De beste botanici ter wereld

BIRUTÉ M.R. GALDIKAS:Reflections of Eden; My life with the Orangutans of Borneo; 408 blz., geïll., Little, Brown/Gollancz 1995, ƒ 57,75

De intelligentie van orang-oetans is moeilijk te peilen. Volkomen onterecht zijn deze roodharige mensapen van Sumatra en Borneo lange tijd voor apathisch en passief versleten. Maar hun uiterlijke onbewogenheid gaat samen met hersenwerk op primatologisch topniveau. De kenschets door een onderzoeker in een dierentuin geeft het aardig weer. Hoe reageren de verschillende mensapen op een schroevedraaier die een verzorger per ongeluk in hun verblijf heeft achtergelaten? Een gorilla zou hem na een wantrouwige inspectie nagenoeg negeren. Een chimpansee daarentegen duikt extravert op het gereedschap, en gebruikt het op allerlei inventieve manieren - anders dan een schroevedraaier. Een orang-oetan krijgt het gereedschap vanuit de ooghoeken meteen in de gaten, maar veinst het niet te zien - opdat de verzorger zijn fout niet ontdekt. Als die er toch achter komt, pakt de orang-oetan de schroevedraaier bliksemsnel, om hem pas af te staan in ruil voor een overdadige hoeveelheid voedsel. Blijft de fout onopgemerkt, dan wacht de aap de nacht af en gebruikt dan de schroevedraaier om sloten open te peuteren of weloverwogen meteen maar zijn hele verblijf af te breken.

Stoïcijns en afstandelijk als ze zich voordoen, zijn orang-oetans misschien wel de intelligentste mensapen. Dat is wonderlijk: op het eerste gezicht lijken zij met hun eenzelvige, puur vegetarische leefwijze in het wild weinig aangewezen op sociale intelligentie of handig werktuiggebruik. En zo liggen er meer vragen. Het is dan ook een groot moment: onlangs verscheen Reflections of Eden, waarin pionier-onderzoekster Biruté Galdikas terugblikt op haar verblijf tussen de orang-oetans van Borneo. Het is het lang verwachte deel dat de mensaap-trilogie volledig maakt.

Eerder gaven Jane Goodall (In the Shadow of Man, 1971, Through a Window, 1990) en Dian Fossey (Gorillas in the Mist, 1983) een persoonlijk getint, toegankelijk verslag van gedragsonderzoek naar mensapen in het wild. Sinds 1960 bestudeert de hoogst Engelse Jane Goodall de oostelijke chimpansees van het Nationale Park Gombe in Tanzania. De Amerikaanse Fossey richtte zich vanaf 1967 tot zij in 1985 vermoord werd op de berggorilla's van de Virunga vulkanen van Rwanda. En de Canadese Biruté Galdikas heeft zich vanaf 1971 bezig gehouden met de Borneo orang-oetans van het Nationaal Park Tanjung Puting.

Wat hen tot een drievrouwschap verbond, is het ontstaan van hun onderzoeksprojecten. De Engels-Kenyaanse palaeo-antropoloog Louis Leakey was de geestelijke vader van hun onderzoek. Galdikas 'kreeg' de Borneo orang-oetan, een soort waarop andere onderzoekers zich eerder de tanden hadden stukgebeten.

Voedselkennis

Galdikas koos voor dezelfde aanpak als die van haar collega's: het met eindeloos geduld en inspanning langzaam laten wennen van de dieren aan menselijke aanwezigheid. De boombewoners bleken sterk gehecht aan hun privacy, maar uiteindelijk - nadat Galdikas bekogelingen met stukken boomstam overleefd had - lukte het. Met gevoel voor detail beschrijft Galdikas achtereenvolgens individuele dieren en hun sociale relaties - ongeveer gelijk verdeeld over de wilde dieren en die waarmee zij in het basiskamp Camp Leaky leeft. Daarbij gaat het om gestroopte dieren van deze zwaar bedreigde diersoort, die in beslag zijn genomen en weer langzaam worden gewend aan een bestaan in het wild.

Pas tegen het einde van haar boek brengt ze haar gegevens onder in een breder beeld van deze bosbewoners. Een van de sleutels tot hun intelligentie blijkt juist hun schijnbaar saaie vegetarische leefwijze. Eten staat voor orang-oetans centraal - voor andere zaken blijft weinig tijd. Daarvoor is een fenomenaal, ordenend geheugen nodig voor fruitbomen, de tijden wanneer ze vrucht dragen en hun verspreiding. Orang-oetans maken gebruik van zo'n vierhonderd verschillende voedselbronnen, en zijn 'de beste botanici ter wereld'. Jonge dieren krijgen van hun moeder een gedegen en langdurige opleiding in voedselkennis mee. Het gebruikelijke geboorte-interval is acht jaar - het langste voor welke primaat ook.

De vrouwelijke dieren blijven meestal in één gebied, terwijl de reusachtige volgroeide mannelijke dieren - de 'cheekpadders' - rondtrekken, en elkaar via langdurig roepen in de gaten houden. Met af een toe een levensgevaarlijk gevecht, maar veel vaker omtrekkende bewegingen op afstand. De dieren blijken elkaar individueel uitstekend te kennen, ook al mijden ze elkaar meestal - met een geheugen waarin de uitkomst van een eenmalige ontmoeting jarenlang opgeslagen blijft.

Zulke gegevens laten zich pas aan het einde van het boek distilleren. Reflections of Eden is soms storend egocentrisch getint, anders dan de boeken van Goodall en Fossey. Aanvankelijk denkt de lezer in een autobiografie over Galdikas verzeild te zijn. Omstandig legt Galdikas uit waarom zij gezien haar familie-achtergrond 'geboren' was om orang- oetans te bestuderen. Het is allemaal onderdeel van een groter, maar niet nader benoemd geheel. Wanneer ze eenmaal met haar man, fotograaf Rod Brindamour afreist naar Borneo wordt het interessant. Met een beeld van een jong echtpaar dat aanmoddert in het drassige regenwoud - in armoe, een vervallen hutje, jarenlang op een dieet van rijst en ingeblikte sardines. Onder de zweren en ten prooi aan moeraskoortsen, is het in een steeds terugkerende strijd gewikkeld om fondsen en behoud van het reservaat.

Galdikas doet er mooi afstandelijk over: de permanent aanwezige muskieten krijgen maar één zinnetje, en ook over het in de regentijd tot aan haar nek waden in het moeras doet ze niet moeilijk. Het regenwoud is volgens haar dan ook vergelijkbaar met de Hof van Eden. Het kenmerkt haar wat spirituele toon. Aan de ene kant staat zij met beide benen stevig op de van bloedzuigers vergeven grond, met een scherp oog voor de primaire drijfveren van orang-oetans (eten en seks) en die van mensen (status en seks). Daarnaast heeft ze een wat mystieke inslag. 'Eden' komt vaak terug als metafoor; in de ogen van een volwassen, serene orang-oetan man die alles onder controle heeft ziet zij God; de nadruk waarmee zij haar chimpansee en gorilla collega's als engelen bestempelt suggereert sterk dat zij zich diezelfde status toemeet.

Huwelijksproblemen

Galdikas concentreert zich op de eerste jaren van haar project. Dat is jammer, want zij zit er inmiddels meer dan twintig jaar. In hoofdstuk zestien zijn we pas in 1975 beland. Dan zijn we ook uitvoerig op de hoogte van alle huwelijksproblemen van het jeugdige jungle-echtpaar. Het tweede titelonderdeel had wat dat betreft ook kunnen luiden: My life - and the Orangutans of Borneo. Tenslotte volgt een dappere inhaalpoging, en wordt nog snel een en ander over orang-oetans op een rij gezet. Maar dan nadert het boek al zijn eind, en het blijft bij te weinig.

Net als orang-oetans, is Galdikas zelf ook wat eenzelvig - in wetenschappelijk opzicht. Zij is wat laat met haar boek. Fossey en Goodall waren nog vrijwel pioniers. Galdikas is al zo lang bezig, dat intussen ook andere onderzoekers met gedegen onderzoeksgegevens over de orang-oetan zijn gekomen. Een ernstig gebrek aan haar boek is dat zij hierop niet ingaat. Sommige collega's noemt ze kort. Andere, zoals de Nederlander Herman D. Rijksen, die inmiddels een enorme staat van dienst heeft opgebouwd met tientallen jaren van orang-oetan onderzoek en bescherming, negeert ze. En wie hun inzichten en verschillen van mening er op wil na slaan, staat met deze uitgave, die het boek der orang-oetan boeken zou moeten zijn, met lege handen. Een literatuurlijst ontbreekt.

Dat is niet verstandig. Galdikas kan wel wat goodwill onder haar collega's gebruiken. In toenemende mate is haar werk de laatste jaren onder vuur komen te liggen. Ze publiceerde weinig, en haar aanpak van rehabilitatie wekte de indruk averechts te werken. Tanjung Puting zat waarschijnlijk aan zijn draagvermogen; Galdikas zelf maakt duidelijk dat hongersnood periodiek een rol speelde. Niettemin heeft zij er met veel inspanning meer dan honderd dieren uitgezet. Zij laat nu de kans liggen om die handelwijze van alle kanten te bekijken, en voor een deel revanche te halen op criticasters.

Galdikas zit als natuurbeschermende lastpost Indonesië in de weg; de uitverkoop van de natuur op Borneo is de laatste jaren pas goed op gang gekomen. Tegelijkertijd doet de sfeer onder primatologen denken aan een ouderwetse apenrots waarop men elkaars plekje misgunt. Met de internationale kritiek door vakcollega's wordt het de Indonesische regering makkelijk gemaakt Galdikas het onderzoeksrecht te ontzeggen.