Hoofdredacteur Tamarah Benima: Als joden weer met genocide worden bedreigd, haal ik de bijl onder mijn rok vandaan

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Iedere maand spreekt Frénk van der Linden met iemand die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht heeft in geloof, dood of liefde. Over deze drie kernthema's van het leven deze week een gesprek met Tamarah Benima, hoofdredacteur van het Nieuw Israelitisch Weekblad. 'Mijn belangrijkste religieuze eigenschap is twijfel'.

Tamarah Benima (45) werkte tot 1979 als fysiotherapeute, onder andere in West-Berlijn. Van '80 tot '85 was ze journaliste bij het Nieuw Israelitisch Weekblad, onder meer als correspondent in Israel. Tot 1988 werkte ze in Engeland voor een wetenschappelijke uitgeverij en gelijktijdig free-lance voor het NIW. In '89 ging ze Semitische Talen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Zij volgde begin 1992 de vroegtijdig overleden Mau Kopuit op als hoofdredacteur van het NIW. Foto Freddy Rikken

Laatst belde een lezer mij op: of ik dan niet blij was dat ik leefde. Ik had een artikel geschreven over problemen waar kinderen van joodse vervolgingsslachtoffers mee kampen. “Mijn ouders”, antwoordde ik die man, “zeiden dat voortdúrend: 'Blij dat we leven'. Zij ervoeren iedere dag als ontfutseld aan hun belagers.” Toen meneer aanhield, riep ik giftig: 'Pakt u pen en papier. Schrijf de namen van al uw familieleden op, streep vier van de vijf namen door. Schrijf de namen van al uw klasgenoten op, streep vier van de vijf namen door. Schrijf de namen van al uw vrienden op, streep vier van de vijf namen door. Doe dat met iedereen die u kent, en vertel me dan hoe je moet leven.'

Als ik uit het raam van het NIW-kantoor in Amsterdam kijk - het voormalige beth hamidrasj, het leerhuis voor getrouwde joodse mannen - zie ik een enorm parkeerterrein. Op die kale vlakte stond vroeger de joodse buurt. Dat is wat er is geworden van onze gemeenschap: een gat. De nesjomme, de ziel, heeft zich verstopt. Nederlandse joden leven in een lege sociale ruimte. Ik treur niet om de mensen die zijn vermoord - die heb ik niet gekend. Maar als ze in leven waren gebleven, zouden ze deel van mijn wereld zijn geweest. Als leraren, groentemannen, minnaars, buurvrouwen, werkgevers, huisbazen. Aardig, niet aardig, goeden, slechten: ze zijn verdwenen, verdampt. De Grote Moord heeft ons culturele en sociale weefsel vernietigd. De dertigduizend resterende joden in Nederland vormen geen coherente, pluriforme gemeenschap, al lijkt het van wel. Ik beschouw de Shoa als een atoombom, die een organisch gegroeid geheel heeft veranderd in een verzameling losse individuen. We delen een nachtmerrie, of de identificatie met Israel. Maar dat is niet genoeg voor samenhang.

Ik heb tal van contacten, ik bekleed een prima positie, maar joods gezien leef ik in een woestijn. Voor joodse kennis, analyse en inspiratie moet ik over de grens. Ik vind die bij de opperrabbijn van Engeland, bij een filosoof als Levinas, bij Amerikaans-joodse vrouwengroepen, bij Jesjajahoe Leibowitz. Híer is niets. Mijn eenzaamheid wordt vergroot door het besef dat ik een midden-Europese jodin ben. Ik hoor thuis in het Berlijn, Praag, Wenen, Boedapest van voor de oorlog. Tussen de geaccultureerde joden, die een eigen intellectuele, anarchistische, seculiere cultuur vertegenwoordigden. In Nederland voel ik me vervreemd, ontworteld.

Twintig jaar geleden ging ik in West-Berlijn wonen. Totale bevrijding: sociaal, emotioneel, seksueel, spiritueel. Mijn innerlijke knop werd omgedraaid. Het goddelijke manifesteerde zich - in mij. Vergeef me de onbeholpen woorden, maar het leek het enig ware, de absolute liefde, de bron waaruit alles voortkomt en alles weer in verdwijnt. Waarmee ik niet zeg dat God bestaat, want ik realiseer me dat alles zich afspeelde binnen mijn belevingswereld. Het kwam zonder trucs en drugs, zonder medicijnen en meditatie. Ik zeg altijd: 'God bij de afwas'. Het maakte deel uit van mijn normale bestaan. Als je zo functioneert, met een 'ziel', een echte, doet het er niet toe of je in een woestijn verblijft of in een waterput. Je bent aangesloten op het werkelijk werkelijke, je leeft vanuit een kern die je als je authentieke zelf ervaart, terwijl je weet dat je het juist helemaal niet zelf bent. Het hangt van paradoxen aan elkaar.

Na een maand of negen verdween de genade Gods. De bron viel droog. En opeens sloegen de poorten van de hemel met een rotklap dicht - dat kon ik 'zien' en 'horen'. De mystici spreken over de duistere nacht van de ziel. Jezus zei aan het kruis: 'Eli, eli, lama sabachtani'. Mijn God, mijn God, waarom hebt u me verlaten? Toen het mij overkwam, begreep ik waar dat gabbertje het over had. De ultieme wanhoop. Ik werd vervloekt - en ben het nog. M ijn innerlijk landschap, zoals ik dat noem, is joods. Joods zijn betekent: je erfgenaam en beheerder weten van een beschaving die - net als alle andere beschavingen - tot tweehonderd jaar geleden religieus was. Geef je de godsdienst op, leer je geen Hebreeuws meer, dan raak je ook het culturele erfgoed kwijt. In mijn achterhoofd zit continu de vraag wat het betekent om 'godvrezend' te zijn. Hoe gedraag je je als je een diep respect hebt voor God? Ik ben opstandig, een rebel, ongedisciplineerd; ik krijg mezelf niet meer in het keurslijf van de mitswot, de religieuze verplichtingen. Ik zorg ervoor dat melk en vlees gescheiden blijven, maar ik eet niet kosjer. Ik houd zo goed en zo kwaad als het kan Sjabbat, ik werk niet, probeer geen boodschappen te doen, niet te reizen. Maar ik doe alles zo inconsequent mogelijk - met opzet. Een principiële leefwijze kan je alleen in stand houden door een bepaalde vorm van agressie. Keihard afkappen wat niet volgens de principes is, dat wil ik niet. Zodra ik merk dat ik iets doe uit angst voor God, stop ik ermee. God heeft mij niet nodig als neurotische jodin.

Er zijn tijden geweest dat ik iedere vrijdagavond en zaterdagochtend naar sjoel ging, samen met mijn kleine nichtje. De afgelopen maanden ben ik er nauwelijks geweest. Omdat ik te moe ben, omdat zij niet wil, of omdat ik simpelweg niet weet welke synagoge ik moet kiezen. Ik ben lid van de Liberaal-joodse Gemeente, alhoewel de ideologie me tegen de borst stuit. De mens als uitgangspunt: ik vind het te flauw voor woorden. In theologisch opzicht stelt het niks voor. Op Hoge Feestdagen ga ik naar het orthodoxe sjoeltje in de Gerard Doustraat, maar door het jaar heen voel ik me daar intellectueel verschrompelen. Emotioneel ben ik er op mijn plaats; verstandelijk botst het. Die preken! Kromme tenen. Een tijdje terug had ik een clash met een orthodoxe rabbijn. Vreselijk, moet ik nog steeds van bijkomen. Dan hoeft het weer even helemaal niet voor me.

Ik ben lang op zoek geweest naar een joodse religieuze leraar. Begin jaren zeventig kwam ik in Jeruzalem terecht op een Beth Ja'akov, een religieuze hogeschool voor vrouwen. Het was er een ontzettend conservatieve toestand: in no time liepen alle meiden in dikke kousen en lange rokken. Mannen gaven vrouwen geen hand: misschien waren ze wel ongesteld! Toen ik daar achter kwam, nam ik onmiddellijk de beslissing weg te gaan. Ik had midden in de seksuele revolutie gezeten; die overgang kon ik niet maken.

Ik mis mijn spirituele meester. Een Soefi, maar niet islamitisch. Ontzagwekkende man, een van de grote geesten van deze eeuw. Hij stierf in 1990; ik was twaalf jaar zijn leerling. Ik ben volledig door hem gevormd. Zijn dood heeft ook ruimte geschapen. Ik spreek niet vaak over hem, want als je zegt dat je een spirituele meester hebt, zie je mensen denken: we dachten dat ze intelligent was, maar er zit blijkbaar toch een steekje los. Er worden direct tien punten van je IQ afgetrokken. Een stupide reactie: je mag àlles van anderen leren, behalve de meest essentiële zaken in het leven. Die word je geacht op eigen houtje te ontdekken. Terwijl het misschien wel zo is dat domme mensen domme spirituele leiders uitzoeken, en ik een intelligente.

Hoe sceptisch ik aanvankelijk ook was: op een gegeven moment zag ik dat zijn adviezen werkten. Hij heeft me leren schrijven, leren zingen, leren denken, geleerd wat vrijheid is, laten zien wat liefde van ouders voor kinderen kan zijn, wat vriendschap inhoudt, hij heeft me geleerd dat mijn belangrijkste religieuze eigenschap de twijfel is. En me teruggestuurd naar het jodendom. 'Meisje Benima', zei hij, 'als je daar niets mee doet, wordt het niks'. Hij zou ontzettend trots zijn op wat ik nu ben. I k ben een kind van ouders die één grote tegenstelling vormden. Vader: stropdassenfabrikant, introvert, anarchistisch, naar eigen zeggen een atheïst, maar juist door zijn rationalisme, zijn neiging alles te onderzoeken een uiterst spiritueel mens. Moeder: conservatorium-opleiding piano, orthodox. Ik vind haar type vroomheid een soort voorouderaanbidding. Extravert, ze staat het liefst midden op het podium van Carré om de wereld aan het zingen te brengen. Geestige mensen, allebei - met een somber kind. In mijn persoonlijkheid komen hun verschillende kanten bij elkaar, met alle schizofrenie vandien.

Ze leerden elkaar na de oorlog kennen. Mijn vader had ondergedoken gezeten bij katholieke bollenboeren, schatten van mensen, helden. Mijn moeder kwam uit een gemengd gehuwd gezin. Ze hoefde in de oorlog niet met een ster te lopen, maar heeft veel meegemaakt. Opgepakt met haar joodse vriend, vriend door de nazi's in het gezicht geschoten, met hem naar de gevangenis gesleept, urenlang verhoord, zij vrijgelaten, hij weggevoerd en niet teruggekomen.

Mijn ouders verloren samen ongeveer honderd familieleden. Ik was zes toen een hartsvriendinnetje tegen me zei dat mijn opa's en oma's waren vermoord. Ik stapte naar mijn vader: 'Waren het zulke slechte mensen?' In mijn ogen werden alleen schurken zo aangepakt. Mijn vader ontstak in woede en vertelde dat ze 'door de schoorsteen' waren gegaan. Ik keek naar onze zwarte kolenkachel, met een piepklein luikje bovenin, en ik probeerde me voor te stellen hoe je daar nou twee volwassen mensen in propt.

Voor mijn vader waren kinderen het tastbare bewijs dat hij had getriomfeerd over de Duitsers. Hij wilde een joodse vrouw, joods kroost, hij wilde tonen dat-ie het niet had afgelegd. Niettemin waren mijn ouders erg blij dat ze geen zonen kregen: die moest je laten besnijden, laten 'merken', en hun dilemma was of je dat kinderen mocht aandoen. Wie weet bracht de toekomst een nieuwe Shoa! Angst. Mijn zussen en ik werden eigenlijk opgevoed voor de volgende oorlog. We hadden een strandhuisje in IJmuiden, waar je als meisje van elf in je uppie naartoe werd gestuurd - zie het maar een week of wat te rooien. Heuse survival-training; onze omgeving sprak er schande van. Verder moest je per se een instrument leren bespelen, dan kon je altijd en overal geld verdienen. En mijn zusje kreeg de raad een motorjas te kopen als het weer op oorlog zou uitdraaien. 'Zo'n leren kledingstuk maakt je minder kwetsbaar voor kogels, je kunt er voedsel in verstoppen, erin slapen, hij helpt tegen de kou. Heb je geen geld meer, dan kun je hem verkopen.' Absurd-reële discussies hadden we aan tafel in Amstelveen.

Mijn jeugd was een 'emotionele ballingschap'. Aan de ene kant kregen we onbedoeld een groot wantrouwen jegens niet-joden ingeprent, aan de andere kant was er geen echte joodse kring meer om in op te gaan. Bovendien groeide ik op met ouders die zich op een bepaalde manier niet aan ons konden geven, omdat ze getraumatiseerd waren. Jíj moet lief zijn, jíj moet verdriet en vrees wegnemen; jij wordt geboren in de ouderrol. Tijdens de Cuba-crisis zei mijn vader dat hij zelfmoord zou plegen als de pleuris uitbrak. Hij wilde die ellende geen tweede keer doorstaan. Op hem konden wij als de nood aan de man kwam niet rekenen. Hij had zelf meegemaakt dat ouders geen protection konden bieden, hij was ze tenslotte óók kwijtgeraakt. Zijn streven was ons te leren overleven. Een uit onmacht voortvloeiende strategie. De intenties waren goed, maar als kind ben je bij voorbaat verlaten. D at het mis was met mij besefte ik eind jaren zestig. Ik - ogenschijnlijk een kerngezonde studente - werd ernstig ziek. Darmontstekingen. Ben ik bijna dood aangegaan. Er zat een psychosomatische component in: ik leidde een sociaal geïsoleerd en emotioneel gestoord leven. Naar de psychiater, begonnen met de ontrafeling. Ik worstelde met sterke bindings- en verlatingsangsten. Die raak je dus nooit meer kwijt; sindsdien in therapie.

Ik liet me toentertijd opleiden tot fysiotherapeute. In revolutionair Nijmegen. Ik was ontzettend fanatiek, een maoïstisch angehauchte dame: in tochtige nieuwbouwwijken collecteren ten bate van Angola, meedoen aan alle demonstraties, babytruitjes breien voor het Medisch Comité Vietnam, enzovoorts. Ik had een messianistische inslag, het socialisme was naar mijn oordeel een logisch verlengstuk van het jodendom. Dat draait toch ook om het verbeteren van de wereld, het bestrijden van onrecht en de compassie voor de zwakken?

Ik woonde samen, in een superlinks pand. Vanuit verschillende hoeken keken Lenin en Che Guevera je aan. In dat huis woonde een lid van het Palestina Komitee. Afschuwelijke discussies, maar ik steunde de Palestijnse strijd. En Arafat - die macho en intellectuele luiwammes van heb ik jou daar - was me nog te bourgeois. Na het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog verkondigde ik doodleuk dat de Palestijnse kinderen de geweren van de toekomst waren. 'Jij bent óf een antisemiet, óf behept met zelfhaat', schreeuwde mijn vader. Ik had gelijk, maar hij net zo goed. In die dagen dacht ik: terwille van de ethiek is het beter dat wij joden ons laten vermoorden dan dat wij moordenaars worden. Heel extreem. Nee, compleet geschift.

Sinds mijn bezoeken aan Israel en mijn correspondentschap daar zie ik het anders. De joden hebben achttien-, negentienhonderd jaar gepoogd in vreedzame coëxistentie te leven met niet-joden. Staan die niet-joden na alles wat er is gebeurd nóg een keer toe dat joden worden vermoord, dan doet het me geen barst als de rest van de wereld in de ondergang wordt meegesleept. Wij hebben de atoombom. Ik ben beslist geen reactionair, maar als joden opnieuw met genocide worden bedreigd, haal ik de bijl onder mijn rok vandaan. Waarom moeten wij het slachtoffer zijn? Forget it, no way. Het is genoeg geweest. En wat de Palestijnen betreft: indien ze Israel in vrede laten leven, kunnen ze een eigen staat krijgen. Van mijn part inclusief de Westoever. Als ze Israel daarentegen van de kaart willen vegen, dan de wereld maar de lucht in - dat kan me dan geen reet meer schelen. G od wat zag ik het allemaal goed, daar in Nijmegen. Die en die kant moest het op met de mensheid, dat en dat moest er gebeuren in de politiek... Maar mijn existentie was gebouwd op drijfzand. Ik was fundamenteel onzeker. Zelfs bij mijn vriend voelde ik me niet veilig. Die relatie moest wel in de soep lopen. Ik vertrouwde geen mens. Deep down was ik ervan overtuigd dat iedereen me uiteindelijk zou afwijzen.

Ik denk dat ik m'n vader verantwoordelijk stelde voor mijn problematische opstelling tegenover de buitenwereld. Op een gegeven moment had ik genoeg van mijn eigen paranoïa, en deed ik precies dat waarvoor hij me op de wereld had gezet: laten zien dat we als joden hadden overleefd. Ik zette alleen één stap extra. Ik verhuisde naar Berlijn, ik begaf me tussen de Duitsers. Hij schrok, kon het niet volgen - dát was niet de bedoeling.

Mijn vader was doodsbang dat ik verliefd zou worden op een 'mof', en dat hij op het huwelijksfeest van zijn dochter zou zitten met de vraag: wie van de aanwezigen heeft mijn ouders vermoord? Toch reisde ik af - wat zijn hart brak. Ik pleegde vadermoord. De twee jaar dat ik in Berlijn verbleef, sprak hij geen woord met zijn 'collaborerende' dochter. Ik begreep het wel, maar liet me toch niets aan hem gelegen liggen. Ik moest me van mijn spoken ontdoen. In Berlijn was ik happy: die stad bleek mijn geestelijke en fysieke thuis. Ik had daar gewoon moeten blijven.

Doordat ik in Duitsland mijn angsten en demonen leerde hanteren, kon ik me in de jaren tachtig - vooral bij het Nieuw Israelitisch Weekblad - met de positieve aspecten van het jodendom gaan bezig houden. Hoe turbulent en ondraaglijk mijn persoonlijk leven ook bleef, hoe slecht en verscheurd ik er ook bij zat, ik ben nooit gestopt met werken. Al bleek het succes geen tegenwicht voor mijn eenzaamheid. Alleen, alleen, alleen. Ik heb veel liefde ontvangen; toch heb ik me altijd alleen gevoeld.

Je ziet het bij veel joden van de tweede generatie: ze kunnen hun draai niet vinden, zoeken naar houvast, durven zich niet aan een ander over te geven. Ik ben relatie in, relatie uit, relatie in, relatie uit gegaan. Het wilde niet. Ik dacht dat het niet voor me was weggelegd, dat ik het niet waard was, of dat het me zou worden afgenomen. Kort geleden hoorde ik mijn moeder terloops zeggen dat ze zich nooit emotioneel bindt aan babies vóór ze drie maanden oud zijn, want ze heeft gezien dat haar nichtje van drie maanden naar de Gestapo is gebracht. Weer de Shoa. Een kind dat zo begint, gaat het leven in met het gevoel: ik had er helemaal niet moeten zijn, ik had beter dood kunnen wezen. E en beetje meer mazzel met mannen had ook geen kwaad gekund. Ik heb geleefd met een criminele Amerikaan, die zich op een gegeven moment omschreef als mijn privé-SS'er. Hij terroriseerde me, liet me regelmatig alle hoeken van de kamer zien. Eén keer ben ik op zoek gegaan naar een wapen dat hij ergens in huis had verborgen. Het was dat ik het pistool niet kon vinden, anders had ik hem misschien doodgeschoten. Simpelweg de deur achter me dichtgooien, kwam niet in me op. Ik meende dat niemand anders van me zou houden. Ik was overgeleverd aan een klootzak eerste klas tegen wie ik me niet kon verweren.

Mijn moeder sleepte me uit de narigheid weg. Ze heeft toen echt mijn leven gered. Ik heb mezelf natuurlijk afgevraagd waarom ik me liet slaan. In die tijd was ik geneigd om mee te gaan in de linkse theorie dat iedereen in bepaalde omstandigheden een nazi kan worden. Terwijl ik gewoon had moeten onderkennen: er zijn mensen die kiezen voor het kwaad. En die een intens, puur genoegen beleven aan het leed van anderen. Wellicht creëerde ik - totaal onbewust - een situatie die héél in de verte moest lijken op een concentratiekamp. Zodat ik kon testen wat mijn rol in zo'n drama zou zijn. Ik sluit dat niet uit. Wie kent zichzelf? Als ik echt iets wil weten, kan ik rücksichtslos zijn. Dan haal ik de raarste fratsen uit.

Maar mijn echte trauma is mijn abortus. Niets is zo hard bij me aangekomen. Ik was iemand die tot een half jaar voor haar zwangerschap vond dat ze maar beter geen kinderen kon krijgen. Wat had ik te bieden? Niets. Maar plots onstond dat sterke verlangen. Toen ik in verwachting raakte, bleek de man in kwestie het kind niet te willen. Hij heeft later toegegeven me letterlijk een abortus in te hebben gekletst. Het verlies van het kind ruïneerde mijn leven. Al het andere kan ik duiden, voor al het andere kan ik de betekenis vinden, maar wat de betekenis van mijn abortus mag zijn... geen idéé. Tot op de dag van vandaag begrijp ik er niets van. Ik weet wel dat het op de wereld zetten van een kind mij de kans op zelfverwerkelijking bood. Het is de meest ultieme manier van overleven. Daar werd genadeloos het mes in gezet. O p mijn 39ste dacht ik: bijna veertig jaar in de woestijn en geen bewoonde wereld in zicht. Maar zo langzamerhand haalt het buitenzetten van de emotionele vuilniszakken toch wat uit. En: de mannen hebben me in de shit gekregen, maar een paar hebben me er ook uitgetrokken. Door me dingen te geven. Een baan, eten in gourmet-restaurants, goede kleren. Eentje overtuigde me ervan dat ik mooi ben. Wat niet wil zeggen dat ik het bèn, maar het is wel handig als je dat idee hebt.

De afgelopen maanden is mijn leven wezenlijk veranderd. Ik heb een geliefde, een niet-jood, die door zijn werk alles van jodenvervolging weet en veel begrijpt van de joodse situatie. Neemt niet weg dat je tegen kleine, praktische complicaties oploopt. Salami in huis! Varkensvlees! Om van te gruwen. 'Als we ooit bij elkaar gaan wonen', heb ik gezegd, 'moeten we een kosjere en een treife keuken laten bouwen.' Merkwaardig: mijn vader at ook treife voedsel. Thuis hadden we aparte pannetjes voor hem. Wat dat betreft is de cirkel rond.

Mijn geliefde besloot direct na onze ontmoeting dat hij me wilde geven wat ik nodig heb: vriendschap. Hij was bereid die te schenken, óók als dat zou betekenen dat er geen seksuele verhouding, geen liefdesrelatie zou zijn. Zolang hij er is, zal me niets overkomen. Dat is wat ik steeds heb gewild: totale bescherming. Dat is ook waarom ik altijd wilde trouwen. Nu hoeft dat niet meer. Van deze man weet ik: hij blijft bij me. Eindelijk voel ik me safe.