledige werkgelegenheid kennen, maar dan met een veel heterogener arbeidsbestel dan in de jaren zestig. Een heterogeniteit die niet te zien is als tijdelijk. Gezien wederzijdse afhankelijkheid van de verschillende typen arbeid kunnen we mogelijk spreken van een structurele heterogeniteit, een begrip dat we tot nu reserveerden voor de beschrijving van Derde wereld-economieën.

    • Piet Renooy