Europese collega's vinden Nederlandse bonden maar doetjes

ROTTERDAM, 29 JULI. Het contrast was dit jaar schriller dan ooit. Terwijl de Duitse vakbonden begin 1995 het CAO-seizoen ingingen met een looneis van zes procent, probeerden de Nederlandse collegabonden net voorzichtig van de nullijn af te komen. En tegenover de massale stakingen die de Franse vakbonden net voor de verkiezingen afriepen uit protest tegen de flexibiliseringseisen van werkgevers, kwam in de Nederlandse bankensector een CAO tot stand waarin de bonden vrijwillig afzagen van loonsverhogingen en verregaande flexibilisering aanboden, in ruil voor behoud van werkgelegenheid.

De Nederlandse vakbonden worden door veel Europese collega's zacht uitgedrukt als doetjes beschouwd. In de strijd tussen arbeid en kapitaal, die zeker in de Zuideuropese landen nog vol overgave wordt gevoerd, zouden de Nederlandse bonden veel te snel het hoofd in de schoot hebben gelegd. Maar ook vakbewegingen in omringende landen als Duitsland en België - waar eveneens een behoorlijke arbeidsrust geldt - kijken soms nog vol verbazing hoe in Nederland de vakbeweging uit vrije beweging meedenkt over flexibilisering, versobering van arbeidsvoorwaarden en aanpassingen van de welvaartsstaat.

Gematigheid viert in Nederland al decennialang de boventoon in de besprekingen tussen vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. Stakingen zijn eerder uitzondering dan regel, al lijkt daar dit jaar met de acties in het streekvervoer en de bouw wel verandering in te zijn gekomen. Liever proberen bonden en werkgevers aan de onderhandelingstafel tot overeenstemming te komen. Dat geldt ook voor meer omvattende sociaal-economische onderwerpen zoals de aanpassing van het sociale zekerheidsstelsel. “Het is onze Belgische collega's maar moeilijk uit te leggen dat wij over zulke zaken willen overleggen”, zegt W. Wagenmans, binnen de vakcentrale FNV onder andere belast met Europese vakbondscoördinatie.

Die coördinatie, waarvoor binnen Europese vakbondsinstellingen al heel lang wordt gepleit, verloopt vaak uiterst moeizaam. Voor een belangrijk deel heeft dat te maken met de uiteenlopende ontstaansgeschiedenis van de nationale vakbewegingen en de opgebouwde relaties tussen werkgevers en werknemers. “Het verschil in arbeidsverhoudingen binnen Europa is evident”, stelt Wagenmans.

Dat verschil komt het scherpst tot uiting in de manier waarop conflicten rond arbeidsvoorwaarden worden uitgevochten. In Nederland worden voor een nieuwe CAO maar zelden harde acties gevoerd. “Het is niet onze cultuur om eisen met behulp van straatgevechten door te drukken”, zegt Wagenmans. Is er eenmaal een CAO afgesproken, dan houden de vakbonden zich (evenals de Duitse en de Belgische bonden trouwens) aan de zogenoemde 'vredesplicht'. Die houdt in dat de bonden gedurende de looptijd van de CAO geen stakingen uitroepen.

In de Zuideuropese landen is een dergelijke toezegging ondenkbaar, zo schrijft dr. J. Slomp van de Katholieke Universiteit Nijmegen in een artikel over arbeidsverhoudingen in internationaal perspectief. In deze landen zien de bonden “stakingen, niet onderhandelingen, als het belangrijkste middel om verbeteringen in arbeidsvoorwaarden af te dwingen. Ze wijzen de vredesplicht van de hand, want die houdt in dat de bonden de werknemers het enige wapen dat ze hebben, uit handen nemen.”

De Europese vakbonden verschillen niet alleen in hun opvattingen van overleg, ook de inzet loopt van land tot land sterk uiteen. De Nederlandse vakbeweging wordt ook op dit punt door collega-bonden veelal met onbegrip bekeken. De nadruk die in Nederland is komen te liggen op arbeidsduurverkorting, als middel om tot herverdeling van werk te komen, is in de meeste Europese landen nog ondenkbaar. Weliswaar maakt ook de Duitse en Franse vakbeweging zich sterk voor een kortere werkweek, maar om daarvoor loonsverhogingen in te leveren - zoals in Nederland onder andere bij de banken en bij Akzo Nobel is afgesproken - gaat deze bonden veel te ver. “De samenhang tussen loon en werk is in het buitenland moeilijk bespreekbaar”, aldus Wagenmans.

Dat Nederland hierin zo alleen staat, hangt volgens de FNV-er samen met de keuze van de Nederlandse vakbeweging om niet alleen voor het werkende deel van de achterban op te komen. Door met hoge looneisen op de proppen te komen, zouden de bonden de positie van de werkenden (de 'insiders') verbeteren. Hoge loonkosten zullen echter de uitstoot van arbeid bevorderen, zo redeneert de vakbeweging, waardoor er uiteindelijk alleen maar meer mensen aangewezen zijn op een uitkering (de 'outsiders'). Wagenmans: “In de Duitse vakbeweging is nauwelijks aandacht voor mensen zonder baan. Dat is duidelijk een insiders-organisatie.”

In Groot-Brittanië is die situatie nog extremer. Britse vakbonden zijn niet per sector georganiseerd, maar per beroepsgroep. Dat heeft er toe geleid dat binnen één bedrijf soms wel tien vakbonden tegelijk opereren, waarbij de belangen lang niet altijd gelijk oplopen. Een sanering die een deel van de onderneming of de sector treft, maar tegelijkertijd het behoud kan zijn van werkgelegenheid elders, is dan ook onbespreekbaar. Die versplintering, in combinatie met het keurslijf waarin oud-premier Thatcher in de jaren tachtig de vakbeweging wist te dwingen, heeft de Britse bonden zeer defensief gemaakt. Verlies van leden en een aanmerkelijke verzwakking van de financiële positie was het gevolg. Hoewel binnen de vakbeweging de afgelopen jaren de discussie over modernisering van de organisatie wel op gang is gekomen, is het wellicht al te laat om de trend nog te keren, schreef de Britse onderzoeker J. Waddington begin dit jaar in het Europese vakbondsblad Transfer.

De Britse vakbeweging staat niet alleen in haar zoektocht naar een nieuwe rol in de maatschappij. In alle Westeuropese landen (en sinds kort ook in de Oosteuropese gebieden) beraden vakbonden zich op hun positie. Noodgedwongen, omdat de tradionele achterban - de mannelijke kostwinner uit de industrie - steeds meer uitdunt en de populariteit van vakbonden onder vrouwen, allochtonen en werknemers in nieuwe sectoren zoals automatisering nog steeds zeer gering is. De enorme werkloosheid in Europa, die nu circa acht procent van de beroepsbevolking treft, maakt het voor de bonden bovendien steeds lastiger om zich alleen op de belangen van de werkende leden te richten.

De hardste klappen zijn gevallen in landen als Spanje en Frankrijk, waar de organisatiegraad sinds 1975 tot een kwart respectievelijk een derde is teruggelopen tot 10 procent van de beroepsbevolking. Ook in Nederland is de organisatiegraad sterk gedaald, van 38 tot 26 procent, al hangt die daling voor een deel samen met een bijgestelde definiering van de beroepsbevolking.

Pagina 12: Afkalving vakbonden op ongelukkig moment

Alleen de bonden in Scandinavië en de Belgische vakbeweging hebben de uittocht van leden kunnen voorkomen. In Denemarken is tachtig procent van de beroepsbevolking georganiseerd, in België is dat circa 75 procent. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat in deze landen de vakbeweging een prominente rol speelt in de verstrekking van sociale verzekeringen.

De afkalving van de organisatiegraad van de Europese vakbeweging komt op een slecht moment. Juist nu hebben bonden een sterke machtsbasis nodig, nu zowel vanuit de politiek als vanuit werkgeverskring steeds sterker wordt gehamerd op flexibilisering van arbeidsvoorwaarden en een versobering van de sociale zekerheid. Vakbonden die op hoog niveau mee willen discussieren over de herinrichting van nationale economieën moeten aannemelijk kunnen maken dat zij over een ruim maatschappelijk draagvlak beschikken.

Tegelijkertijd moeten vakbewegingen in de toekomst veel grensoverschrijdender kunnen opereren. Ondernemingen halen tegenwoordig met het grootste gemak produktiefaciliteiten over van het ene naar het andere land. Om zicht te houden op die ontwikkelingen moeten vakbonden met elkaar leren samenwerken. Uit het oogpunt van concurrentie is het voor Europese bonden bovendien raadzaam ook in gebieden als Zuid-oost-Azië en Oost-Europa vakbondswerk te stimuleren. Dat er banen vanuit het westen in die richtingen verdwijnen, is volgens de Nederlandse vakcentrales FNV en CNV een onontkoombaar gegeven. Maar wanneer in die landen de arbeidsvoorwaarden verbeteren, neemt uiteindelijk vanzelf de dreiging voor werkgelegenheid in Europa af, zo redeneren zij.

Tijdens het recente congres van het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) in Brussel bleek dat de coöperatieve opstelling van de Nederlandse vakbeweging voor veel defensiever ingestelde collega-bonden nog veel te ver gaat. Krachtenbundeling is weliswaar noodzakelijk, maar zal, zo vrezen zij, ten koste gaan van hun autonomie. Maar ook in Nederland loopt de theoretische bereidheid om internationaal samen te werken voor op de praktijk, bevestigt FNV-er Wagenmans. De verschillende bonden zouden in zijn ogen veel vaker direct contact op moeten nemen met collega's in het buitenland. “het Europese werk is voor de meeste bestuurders nog een ver-van-mijn-bed show.”