Allemaal rotzakken bij de NRC

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Vijf vadem diep (1969)

Mijn tandem-genoot in de Tour de Vestdijk wil niets weten van, zoals hij het noemt, biografische wellusten. Toch zou hij, diende hij Vijf vadem diep te bespreken, moeilijk onvermeld kunnen laten dat Vestdijk in deze roman ervaringen verwerkte die hij opdeed in de periode dat hij als redacteur kunst en letteren van 1938 tot 1939 aan de NRC verbonden was. Erg gunstig kunnen die ervaringen niet geweest zijn. Treiteraars en pestkoppen, dat waren blijkbaar in Vestdijks tijd de mannen en vrouwen die toen de redactielokalen bevolkten. Eén zijner hoofdpersonen zegt over de redactiestaf: “Het zijn daar allemaal grote lullen.” Vestdijk beschrijft de hoofdredacteur van de krant als een boosaardige, op macht beluste rotzak. Alleen al, kortom, vanwege dat ontluisterende beeld van de toenmalige redactiestaf van de NRC verdient Vijf vadem diep een krachtige aanbeveling.

Vijf vadem diep is het verhaal over een journalist die contact maakt met zijn voorganger bij de krant en ontdekt dat de vrouw van zijn voorganger indertijd zijn vader verpleegde op diens sterfbed. Gaandeweg wordt duidelijk dat de vrouw de vader heeft 'geholpen' bij het doodgaan. Lang, kortom, voordat het onderwerp euthanasie in de mode kwam, schreef Vestdijk daar een roman over. Goed, hij was niet de eerste die dit heikele onderwerp aansneed. Willy Corsari had in De man zonder uniform al uitvoerig over euthanasie geschreven. In Corsari's roman wordt een, naar toenmalige begrippen, verbluffend verlicht en vooruitstrevend pleidooi gehouden voor de mogelijkheid van euthanasie. Het is haast niet te geloven dat zo'n roman, misschien wat stijf, en humorloos, maar helemaal niet slecht geschreven, in de canon van de Nederlandse literatuur schittert door afwezigheid. Want vergelijk dat werk nu eens met Vijf vadem diep. Vestdijk gebruikt euthanasie alleen maar als onderdeel van de vrij ingewikkelde intrige van deze roman. Hij onthoudt zich angstvallig van een oordeel over het verschijnsel. De ethische implicaties van euthanasie - hij schrijft er niet over, hij gaat een discussie erover uit de weg, terwijl Corsari het aandurfde om er een warm pleidooi voor te houden. Niettemin verdient Vijf vadem diep aanbeveling omdat één aspect van het verschijnsel euthanasie, namelijk wat het schuldgevoel bij de verpleegster die het uitvoerde later in haar leven teweeg brengt, grondig wordt uitgediept.

Vervolgens is Vijf vadem diep een roman over alcoholisme. Dat is iets wat Vestdijk niet eerder zo uitgebreid behandelde. Hij schreef vol bewondering over de roman Antoine et Julie van Simenon, waarin alcoholisme eveneens een hoofdthema is. Ik acht het, gelet op de overeenkomsten tussen beide romans, niet ondenkbaar dat Vestdijk op het idee is gekomen voor Vijf vadem diep na lezing van Antoine et Julie.

Opmerkelijk is voorts dat Vestdijk in Vijf vadem diep beschrijft hoe twee alcoholisten - die zich gaandeweg steeds sterker met elkaar identificeren - elkaar op het dambord bestrijden. In romans wordt vaak geschaakt, evenwel zelden of nooit gedamd. Deze merkwaardige, literaire veronachtzaming van het toch zo edele damspel heeft mij altijd verbaasd en gehinderd. Vijf vadem diep maakt in dit opzicht iets goed. Wel is het spijtig dat Vestdijk het dammen zelf vrij summier beschrijft, maar hij wist in ieder geval dat je als speler een dam kunt halen. Dat is, literair gezien, al heel wat.

Tenslotte is Vijf vadem diep een roman die bij recensenten en lezers nooit enige waardering heeft geoogst, of zoals Tini Booij zegt: “Ik heb nog nooit iets lovends over dit boek gehoord, dat toch zo'n geraffineerde structuur heeft en een buitengewoon boeiende beschrijving bevat van een identificatie-ontwikkeling.” Zij zegt dat in een artikel in de Vestdijk-kroniek nr.83-84 van vorig jaar, dat zich ontpopt als een hartstochtelijk pleidooi voor deze roman. In dat stuk van twintig bladzijden wordt de roman voorbeeldig geanalyseerd, wordt de recensenten die het boek slecht lazen schitterend de mantel uitgeveegd en wordt onomwonden gezegd: “Ik vind Vijf vadem diep beslist één van de betere boeken van Vestdijk, en na een periode van wat minder geslaagde boeken (De filmheld en het gidsmeisje, De hôtelier doet niet meer mee) is het een ongelofelijke verrassing.” Elders in haar stuk zegt Tini Booij: “Overbodig te zeggen, dat ik dit boek van Vestdijk op één lijn stel met zijn overige meesterwerken.” Wat deze uitspraken zo sterk maakt is dat zij door haar diepgravende analyse krachtig onderbouwd worden. Misschien dat mijn oordeel over Vijf vadem diep wat minder gunstig is, maar ik durf dat amper naar voren te brengen na dit baanbrekende artikel. Daarbij komt dat ook ik in deze roman met name heb genoten van de wijze waarop Vestdijk de figuur van alcoholist Vervat gestalte geeft. Ook de beschrijvingen van datgene wat er ten burele van de krant omgaat, zijn kostelijk, humoristisch en vol dodelijk venijn. Minder geslaagd vind ik de passieve, wat kleurloze hoofdpersoon Lannooy, en ik kan mij ook niet vinden in de wijze waarop Vestdijk een bijeenkomst beschrijft van een onduidelijke religieuze beweging. Daar staat tegenover dat het portret van de angstige, gekwelde en met chantage bedreigde verpleegster, weer het beste uit Vestdijk naar voren haalde. In ieder geval is Vijf vadem diep veruit de beste roman uit de laatste periode van zijn leven. Dat de roman bij verschijning niet naar waarde geschat werd, wijt ik vooral aan de stoet van onaangename figuren die deze bladzijden bevolken. Behalve de verpleegster is er niet één persoon die men zelfs maar aardig kan vinden. Maar waarom zou een schrijver niet een meesterwerk mogen concipiëren over uitsluitend rotzakken?