De binnenlanders zinnen op wraak; Schuld en boete in de Betuwe

Na de dreigende watersnood van dit voorjaar is het mededogen van de autochtonen met de import voorbij. De Waaldijken moeten hoger, tegenspraak wordt niet meer geduld. Er wordt gedreigd met verzuipen en kapot-schieten. De actievoerders van toen zijn ondergronds gegaan. Oorlogsretoriek en martelaren. Bericht uit de polder.

Op de Waalbanddijk bij Zennewijnen liggen platen gaatjesstaal. Kiepauto's storten er hun lading klei, die door geel met zwarte caterpillars tot een egale, luie helling wordt geschoven. Zo maak je dikke dijken, zegt Joep Papo, een oude scharrelboer op klompen die de scherpe diesellucht opsnuift als was het de geur van geborgenheid.

Papo gromt tevreden, maar even later kookt hij van woede. “Dit had twintig jaar eerder moeten gebeuren.” Maar lui van drie-hoog-achter uit de stad, artiesten en andere dijkvogels, hadden twintig jaar met de wrake gods gespot door de dijkverzwaring te saboteren met inspraak, bodemprocedures, bezwaar- en schotschriften.

“Zij zijn schuldig. Zij hebben hier die ramp veroorzaakt!”

“Ramp?”

“Ja... het hoge water.” Papo schopt een kiezel van de dijk; zijn besproete gezicht trekt. “Kapotschieten moeten ze ze! Kapotschieten.”

E r klìnken schoten in de Betuwe, dit voorjaar voor het eerst bij de klokketoren van Varik. De kogels (of was het hagel?) kwamen vermoedelijk uit de loop van een jachtgeweer en misten doel. Het waren slechts waarschuwingsschoten, maar toch: schoten.

Aan het dreigement waren tien jaren van schermutselingen vooraf gegaan. In het begin keek niemand ervan op, want het ging om losse incidenten. Als in de winter de rivieren zwollen dan nam in de dorpen achter de dijk het bidden en het vloeken toe - dat was altijd al zo geweest. Regende het zwaar in het Zwarte Woud of dooide het in Davos, dan zoog de dijk zich vol en sijpelde er kwel door het dijklichaam. Maar dat heette overlast.

De Waalbanddijk mocht dan weke plekken hebben, statig en mooi was-ie! Een slinger van groen zonder begin en zonder einde, zo leek het, die het landschap verdeelde in uiterwaarden, met her en der een strang of kil en de enige mooie fabrieken die er zijn, steenfabrieken, en aan de andere kant oeverwallen met daarop dorpen, kerken en bongerds. In de loop van de eeuw hadden zich huizen en café's tegen het steile talud gevleid; sommige waren er tegenop geklommen.

Om dit bekoorlijke landschap te bewaren had de schilder Willem den Ouden in de jaren tachtig stukken rijshout met slierten landbouwplastic langs de dijk geplant. De 'rouwvanen' - ter markering van bordjes met versregels van een bevriende dichter - waren een stil protest tegen de onafwendbare komst van de bulldozers.

“Wie weet hebben ze daar godbetert nog subsidie voor gekregen ook”, foeteren de boeren nu nog. Op een nacht waren de bordjes met de gedichten tsjak tsjak met een bijl in stukken gehakt.

“Ik schrok geweldig”, vertelt de kunstenaar in de tuin van zijn dijkhuis bij de klokketoren van Varik. “Zoveel geweld dat daaruit sprak!”

Willem is een kunstenaar zoals je ze tegenwoordig nog zelden ziet. Praat hij over schoonheid, dan kroelen zijn vingers van puur enthousiasme door zijn grijze krullen. De rivier is voor hem een wonder; de dijk een tribune om te genieten van opspattend licht, tien kleuren groen tegelijk, de daken van Dreumel. Bavink is hij, het schilderende Titaantje van Nescio die zijn vuist hief naar de rode zon aan de kim, en vloekte 'God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit'.

Tweeëndertig jaar geleden waren hij en zijn vrouw Ferry rijdend over de dijk verliefd geworden op de bloesembomen en de Ruysdael-luchten. Ze waren er gaan wonen. Strubbelingen met de dorpelingen heeft hij nooit gehad, maar dat neemt niet weg dat Willem doorgaat voor een excentriekeling. Zijn tekeningen van verten zijn minder bekend dan zijn rebellie tegen liniaalrechte dijken met luie hellingen.

Samen met een fotograaf had hij een tentoonstelling gemaakt over de op handen zijnde gedaanteverwisseling van het rivierenland. “We wilden niet dat de mensen later zouden kunnen zeggen: Wir haben es nicht gewut.”

Maar sinds de bijna-ramp is hij zondebok-bij-uitstek. In de nacht na Hemelvaart schrokken Ferry en Willem wakker van springend glas en mokerslagen. Acht ruiten waren ingeslagen, en in de brievenbus stak een rotte vis.

“Een platte of een bolle?” vroeg de dorpsagent de volgende morgen.

“Een platte. Hoezo?”

“Dan is het een beraamde actie”, sprak de politieman beslist. “Een zeevis spoelt hier niet aan, die moet je eerst kopen en dan thuis laten bederven.”

De schilder durft zijn huis niet meer uit, zelfs niet om een brief te posten. Rondom zijn erf heeft hij prikkeldraad uitgerold, maar dat was een paar nachten later doorgeknipt. Hij had stemmen gehoord, was rechtop in bed gaan zitten en had naar buiten geschenen met een zaklantaarn. “Ik heb niemand gezien. Geen portieren horen slaan. Het mòeten mensen van het dorp zijn geweest.”

“Dat geloof ik niet”, zegt Ferry.

“Het kan niet anders... Twee stemmen, heel rustig, geen portieren.”

“Dat zegt niks, zoiets doe je nu eenmaal niet in dolle drift.” Ferry kraakt walnoten van een boom die ze dertig jaar geleden op het dijktalud heeft geplant. Het is de laatste oogst want de boom moet wijken voor de dijkverzwaring.

“...die nacht dat ze met die moker die ruiten insloegen hebben we ook geen auto gehoord.”

“Willem... alsjeblieft!”

Het huis van Willem en Ferry - met een dak van riet en een deur zo laag dat je moet bukken om binnen te komen - is van dichtbij niet zo lieflijk als het vanaf de dijk gezien lijkt. Tussen het vingerhoedskruid in de tuin is een draadje gespannen. “Als je dat aanraakt, gaat er iets gillen”, zegt Willem. Kom je nog dichterbij, dan springen met een plop! de gevellampen aan en sta je in een douche van licht.

Als binnen de telefoon rinkelt, neemt Ferry op met een voorzichtig en fluisterzacht Hallo?

“Kapotschieten moeten ze jullie”, briest een van de naamloze bellers soms in de hoorn. “Kapotschieten!”

Of, als de uiterwaarden onder water staan: “We gaan jullie verzuipen”.

Of: “Liquideren”. Dat vind ik eng, zegt Ferry, dat is geen Betuws woord. Nee, dan nog liever 'Ik waarschouw oe, ik schiet oe van de dijk'.

Bij de bakker en in de wachtkamer van de fysiotherapeut kijken de Varikers weg van het schilderspaar, of ze groeten ze besmuikt. Is er verder niemand bij, dan zijn de dorpelingen dapperder. “Je mag toch wel een mening hebben?” zeggen ze met oprechte verontwaardiging. De glaszetter weigert stug om arbeidsloon in rekening te brengen, terwijl de PTT welwillend instemt met de verplaatsing van de brievenbus. Toch is er maar één geboren en getogen Betuwnaar die het openlijk opneemt voor de schilder èn zijn zaak, en dat is wethouder Aart Kusters.

Het najagen van absolute zekerheid door de dijken almaar te verhogen vindt hij een illusie. “We hebben één fantastische zekerheid en dat is de dood”, zegt Kusters. Ook hij krijgt anonieme bellers aan de lijn. “We gaan eerst Den Ouden verzuipen en daarna komen we bij jou”, krijgt Kusters soms te horen.

“Telefoontjes doen geen pijn”, zegt de wijkagent sussend.

Maar op een avond, Willem en Ferry zaten net te eten, sloegen er kogels in het dak. Een buurman had een auto met gedoofde lichten zien wegrijden. “Diezelfde avond zijn we gevlucht”, zegt Willem. “Liepen we daar in het donker met de katten in een mandje door Varik te slenteren...”

H et protest tegen de schilder en de zijnen was laat op gang gekomen. Er sluimerde al een hele poos onvrede in de nieuwbouwwijkjes achter de dijk, maar dat zou pas gaan spatten en schuimen tegen de tijd dat de Waal z'n hoogste stand bereikte en de polder hals over kop moest worden ontruimd. Wat begon met het protest van enkelen is uitgegroeid tot een volksbeweging, met een baron aan het hoofd.

Als eersten kwamen de dijkbewoners zelf in opstand. Zij waren opgegroeid in onzekerheid. Vanaf 1958 was er doorlopend sprake geweest van de uitvoering van het Deltaplan voor de Rivierdijken, en niet alleen sprake: ieder voorjaar verschenen de landmeters. Ze tuurden door hun teodolieten naar stokken met zwart-rode strepen, maar tegen de tijd dat de kersen rijp waren vertrokken ze weer en bleef alles bij het oude.

Tien, soms twintig jaar al hadden de dijkbewoners zitten wachten op een schadeloosstelling. Onder het motto 'in de brand uit de brand' wilden ze van dat geld achter de dijk een bungalowtje van gele baksteen bouwen. Hoe lang al niet droomden ze van een rotstuintje met een waterval en een vijver? En nu stond er een artiest op die hun woninkjes wilde sparen omdat-ie ze zo mooi vond!

Het had even geduurd eer de schilder begreep wat zijn buren bezielde. Soms, als hij erin geslaagd was een paar dijkhuisje van de ondergang te redden, dan kreeg Ferry anonieme stemmen aan de lijn. “Jullie hebben ons handen vol geld gekost. We zullen het jullie betaald zetten.”

Lidy Schut, van de Waalbanddijk nummer 62, kan die reactie maar al te goed begrijpen. Zelf heeft ze al jaren niets meer aan haar huis gedaan in de zenuwslopende afwachting van de bulldozers. “Een verfje, een fris behangetje, je stelt het telkens uit. Je denkt toch: het is weggegooid geld.”

De dijkbewoners toonden zich calculerende burgers. In de afgelopen decennia braken ze alvast honderd huizen af tussen Tiel en de brug bij Zaltbommel. De rest verkrotte. Geen Betuwnaar die er wat voor geeft, want de dijk, dat is ook nog eens de rafelrand van de samenleving. Daar wonen de griendwerkers en de arbeiders van de steenfabrieken, die stijf staan van de reuma vanwege hun levenslange gevecht tegen het vocht.

Alleen buitenlanders willen ondanks het ongerief veel geld voor een dijkhuis neertellen. Een buitenlander in de Betuwe is, ongeacht de kleur van z'n paspoort of z'n huid, iedereen die er niet is geboren. Het kunnen pottebakkers zijn, of politici, of cardiologen, vaak met een pied à terre in de grote stad. Gretig maakten de Betuwnaren plaats voor deze import, want wie er een premie-A woning voor terug kan kopen, is die niet spekkoper?

Voor Lidy Schut kan de dijkverzwaring niet snel genoeg beginnen. Maar keer op keer trokken de buitenlanders aan de rem met een barrage van bezwaarschriften. Toch begon Rijkswaterstaat, heel inventief, de dijk aan te snijden en wel in tranches van net geen vijf kilometer tegelijk, om geen rapporten te hoeven schrijven over de schade aan het milieu. De schilder pikte dat niet en stapte met zijn geestverwanten naar de rechter, die hem eind vorig jaar in het gelijk stelde. Maar de uitspraak - die het Deltaplan met twee jaar extra dreigde te vertragen - bracht het dijkvolk hevig in beroering.

De dijkgraaf stelde geschokt vast dat de wet niet deugt, wanneer één enkel individu door er een beroep op te doen, een waterwerk van gemeen belang kan lamleggen. Mede namens haar buren schreef Lidy een brief aan de minister: “Speel niet langer met onze levens”. Ze hield een enquete onder zo'n vijfhonderd buurtbewoners, en die bleken het voor 90,2 procent eens te zijn met de stelling dat veiligheid belangrijker is dan de procedure. Lidy vond steun bij de fruit- en veeboeren, die dijken willen en geen gebakkelei, en bij de levensmiddelentechnoloog dr. Van Meeteren, met wie ze samen de Stichting Dijkverbetering Levensbelang oprichtte.

Van Meeteren draagt een lefdoekje en rookt pijp. “De Betuwe is een kruitvat met een heel kort lont”, zegt hij.

Vier maanden na de kortstondige volksverhuizing is de streek nog altijd niet de oude. Toen het peil begon te zakken, waren de dorpelingen teruggekeerd naar de polder. Ze haalden hun bankstellen van zolder en gingen over tot de orde van de dag. Het decor was ongewijzigd, maar de bevolking gedroeg zich anders dan voorheen. Er was een burgemeester die verkondigde dat de tegenstanders van de dijkverzwaring 'koudgesteld' dienden te worden. Er waren woedende boeren die zeiden dat ze de minister van landbouw wel konden vermoorden als hij ze niet voor de volle honderd procent schadeloos zou stellen. En de man die op tv een vinger langs z'n keel trok, als antwoord op de vraag wat er met die schilder van Varik moest gebeuren, werd als een held op de schouders genomen.

T ot vreugde van de een en verdriet van de ander was ook de baron zich met de zaak gaan bemoeien. Meester Otto Willem Arnold van Verschuer, Kamerheer van Hare Majesteit de Koningin, een der founding fathers van het CDA, lange tijd voorzitter van de ANWB en een gelegenheidsjager, leidt een niet onopgemerkt bestaan in de heerlijkheid Mariënwaerdt in Beesd. Hij kan uitspraken doen waar iedereen beduusd van stilvalt. Zo placht hij te zeggen dat “de adel tot de meest gediscrimineerde groepen van Nederland behoort”. Omdat de baron in de jaren zeventig als gedeputeerde van Gelderland een kingsize dijk had laten bouwen bij Brakel, zag de dijkbeweging in hem haar natuurlijke leider.

Brakel is een beladen woord in het dijkdebat. Wie Brakel zegt, zegt bulldozer, zegt sloop, zegt tranen, zegt trauma. De waterkering van Brakel, waarvoor het hart van het dorp gesloopt moest worden, is al eens genoemd een ramp nu ter voorkoming van een ramp later. Op het spreekuur van de dorpsarts meldden zich jaren na de gedwongen dorpsverhuizing nog steeds patiënten met vage, psychosomatische klachten. Tot in Den Haag zijn de gezagsdragers doordrongen van het debâcle van Brakel, maar de baron is onverminderd trots op zijn dijk. En zijn volgelingen zijn trots op hem: “In Brakel hoefden de mensen tijdens het hoge water hun huizen niet uit”, merkt Van Meeteren op.

Baron Otto van Verschuer wimpelt al enige tijd journalisten af. “Bij mij zijn geen ruiten ingegooid”, zegt hij korzelig over de telefoon. “Dat dat bij die schilder wel gebeurt schijnt te zijn, daar heb ik niets mee te maken.”

Hij heeft het over “buitenlanders die de pet opzetten van natuur en milieu om hun privé-belangen te behartigen”. Voor de kunstenaar van Varik voelt hij geen greintje sympathie, en ook geen medelijden. “Waarom zou ik?” zegt hij. “Door telkens zijn mond open te doen roept Den Ouden het noodlot immers zelf over zich af.”

N iets of niemand kan de dikke dijk nog tegenhouden. De wilgen zijn dit jaar niet geknot maar gekapt. Bulldozers staan klaar om de dijk schoon te vegen van huisjes, schuurtjes en duivekotten. En bij Zennewijnen, pal voor het huis van Joep Papo, is het geschuif met klei in volle gang. Zelf mag hij blijven wonen waar hij woont, maar zijn buurman Kees moet wijken, en dat verdomt hij. “Waar haalt hij het lef vandaan?” vraagt Papo zich af. Kees is kraker nota bene. Import. Een snoeier in het fruit... Met een vies gezicht wijst hij naar de nok van een boerderijtje achter de dijk.

Om dit bouwval van golfplaten en scheefgezakte pannen wordt gestreden als was het een bruggehoofd in bezet gebied. Dat was het ooit, en dat dreigt het opnieuw te worden. In het huis van kraker Kees woonde vijftig jaar geleden de verzetsman Leen Papo - een familielid van Joep.

In de laatste maanden van de oorlog, toen de Duitsers het boven-Waalse nog in handen hadden en de geallieerden zich aan de overkant van het water samentrokken, peddelde Leen tientallen reddeloze para's naar bevrijd gebied en nam infiltranten mee terug. Geruisloos, met jute onder zijn klompen, sloop hij langs de Duitse mitrailleursnesten naar zijn roeiboot, die hij in de grienden had verstopt. Jongensboekenheroïek, waarvoor hij later een lintje zou krijgen van Prins Bernard.

Om 'de roeier van Zennewijnen' te eren, maar vooral om het huisje van Kees te sparen, had Willem den Ouden een standbeeld gemaakt van Leen Papo, die met roeispanen en al vijf meter boven de dijk uittorent. Het verzetsmonument getuigt van vrijheid en het recht van spreken. Voor wie het zien wil geeft de held van toen een knipoog naar de autoriteiten van nu. Met andere woorden: de sculptuur van staal en polyester staat er om de buigzaamheid te testen van het waterschap, dat in de Betuwe het polderdistrict heet, of kortweg 'de polder' - iets wat net zo ontzagwekkend klinkt als 'de kerk'.

Wethouder Aart Kusters had in het gemeentebestuur gevochten voor het monument. Het was een troefkaart, want niemand zou de roeier tegen het hoofd durven stoten. En inderdaad, de polder stond een perkje grond af voor een symbolische gulden.

Op 5 mei was het gevaarte in het bijzijn van de burgemeester en de dijkgraaf onthuld. Een feest kon je het niet noemen - daarvoor hing er teveel elektriciteit in de lucht. Ging het om de dijk of ging het om de held? De kunstenaar en de wethouder zwegen wijselijk over hun opzet. Iedere roep om behoud van het karakteristieke landschap was eind januari gesmoord in het wassende Waalwater. Wie nu nog pleitte voor het sparen van dijkhuisjes was gevaarlijker dan een bisamrat.

Onverwacht en tot onsteltenis van het polderbestuur sprak de burgemeester van Tiel zich uit. “Dat boerderijtje van Leen Papo blijft staan”, deelde hij mee.

“Dat gaat zomaar niet. De provincie...”, wierp de dijkgraaf tegen.

De burgemeester liet hem zijn zin niet afmaken. “Laat de provincie maar in Arnhem blijven”, zei hij. “We maken er een museumpje van.”

Maar zes dagen later verkocht de polder de grond onder de voeten van kraker Kees aan Joep Papo, met de belofte dat het waterschap de 140 vierkante meter schoon zal opleveren. Joep wil op die historische plek een garage bouwen. En elke week informeert de bejaarde roeier - Leen Papo leeft en woont in Wassenaar - of z'n geboortehuis er nog staat.

D e Betuwnaar is van nature niet moordlustig, zo verzekeren de leden van het dijkencomité, maar hij laat niet met zich sollen. Vooral de boeren zijn Den Ouden beu. Een fruitteler uit Heesselt zegt: “Persoonlijk vind ik hem een sympathieke man, maar dat durf ik niet hardop te zeggen. De sfeer onder de boeren is totaal verziekt.”

“Die dijk die ligt er niet om mooi te wezen!” zegt een tuindersvrouw uit Opijnen. In minder woelige tijden waren haar zoon en dochter geportretteerd door Den Ouden, maar sinds hij “de boel zit op te juinen” kan de kunstenaar in haar ogen geen goed meer doen. Ze vraagt zich woedend af hoe een volk van dijkenbouwers, dat over de hele wereld te hulp schiet bij rampen, zijn eigen mensen kan laten verzuipen.

De schilder en zijn vriend de wethouder zouden de schuld zijn van het leed van de boeren. Zij sturen immers 'de hinkende hond' op je af, dat wil zeggen, ze jagen je op kosten. Door hun vrome strijd voor landschapsschoon stijgen de waterschapslasten, en die drukken het hardst op boerenschouders.

De landbouwers dreigen het recht in eigen hand te nemen. In mei was wethouder Kusters tegen een muur gedrukt en fysiek bedreigd, nota bene in de pauze van een vergadering van het polderbestuur. De schilder zelf zegt dat hij al eens ternauwernood opzij is gesprongen voor een auto die hem wilde scheppen.

Moet hij vrezen voor zijn leven? Bernard Hiddink, provinciaal secretaris van de standsorganisatie van boeren, denkt hardop: “Ik hoor wel eens geruchten... Tja, er hoeft er natuurlijk maar eentje tussen te zitten... Mensen helpen elkaar wel voor minder naar de andere wereld.”

Als boerenvoorman vangt Hiddink veel wanhoopssignalen op. Betuwnaren noemt hij binnenvetters, die niet met hun leed te koop lopen. Een handvol heeft hij sinds het hoge water moeten doorverwijzen naar de psychiater. Hij kent nuchtere types die zichzelf ineens niet meer in de hand hadden; veehouders die net als hun koeien en fokzeugen in de stress schoten - met alle gevolgen van dien.

Echt grimmig werd de stemming toen een medestander van Den Ouden, ook een kunstenaar-in-verzet, kort na het hoge water op zijn gezicht werd geslagen. Zijn verbrijzelde neus en blauwe oog zagen er akelig uit, maar dat weerhield de dorpelingen er niet van om de dader met bloemen en jenever te huldigen. Baron Otto van Verschuer ging een stap verder. Die verkondigde in een praatshow op tv dat het slachtoffer strafrechtelijk vervolgd diende te worden “wegens het uitlokken van geweld”.

Er volgde een daverende stilte. Het leek wel of de streek haar adem inhield, net als in de dagen van de bijna-ramp. Aart Kusters was zich rotgeschrokken van het fragment. “Het slachtoffer tot dader maken! Deden de Duitsers dat destijds niet ook met de joden?”

De PvdA-wethouder is de enige binnenlander in het kamp van de schilder. Hij stamt uit een rood nest van arbeiders uit de steenfabriek, die thuis Het Vrije Volk lazen, naar de VARA luisterden en op de SDAP stemden. Vroeger, als de grootgrondbezitter van Ophemert voorbij kwam, sprong zijn vader in de berm en bleef daar stokstijf staan met z'n pet eerbiedig in de hand. “Zoiets bakt emoties in de ziel van de mens”, zegt Kusters.

Is het toeval dat ook de schilder is grootgebracht met socialistische liederen ('O morgenlicht, uw heilig schijnen...') en optimistische affiches van rode banieren en rokende schoorstenen?

Willem den Ouden zegt dat er zich in de Betuwe genoeg stof ophoopt voor een eigentijds Novecento, het filmepos van Bernardo Bertolucci over de escalerende rood-bruine tegenstelling in Italië aan het begin van de eeuw. Er zijn ook verschillen. De roep om het behoud van wat verkwanseld dreigt te worden is progressief geworden, terwijl de baron (“die toch oog zou moeten hebben voor traditie en cultuur”, zegt Kusters) nog altijd zijn dijk bij Brakel verdedigt. Maar de ingrediënten voor een film zijn aanwezig. Zo weigert de wethouder de baron een hand te geven met de woorden: “Ik ben verdomme geen horige”.

In februari had de baron in een huis-aan-huis verspreid pamflet gewaarschuwd tegen 'actievoerders die bezig zijn uw veiligheid te ondermijnen'. In maart kondigde de extreem rechtse partij CP'86 een fakkeloptocht aan in het naburige Wadenoijen, met 'Dijken nu!' als inzet. De mars van de kaalkoppen werd tot opluchting van velen verboden, maar de schrik zat er goed in. Linkse activisten vonden hakenkruizen op de deurmat.

“Als dit zo doorgaat”, zegt Willem den Ouden, “dan krijgen we Balkan-achtige taferelen in de Betuwe.”

Zijn vrouw Ferry is nuchterder, maar ook zij is verontrust over het regime van de noodwet. Om het werk in twee in plaats van tien jaar te klaren, zijn de rechten van het individu beknot. Nog altijd mag iedereen protest aantekenen tegen de sloop van zijn huis, of de onteigening van zijn tuin, maar in het kader van de inderhaast uitgevaardigde Deltawet Grote Rivieren laten de polder, de provincie en de Raad van State bijna per omgaande een 'niet ontvankelijk' horen. De tijd van mededogen is voorbij. Ferry denkt dat er een ontwrichte samenleving achterblijft als straks de dijken zijn verzwaard.

“Dit is pas het begin”, beaamt Willem. “Er zal een golf van ontreddering over de mensen komen.”

“De polder duldt geen enkele tegenspraak meer”, zegt Aart Kusters. “Het bestuur gedraagt zich als een krijgsraad. Iedere deserteur verdient de kogel.” De boeren in het bestuur waren woedend over een pleitbrief van de wethouder, waarin hij de dreigende sloop van het dijkpand van Leen Papo 'een schande' noemt. Nu het huis van de roeier toch tegen de vlakte moet, hebben de wethouder en de schilder harde koppen gekregen.

Dijkgraaf Jaap de Jongh in Geldermalsen, het regionale centrum waar de treinen stoppen, is echter onvermurwbaar. “Heeft u dat huisje gezien?” vraagt hij met rechte rug, steunend met zijn vingers op de tafelrand. “Nou dan!” Hij mompelt dat het krot van asbestplaten aan mekaar hangt. “Het polderbestuur vergelijken met een krijgsraad - dat geeft geen pas.”

De Jongh windt zich op, iets wat niet zijn gewoonte is. Hij is een vaderfiguur, die bescherming wil bieden aan alle mensen. Een vertegenwoordiger van het gezag die zich bewust is van zijn macht en aanzien, dat wel.

“Ik voel me soms net een dominee”, zegt de dijkgraaf. “De kunst is rustig blijven wat er ook gebeurt.” De laatste tijd bezorgen de verhalen over glasgerinkel en bedreigingen hem wel eens een onheilsgevoel, maar tegelijk vraagt hij zich af of Den Ouden niet de martelaar uithangt. “Ik weet het werkelijk niet”, zegt de machtigste man van de polder.

Kraker Kees moet voor het einde van de zomer het geboortehuis van de roeier van Zennewijnen hebben ontruimd. Het zou zonde zijn van zijn meubelen als hij daar geen gehoor aan geeft, zo liet de deurwaarder doorschemeren. Maar, zegt Kees, ze zullen hem uit zijn dijkhuis moeten slépen. Ook hij heeft een harde kop gekregen.