'We hebben geen Serviër gezien, alleen granaten'

ZENICA, 28 JULI. Bosnisch-Servische soldaten hebben de eerste groep vluchtelingen uit Zepa, die in twintig bussen de enclave mochten verlaten, correct behandeld. Het Oekraïense VN-detachement in Zepa heeft op bijna alle bussen een escorte van blauwhelmen meegestuurd, zo blijkt uit verhalen van de vluchtelingen.

“Er waren tientallen tanks en zware kanonnen, en cetniks met enorme baarden. Daarmee wilden ze ons bang maken, denk ik”, zegt de bejaarde Abid Vatres. “Maar ze gedroegen zich netjes.” Ook de 19-jarige Hasena Hesic ondervond geen problemen. “De soldaten langs de weg schreeuwden dat ik een Turkenhoer was, maar probeerden niet naar binnen te klimmen. Er is bij mijn weten niemand uit de bussen gehaald.”

Toen de bussen wegreden, zagen de vluchtelingen hun stad branden. “Mijn huis ging in vlammen op”, zegt een bejaarde man. “Ze verbrandden zelfs mijn schapen levend, misschien lusten ze geen moslim-schapen. Mijn kleren zijn nu mijn enige bezit.”

Donderdagnacht rond drie uur arriveerden tien bussen met vijfhonderd vluchtelingen in het noodkamp achter de reusachtige metaalfabriek van Zenica. Anderen - in totaal hadden de eerste twintig bussen uit Zepa volgens de Bosnische autoriteiten 1.084 passagiers aan boord - werden ondergebracht in Vares, Fojnica, Kakanj en Visoko in Centraal-Bosnië. In tegenstelling tot de chaos van anderhalve week geleden bij het vliegveld van Tuzla was de opvang ditmaal tot in de puntjes geregeld. Kinderen werden ingeënt, zwerende voeten omzwachteld. Er waren tenten, latrines, warme maaltijden, koffie en chocolade. Opvallend in de kampen: de doodse stilte. Kinderen en bejaarden kijken met dezelfde lege blik in de verte.

Twee weken geleden sloegen honderden boeren uit de omgeving van Zepa met hun vee op de vlucht voor de oprukkende Serviërs. Ze verzamelden zich in het overbevolkte stadje in de diepe vallei. Een paar dagen later trokken ook driehonderd gewonde mannen die uit Srebrenica waren gevlucht Zepa binnen. Toen het granaten ging regenen, vluchtte iedereen de bossen in. Sommigen scholen in grotten, anderen in zelfgegraven kuilen onder een dak van takken. De mannen verbergen zich daar voor het merendeel nog steeds, onbarmhartig onder vuur genomen door de Serviërs, die “houthakken zonder bijlen”, zegt Ibrahim Cesko. “De resten van het Bosnische regeringsleger in Zepa zijn samengedreven op een heuveltop. Ze zijn aan alle kanten omsingeld door de Serviërs. De regering heeft gezegd dat ze niet moeten proberen uit te breken, omdat ze dat niet overleven.”

Rond 10 juli, toen Srebrenica op het punt stond te vallen, begonnen de beschietingen op de kleine enclave Zepa. “In 1992 hebben we de Serviërs weggejaagd door boomstammen en stenen van de weg te rollen”, zegt Ibrahim Cesko. “Maar nu waren ze niet te houden. We hebben geen Serviër gezien, alleen maar granaten, soms tientallen per minuut.” Het Bosnische leger had met lichte wapens weinig kans. “De Serviërs schoten met mortieren, tanks en raketten. Ze schoten ook met vergif. Onze soldaten hadden geen gasmaskers. Ze konden hun gezichten alleen beschermen met natte lappen.” Amerikaanse woordvoerders hebben inmiddels bevestigd dat de Serviërs in Zepa chemische wapens hebben gebruikt, waarschijnlijk CS-gas (een traangas).

Abid Vatres, een arbeider uit de plaatselijke houtzagerij, verstopte zich de eerste paar dagen met zijn vrouw en kleindochter in de kelder. “Het was verschrikkelijk”, zegt Vatres. “Mensen zonder armen en benen lagen op straat te kermen. Niemand kon hen helpen, omdat er te veel granaten vielen. De wond van mijn kleindochter, die een scherf in haar been had, begon te rotten. We konden niets doen.” De familie maakte van een pauze in de beschietingen gebruik door de bossen in te vluchten. “We vonden een grot”, zegt Vatres. “Daar hebben we een week gewoond met drie gezinnen.” Vatres zag vlakbij een mortiergranaat neerkomen in een kuil waarin twee gezinnen zich verborgen hielden. “Ik hoorde daarna niets meer. Ik durfde niet te gaan kijken.”

Soldaten van het regeringsleger vertelden hem het afgelopen weekeinde dat er werd onderhandeld over de aftocht van de vrouwen, kinderen en bejaarden. Mannen tussen 15 en 55 jaar zouden moeten achterblijven. Vatres moest zijn familie gereed houden om naar Zepa terug te gaan. Maar anderen zeiden dat de Serviërs iedereen afslachtten die de beschutting van de bossen verliet. Opeens stonden er bussen bij het stadje. Vatres: “We hadden al dagen niet gegeten. We moesten de Serviërs maar vertrouwen.”

De gok pakte goed uit, de familie Vatres werd geen haar gekrenkt. “De Serviërs controleerden mijn geboortejaar op een lijst. Ze gedroegen zich neutraal. Er waren steeds UNPROFOR-soldaten in de buurt.” Eenmaal over de bestandslijn in Kladanj kreeg hij goed nieuws: zijn zoon, die 28 maanden in een Servisch gevangenkamp heeft gezeten, is onlangs uitgewisseld tegen een Servische krijgsgevangene. “Straks is mijn familie weer bij elkaar. Ik heb geluk.” De jonge Hasena Hesic is van plan bij haar moeder in Sarajevo in te trekken.

Abid Vatres is niet boos op de VN. “De Oekraïeners waren met te weinig, en wat konden ze doen?” Anderen verwijten UNPROFOR dat ze hun basis afsloten voor de vluchtelingen. “Daar zouden we veilig zijn geweest. De Serviërs schoten niet op UNPROFOR. Ze hadden ten minste onze kindreen kunnen toelaten”, zegt een moeder met baby. “Ze hebben ons ontwapend en daarna verraden”, klinkt het elders. “Ze hebben Zepa weggegeven.”

Ook de Bosnische regering vindt dat de VN een speciale verantwoordelijkheid hebben voor de vluchtelingen uit Zepa. De Bosnische minister voor vluchtelingenzaken, Muhamed Cero, zei gisteren op een persconferentie in Zenica te hebben uitgerekend voor de eerste opvang precies 15.105.000 mark nodig te hebben. Journalisten werden de afgelopen dagen door de Bosnische autoriteiten zorgvuldig van de vluchtelingen weggehouden. Een televisieploeg die de registratie bij een bioscoop wilde filmen, werd door politiemannen geslagen. “Het zijn net krijgsgevangenen, daar achter het prikkeldraad”, zei een cameraman.

Sommigen meenden dat de regering de pers weghield om de lokatie van de achtergebleven mannen in Zepa niet te verraden. Een hoge functionaris van de VN-hulporganisatie UNHCR speculeerde dat Sarajevo wellicht iets had te verbergen. “Dit weekeinde zagen we op de televisie dat de burgemeester van Zepa een akkoord bereikte met generaal Mladic. Misschien heeft de regering dat akkoord verboden en de mensen nog een paar dagen extra laten lijden om de VN nog meer voor aap te zetten, wie weet?”

Minister Cero zei gisteren echter te hebben willen vermijden dat een vloedgolf journalisten over de verwarde vluchtelingen zou spoelen. “Gun de mensen hun waardigheid. Laat hen eten. Laat hen zich wassen en slapen.” Toen in de loop van gisterochtend enkele journalisten in het kamp werden toegelaten na een lange tocht door de Bosnische bureaucratie, gemarkeerd door officiële stempels en belangrijke handtekeningen, verdampten de komplottheorieën. “Deze mensen hebben geleden”, zei een medewerkster van Norwegian Church Aid. “Alstublieft, wees een beetje discreet.”