“Bekijk de distel eens vanuit het insekt”

In de stad leven niet alleen mensen en auto's. Het wemelt er van de dieren: reigers, ratten, wespen, vleermuizen. Er groeien allerhande bomen en struiken, bijzondere en doodgewone planten. Er is, kortom, veel natuur in de stad. Acht afleveringen, dit is de eerste.

“Het gaat misschien wat ver om dit nog natuur te noemen”, zegt Arie Koster, doctorandus biologie en stadsecoloog, verbonden aan het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Wageningen. Hoewel, voegt hij eraan toe, je moet het ruim zien. “In grassen waar voor een leek weinig aan is af te zien, krioelt het van de wantsen en kevertjes.” We zitten op een terras aan een drukke straat in Leiden en zien hoe een dapper plukje gras staat te groeien aan de voet van een verkeersbord. Kosters specialisatie is de entomologie, de leer der insekten. En omdat het leven der insekten onlosmakelijk is verbonden met dat der planten, weet hij ook daarvan veel af.

Er zijn 1.500 wilde plantesoorten bekend in Nederland, en daarvan komt tweederde in de stedelijke omgeving voor. Aan een willekeurige kademuur in een grote stad kun je ten minste honderd verschillende planten aantreffen. Zoals moerasplanten, koninginnekruid, wolfspoot, wilgeroosjes en allerlei muurvarens en grassen. “Misschien staat er bij u in de buurt wel een distel. Die zou u eens moeten bekijken vanuit het oogpunt van het insekt. Er zijn tientallen soorten die ervan leven. Vlinders gebruiken de bloem, om de nectar, kevers eten van het blad, sommige insekten hebben de wortel nodig, andere eten van de zaden. En is hij afgestorven, dan zijn er nog weer andere soorten die erin overwinteren. Met een bereklauw idem dito.”

Stadsecologie omspant meer dan alleen de bebouwde kom met zijn tuinen, parken, kerkhoven; ook de rand van de stad is interessant terrein. Over wat bijvoorbeeld geluidswallen, landgoederen, stadsbossen of forten en vestingwerken te bieden hebben aan natuur doet Koster verslag in zijn mooie geïllustreerde boek De Groene Omgeving. De stedelijke natuur zou in Kosters optiek een belangrijk wetenschapsgebied moeten worden, niet alleen wegens de grote diversiteit aan biotopen en plant- en diersoorten maar ook wegens de functie die de stad heeft als refugium.

Nog een heel eind in deze eeuw speelde de natuur zich vooral buiten de - compacte - stad af; in de ruigte, in het boerenland met zijn boerensloten. Nu zijn de steden fors uitgebreid, zijn overal snelwegen aangelegd, is het landschap versnipperd en zijn natuurgebieden geïsoleerd geraakt, is er sprake van intensieve landbouw en eisen chemische bestrijdingsmiddelen hun tol. Soorten sterven uit. De beesten zijn van hun milieus afgesneden, gedecimeerd. In de grotere steden is er daarentegen de laatste jaren veel groen bijgekomen. “Allerlei plekken worden aan hun lot overgelaten: verlaten industrieterreinen, spoorwegemplacementen, overhoeken rond fabrieken. Nu kunnen er in stedelijke gebieden soorten overleven”, zegt Koster. “De stad is oase geworden.”

Koster berekende zo'n vijftien jaar geleden op grond van een literatuurstudie dat Nederland 20.000 soorten insekten rijk is, duizenden kever- en vliegensoorten, duizenden soorten wespen - sluipwespen, graafwespen - honderden en honderden soorten bijen en ongeveer honderd libellesoorten. “Vroeger zag je in stadsparken en siertuinen veel esthetisch groen, afrikaantjes en zo, nu is het heel gemêleerd. In dat groen overleeft zeker de helft van het totale aantal insektensoorten. Ook kritische soorten, die hoge eisen stellen aan het milieu. Hoogzomersoorten als maskerbijen vind je er, en veel vlinders.”

Tuinen met voegen in het plaveisel, stapelmuurtjes en rietmatten, zijn favoriet bij bij en wesp. Er zijn stadstuinen gevonden waarin tientallen bijensoorten voorkomen. “Wilde bijen komen gewoon in de stad voor, waaronder de honingbij die uren achtereen op één soort bloem kan vliegen.” Sterker nog, door de decimering van de 'drachtgebieden' worden volken honingbijen vaak in een stedelijke omgeving geplaatst, waar de kans op chemische bestrijding van plaaginsekten en onkruiden geringer is. De stad kent dan ook steeds meer imkers.

En dan zijn er de graafwespen, die gangetjes graven waar ze eitjes in leggen. Ze zijn gespecialiseerd in het opruimen van allerhande vliegjes en luis. Met de 'limonadewesp' zoals Koster het insekt noemt waarvoor iedereen bang is, inclusief de andere insekten zelf, hebben die graafwespen niets te maken. “Er zijn schitterende insekten, zoals de wolbij, die vaak als wesp worden geïdentificeerd. Of zweefvliegen. Als je lijkt op een gevaarlijke soort, is dat goed voor je overleving. Er zijn boktorren die lijken op graafwespen en zich net zo zenuwachtig gedragen. De limonadewespen hebben die nerveuze energie ook, die zijn nu druk bezig de kolonies te verzorgen. De mannetjes steken niet, de vrouwtjes wel.”

Ook de hommel is typisch voor de stad. “Hommels zijn net kleine teddybeertjes. Ze zijn goedaardig, je moet ze wel ongelooflijk treiteren willen ze je iets doen.” Om te weten te komen of iets wat lijkt op een limonadewesp (of op een andere angeldrager) het ook werkelijk is, moeten we de rust nemen om te kijken of zo'n beestje twee (dan is het een vlieg) of vier vleugels heeft (een wesp of bij), adviseert Koster.

Valt het met al die rijkdom aan flora en fauna dus wel mee met de milieuverontreiniging? Nee, waarschuwt Koster. Aan het stadsklimaat moet veel verbeteren. Het is te droog, er is te veel troep in de lucht. Op ernstig vervuilde terreinen is het vaak een lusthof van planten en insekten, maar het is hetzelfde verhaal als met de DDT. Aan het eind van de voedselketen zijn de grotere (zoog)dieren de dupe.

Kort na het gesprek met Arie Koster eet ik 's avonds aan de oever van de Amstel, in hartje Amsterdam. Een kleine wesp (ik zie toch werkelijk twee paar vleugels?) vliegt aan en af; met zorg snijdt hij minieme stukjes vet uit, vliegt ermee weg, om bliksemsnel weer terug te komen. Ergens vlakbij moet dus zijn kolonie zijn. Altijd bang geweest voor die krengen, maar nu - heus waar - bekijk ik hem met andere ogen.