Zonnebloemen uit de schoorsteen

'Tsjevengoer' van Andrej Platonov is een zwartgallige satire op de Russische samenleving na de revolutie van Stalin. “Platonovs satire had de sovjetpolitici een idee kunnen geven van hun tekortkomingen; in plaats daarvan is deze stem versmoord.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Andrej Platonov: Tsjevengoer; roman van een stad. Vert. Lourens Reedijk. Uitg. Meulenhoff, 1988. Bij Van Gennep voor ƒ 24,50.

Er is een zonderlinge draai in het Slavisch karakter: een neiging tot absurdisme, de karikatuur, de droevige bespotting. Zodra de Russische literatuur op eigen benen kon staan werd ook uit haar prille schoot de satire geboren. De dichter Krylov met zijn tijdschriften en fabels, Poesjkin met allesbehalve zoete 'volkssprookjes', Gogol met een toneelstuk waarbij zelfs de despotische tsaar Nikolaj I zat te lachen. In onze tijd hebben Ilf en Petrov met hun Twaalf stoelen een klassieker geschreven over de stupide excessen van de sovjetmaatschappij, voornamelijk de bureaucratie. Met krommingen en kronkels in hun spreekwijze moesten de satirici hun zegje doen terwijl de gendarmes meelazen of -luisterden.

Bij Andrej Platonov (1899-1951) is de satire ongehinderd, kan de spot ver gaan omdat het werk waarin hij zich in ontgoocheling over de Russische, beter gezegd de bolsjewistische revolutie uitliet, nooit in zijn geheel is gepubliceerd zolang hij leefde. Zijn veelvormige en als satire te boek staande roman Tsjevengoer. Roman van een stad, kennelijk uit een groot aantal ongelijktijdige fragmenten opgebouwd, heeft in de Nederlandse, slagvaardige vertaling van Lourens Reedijk (Meulenhoff 1988) twee drukken beleefd, maar de vraag rijst of daarmee volledig recht is gedaan aan het schrijverschap van deze Russische absurdist. In de omslagtekst van het boek wordt hij vergeleken met Joyce en Kafka, wat mij een al te royale loftuiting lijkt, maar hij heeft een kunstvermogen, gedragen door een gekwetste en gevoelige inborst die zijn Tsjevengoer tot een artistieke prestatie van de eerste rang verheft. Er lijkt mij in Tsjevengoer een duidelijke tweedeling te bestaan - de eerste helft van het boek is sterker dan de tweede met satire en spot doortrokken en lijkt het eerst geschreven. Het is ook heel moeilijk om 415 bladzijden lang (vermeerderd met een nagekomen fragment, los bijgevoegd) volstrekt absurdistisch en satirisch te zijn. In de tweede helft overheerst, bij alle bitterkluchtige elementen, vrijwel het tragische. Platonov beschrijft, of beter: schept mensen die er geen snars van begrijpen. Dáár ligt de zieke zenuw van het werk. Het is al eerder gezegd, maar in samenhang met dit boek wordt de kwestie meer dan actueel: in hoeverre had de oktoberrevolutie - de bolsjewistische - van 1917 een historisch 'recht'?

De korte inhoud van Platonovs boek is de schrijnende vaststelling dat Lenins revolutie als een totaal vreemd en vervreemdend verschijnsel in de achterlijke Russische wereld ploft. Er ontstaat geen levende, organische samenleving; in Platonovs uitbeelding gaan we een chaos binnen waarin de nonsens overheerst. Mensen verschijnen als zonderlingen, domkoppen en naïevelingen die hun oriëntatie op de medemens kwijt zijn. Ze zijn niet slecht, zelfs vaak goedaardig of op hun wijze humaan, maar ze hebben geen notie wat er in het enorme Russische rijk aan de gang is ('Hij kent het onderwerp maar is het gezegde vergeten', staat ergens in het boek.) Er wordt in het geheel niet gewerkt, of er wordt zinloos en overbodig werk gedaan. Openbare diensten functioneren in Platonovs satire niet meer. In de landstreek van Tsjevengoer worden brieven door de vrouw van de postmeester geopend; zij bereiken de geadresseerde niet, maar blijven ter plaatse voor herlezing en tot vermaak van heel de gemeente. Komt er van staatswege een inspecteur ('om naar het onkruid te kijken!'), dan wordt hij als klassevijand door de plaatselijke communisten uitgeplunderd. En zo voort. De koddigheid, de karikatuur hebben in dit boek de hoofdrol, maar daaronder trilt vaak de snaar van een gekrenkt patriottisme. Als Platonov over de burgeroorlog schrijft, verdringt de tragische toon de groteske.

De gesprekken die de mensen in de stad Tsjevengoer met elkaar voeren, en vooral de 'partijvergaderingen' behelzen nauwelijks enige logische menselijke communicatie, het zijn voorbeelden van blatante kolder, maar het vereist wel een schrijver van grote middelen om die kolder met strak gezicht zwart op wit te stellen. Opvallend is hoe in het vervolg van de roman tegenover de stomme en in feite beklagenswaardige politieke hansworsten de natuur als vaker bij Platonov een allerminst satirische, eerdere stille, diepe kwaliteit krijgt, als water van een door donker geboomte omringde vijver... En er is bij hem, de zoon van een spoorwegwerker en rode soldaat, soms een onverwacht en teder begrip voor de verschopte medemens, waarin hij het niveau bereikt van de schilderingen van het Siberische dodenhuis door Dostojevski.

De opbouw van het communisme in deze roman voltrekt zich totaal averechts. Er is geen graan, maar uit het dakriet schieten aren, en uit de schoorsteen groeien zonnebloemen. De koster van de kerk, een gelovige bolsjewiek, kan met zijn klokken alleen nog de oude kerkmelodieën spelen - de Internationale lukt maar niet. Iemand die een goedkope wijze van voortbewegen zoekt rolt langs de straat en spaart aldus energie. Er is een krant die Armoede heet. Als er in Tsjervengoer geen vrouwen meer zijn, wordt er een aantal - 'kameraden van speciale constructie' - ingevoerd; er volgt een tragikomedie. Platonovs vrouwbeeld is van een ongekende deernis. Hij ziet geen reden haar, tenzij in haar kwetsbaarheid en kracht, conform de realiteit van het sovjetleven, te beschrijven - het is immers een van de aspecten van de revolutie 'die niet had moeten zijn' dat de vrouwen, in de steden maar vooral op het platteland, onbeschrijflijke lasten hebben gedragen, onbeschrijflijke daden hebben volbracht...

Geen Kafka dan, geen Joyce, maar wel een groot schrijver. Platonovs satire had, onder gelukkiger gesternten, de sovjetpolitici een idee kunnen geven van hun tekortkomingen; in plaats daarvan is deze stem versmoord.

Tsjevengoer (waarvan ik tevergeefs naar een etymologische herkomst heb gezocht) eindigt dan ook, en kon niet anders eindigen dan, als ramp. Het communisme van de aartsdilettanten wordt door een aanval van 'kozakken' neergeslagen, enkele ongelukkigen blijven in het bezit van een lege stad. Wat de lezer van dit rijke werk bijblijft is een exempel in grote stijl, komisch, tragisch, een enkele maal lyrisch - met alle overdrijvingen die de satire eigen zijn, maar ook met het dóórschemeren van de onderliggende waarheid.