Een boekhandel in het Derde Rijk

HANS BENECKE: Eine Buchhandlung in Berlin. Erinnerung an eine schwere Zeit; 288 blz., Fischer Taschenbuch Verlag 1995, ƒ 25,20.

Anders dan in de voormalige Sovjetrepubliek waar produktie en verkoop van boeken in staatshanden was, bleef de boekhandel onder Hitler twaalf jaar lang functioneren volgens het kapitalistische systeem van vraag en aanbod. Uitgevers en boekhandelaren bleven zelf verantwoordelijk voor hun bedrijf. Binnen het bureaucratische keurslijf van organisaties die zich met de produktie en distributie van boeken in de Nieuwe Orde bemoeiden en die met hun fijnmazig netwerk van verboden en verplichtingen de boekhandel vast in hun greep hielden, was het voor boekhandelaren toch nog mogelijk lijdzaam verzet te bieden. Tot dusver was er over de geschiedenis van deze beroepstak gedurende het Derde Rijk weinig bekend. Een van de meer gedegen werken over een deel van dit gebied schreef Volker Dahm. In zijn Das jüdische Buch im Dritten Reich (2de druk, 1993) legde hij de nationaal-socialistische maatregelen tegen het joodse boek vast en daarnaast tekende hij de geschiedenis op van het joodse Schocken-Verlag, dat nog tot de Kristallnacht publikaties uitgaf. Een ander deel nam Jan-Pieter Barbian voor zijn rekening in zijn werk over de nationaal-socialistische literatuurpolitiek (1993). De dagelijkse praktijk in de boekhandel was tot dusver een schimmig gebied. Daar heeft de Berlijnse boekhandelaar Hans Benecke nu voor een deel verandering in gebracht. Zijn herinneringen, beschreven in Eine Buchhandlung in Berlin, maken veel van de alledaagse gang van zaken duidelijk en geven bovendien aan wat wel en wat niet mogelijk was binnen de gelijkgeschakelde boekenbranche. Zijn verhaal is een voorbeeld van dat van talloze andere collega's die zich niet zonder meer bij de partijvoorschriften hebben neergelegd.

Klantenkring

Benecke stamt af van een boekhandelsfamilie. Zijn grootvader werkte al in die bedrijfstak en boekhandel Amelang was in West-Berlijn een begrip. De winkel met leenbibliotheek en antiquariaat, was gevestigd in de Kantstrasse, op een steenworp afstand van de KaiserWilhelmGedächtnisKirche op de Kurfürstendamm. Amelang bezat een aanzienlijke klantenkring, voornamelijk bestaande uit het burgerlijke publiek afkomstig van de Berlijnse voorsteden en joodse en linkse intelligentsia.

Op een tak van zijn stamboom zat een joodse grootmoeder, maar dat verhinderde Benecke niet in 1930 nog vijf maanden lid te zijn van Hitlers NSDAP. Naar eigen zeggen uit sociaal idealisme. Daarna voelde hij zich meer aangetrokken tot de revolutionaire nationaal-socialisten van Otto Strasser, een afsplitsing van de NSDAP die al snel van het politieke toneel zou verdwijnen. De politieke activiteiten van Benecke namen daarmee eveneens af.

Ondanks zijn joodse afkomst lieten de nazi's na de machtsovername eigenaar en winkel redelijk met rust. De bruine revolutionairen hadden het te druk met de opruiming van de 'volksvijandige' joodse, communistische of religieuze boekhandels. Vlak na het inwerkingtreden van de Reichskulturkammerwet in 1933, werden aanvankelijk zelfs nog joodse uitgevers en boekhandelaren binnen de organisatie opgenomen. Die bleken toen nog 'volks-economische' belangen te dienen. Pas in 1935 werden de joden successievelijk uit het boekenvak gewerkt. Vanaf dat moment behoorde ook Benecke met zijn joodse grootmoeder tot de bedreigde beroepsgroep. Om de boekwinkel te mogen behouden was het noodzakelijk een bewijs van arische afstamming te hebben, die terugging tot het jaar 1800. Zijn vader, Henry Benecke, kon toen nog maar met de grootste moeite een officieel uitstel bemachtigen.

Schrikgoden

In 1937 overleed hij, na kort daarvoor nog twee dagen doorgebracht te hebben in de Gestapo-gevangenis aan de Prinz-Albrecht-Strasse, het meest beruchte adres van Berlijn. Tijdens een oud-strijdersbijeenkomst zou hij enige geringschattende woorden aan het regime hebben gericht. Zoon Hans nam de zaak met zo'n dertig werknemers over. Als niet-ariër bleek dat geen eenvoudige opgave. In juni 1939 lukte het hem dispensatie te krijgen, maar wel met de toevoeging dat deze onmiddellijk zou vervallen als hij zijn taak als boekhandelaar in het Derde Rijk zou verwaarlozen.

Die taak vatte Benecke anders op dan zijn schrikgoden van hem verlangden. Toen SA-lieden met zwarte lijsten in de hand boekhandels wilden zuiveren van 'ontaarde literatuur', had Benecke al zelf een selectie gemaakt en vast een stapeltje lectuur klaargezet. Hiermee wist hij te voorkomen, dat de stormtroepers zelf de boekenvoorraad doorkamden en zo meer schade zouden berokkenen. Ondanks het verbod op talloze werken, bleef er nog een redelijk breed spectrum over van literatuur die een 'innere Emigration' mogelijk maakte. Toen het voor joden na de Reichskristallnacht van november 1938 niet meer mogelijk was om theater, film of een concert te bezoeken, boden boeken nog een vorm van verstrooiing of een geestelijk rustpunt. Amelang bleef hen via tussenpersonen voorzien van boeken. Benecke moet echter tot zijn schande bekennen dat ook hij er op een gegeven moment niet onderuit kon om het gehate bordje 'Joden niet gewenst' aan de winkeldeur te hangen. Vrijwel alle winkels in de buurt rond de Kurfürstendamm werden hiertoe gedwongen. Hier niet aan meedoen zou ongetwijfeld nieuwe acties van de SA hebben betekend. Wanneer daarbij opnieuw zijn niet-arische afkomst boven water kwam, zou dat zeker onteigening en een verblijf in het concentratiekamp Oranienburg tot gevolg hebben gehad. Paradoxaal genoeg betekende het bord voor Benecke bescherming. Zo kon hij de verkeerde aandacht afleiden, zijn joodse klanten helpen en verboden literatuur onder de toonbank verkopen.

Toch moest Amelang ook nationaal-socialistische lectuur verkopen. Goebbels deed er alles aan om nieuwe volkse dichtkunst te propageren. Niets was hem daarvoor te dol: ieder jaar waren er grote manifestaties als boekenweken. Aan de lopende band vonden dichtersbijeenkomsten en lezingen plaats en zijn ministerie was scheutig met literaire prijzen. Het publiek liep er niet echt warm voor, volgens Benecke. Woorden als volks, boerendom, bloed-en-bodem, arisch, noords, bloedoffer en dergelijke wisten de bevolking niet op te zwepen tot een gloeiend enthousiasme. Toch lijkt het applaus en de uitgelaten juichkreten tijdens de veelvuldige toespraken van Hitler of Goebbels, eerder op het tegendeel te wijzen.

Spengler

Maar Benecke kijkt natuurlijk naar het publiek dat bij hem in de winkel kwam. Een boek als Mein Kampf bijvoorbeeld werd al in grote hoeveelheden door de verschillende nationaal-socialistische instanties cadeau gegeven. Dat was in de zaak geen bestseller. De hoogste bestelling die hij kon noteren op dat gebied was een biografie over Hermann Göring door Gritzbach. Het boek, dat overigens ook in het Nederlands tijdens de bezetting werd uitgegeven, vond ook gretig aftrek bij andersdenkenden. Benecke had enigszins het excuus dat er bij hem in de buurt een winkel was van het nationaal-socialistische Eher-Verlag, waar klanten voor de bruine boeken terechtkonden. Meer belangstelling had zijn lezerspubliek voor vertalingen, die de Duitse uitgevers nog tot ver in de oorlog op de markt brachten.

Benecke schreef een waardevol egodocument, dat een interessant aspect van een bewogen tijd toont. Boeken boden troost en sommigen putten er moed uit om verder te leven. Zeker ook toen de Berlijnse bevolking tweemaal per dag een verwoestend bommentapijt verwerken moest. Wat storend werkt in zijn verhaal is het verontschuldigende commentaar dat nogal vaak opduikt. Benecke heeft iets te nadrukkelijk de neiging zich als de beschaafde 'goede' boekhandelaar te manifesteren. Een voorbeeld daarvan is het voorval dat hij beschrijft uit 1943. Voor Duitsland was op dat moment de Götterdammerung al aangebroken. Plotseling verschenen enkele keren achter elkaar enige SS-officieren in zijn winkel en vroegen naar een exemplaar van Spenglers Untergang des Abendlandes. Spengler was al kort nadat Hitler aan de macht was gekomen wegens een al te kritische houding in ongenade gevallen. Zijn werken mochten niet meer worden herdrukt, maar wel antiquarisch worden verkocht. In de ondergangsstemming was er kennelijk ineens behoefte aan Spenglers pessimistische boek. Maar Benecke schrijft dan: “Natuurlijk was het boek voor deze heren niet voorhanden”. Dat is net te veel.

Eén vraag blijft onbeantwoord. Waarom werd de nering van de niet-ariër Benecke zo lang geduld, terwijl de zaken van duizenden lotgenoten werden geariseerd en de eigenaren emigreerden of in de kampen verdwenen. Hij kan hier zelf alleen maar naar gissen. “Wellicht overleefde ik alleen omdat ik voor militaire dienst ongeschikt was verklaard”, licht hij toe. Midden in de jaren vijftig had hij een antwoord kunnen krijgen. Toen liep de voormalige SS-Hauptsturmführer Karl Thulke zijn winkel binnen. Thulke was destijds leider van de afdeling boekhandel van de Reichsschrifttumskammer en als zodanig verantwoordelijk voor vele sluitingen. Inmiddels was deze Thulke weer in het boekenbedrijf actief. Benecke was verbijsterd en wees hem de deur. Thulke verbaasd: “Maar ik heb u destijds toch uw gang laten gaan”.

Na de oorlog ging het boekhandel Amelang veel minder voor de wind. Benecke slaagde er niet meer in adequaat in te spelen op de veranderingen van de tijd. Hij vestigde zich later als antiquaar.