Volwassenen leggen hun fantasieën in de kelder; De perfecte illusies van poppenspeelster Ella Snoep

'Beladen met koffers en andere rotzooi' trekt poppenspeelster en kunstcritica Ella Snoep tijdens het seizoen door het land met haar poppentheater. In de zomermaanden speelt ze haar stukken thuis, in Abbekerk. “In de poppenwereld wordt het als bedreigend gezien dat je twee vakken uitoefent, want dat houdt in dat die poppen niet genoeg zijn.”

Marionettentheater Ella Snoep. Dorpsstraat 69, Abbekerk. Voorstellingen de eerste drie weken van augustus op di, wo, do, vr, en 23 en 30 aug. 14.30u.Tel. 02298-1822. Uit Hoorn bereikbaar met bus 146.

Abbekerk heet het dorp waar het marionettentheater van Ella Snoep staat. Het ligt in het wijde land tussen Hoorn en Medemblik, waar de wereld er nog steeds een beetje uitziet als in De koe die in het water viel, het nostalgische prentenboek van Pieter Spier. Het theater is gehuisvest in een zeventiende-eeuwse stolpboerderij. De kip op sokken die dienst doet als uithangbord kondigt de voorstelling van vandaag aan: Mijn vader is een drakodril. Voor de deuren naar het 'vierkant', waar zich vroeger de hooiwagens meldden, staan nu zestig schoolreizende kleuters te friemelen. Braaf schikken ze zich op de rode banken. Argwanend kijkt mijn buurman omhoog, zich hardop afvragend of het indrukwekkende dak niet in zal storten, want 'dit lijkt me wel een heel oud huisje.'

Gedurende het seizoen trekt Ella Snoep (1941) met haar poppen door het land, tijdens de zomermaanden speelt ze thuis. De lichten doven en iedereen laat zich meevoeren in de illusie van kleurige lappen die op stijve voetjes op avontuur gaan, die opgewonden, stout, bang en overmoedig zijn. Robbie wil de wijde wereld in, want hij heeft genoeg van zijn vader die meer om zijn motorfiets dan om hem lijkt te geven. Hij schakelt de poppenspeelster in om door het raam te ontsnappen: roerend beeld van een poppebeen dat naar houvast zoekend uit de stoffen muur bungelt. Na allerlei omzwervingen blijkt de beste plek voor weggelopen jongetjes uiteindelijk toch vaders schoot. Het publiek zucht vol begrip en wandelt tevreden weg met in de hand een combinatie van biskwie en een stukje chocola, dat deftig 'theaterkoekje' heet.

Robbie mag van de voorstelling bekomen op de bank, vlak naast een vitrine waarin een prins uit een vorige produktie buitengewoon macho te kijk zit op een glanzend motorfietsje. Zo wonen er in het oude huis minstens 150 poppen. In de slaapkamer zit Eva. Ze heeft het formaat van een flinke kleuter. Omdat ze zo groot is en bijna onmogelijk uit de hoogte aan draden te bespelen ontwikkelde Snoep een eigen systeem: verzwaarde voeten voor de loopbeweging, twee 'stuurstokjes' aan de achterkant van de armen, een beugel in de nek en een stok in de kop voor het manipuleren van hoofd en lijf. Binnenkort treedt Eva weer op in Een staart voor oma, een van Snoeps meest poëtische verhalen, dat deze zomer hernomen wordt.

Eén plek in huis is vrij van poppen, speelgoed en opvallende lappen. Er heerst de orde van strenge rijen boeken en een computer. Daar schrijft Ella Reitsma haar stukken over beeldende kunst voor het weekblad Vrij Nederland. Drie dagen vóór ze de Purmerendse kleuters meevoerde in Robbie's wegloopavontuur kwam ze terug van een week Biënnale in Venetië. Iets meer dan een etmaal had ze de tijd voor de koerier haar stuk kwam halen: 'Het is goed om af en toe lombok in je achterste te krijgen en tussen het topje van de vaderlandse kunstkritiek te bewijzen wat je kunt en weet. Ik ben altijd op zoek naar kunstenaars die ik nog niet ken. Ik doe mijn best om met 'schone ogen' te kijken. Dat kan nooit helemaal, want iedereen is een produkt van tijd, mode en milieu, maar ik probeer mijn ballast en vooroordelen te herkennen, overboord te zetten en dan opnieuw te kijken. Zoals altijd intrigeerde het me ook in Venetië weer dat je niet zeggen kunt wie van de jonge kunstenaars het over vijftig jaar gemaakt zullen hebben. Alleen wie een gegeven of beeld kan produceren dat boven het specifieke van zijn tijd uitstijgt, blijft bestaan.''

Matisse

Tijdgebonden kijken bepaalde ook het onderwerp van Reitsma's dissertatie uit 1975, waarin ze de opkomst van de gelukkige moeder als burgerlijk ideaal schetst aan de hand van het werk van de achttiende-eeuwse schilder Chardin, in samenhang met opvoedingstheorieën, literaire thema's en onderwerpen in het theater. “Aanvankelijk wilde ik promoveren op Matisse, maar die werd in het toenmalig kunsthistorisch circuit te decoratief gevonden! Fantastisch hoe met geweldige poeha dingen worden beweerd die twintig jaar later helemaal niet meer gelden: nu is Matisse met Picasso de grootste van deze eeuw. Toen kreeg ik een promotieplaats bij Jan Emmens, een groot geleerde en dichter. Zijn advies was om me tien dagen op het kunsthistorisch instituut op te sluiten. Dan zou ik mijn onderwerp hebben en hij kreeg gelijk. Zo intuïtief en associatief gaat dat bij mij: je niet al te druk maken en gewoon maar kijken hoe een vliegende kraai wat vangt.

“Alles is een geschikt onderwerp, het gaat er alleen maar om hoe je iets vorm geeft. Dat geldt ook in het theater. In mijn voorstellingen zitten altijd thema's die mij ook als volwassene bezig houden. In het bos waar Robbie bij de Groezels komt, is het zo heerlijk omdat niets hoeft, maar het blijkt er minstens zo dictatoriaal toe te gaan als waar alles moet, want 'wie moet, krijgt straf'.

“Dat wat ik maak kinderlijk zou zijn, is voor jouw rekening. Ik gebruik dat woord nooit en ik ga al helemaal niet kinderlijk zitten doen. Het is zoals Dick Bruna zegt: ik maak mijn verhaal en toevallig vinden kinderen dat leuk. Mensen hebben zoveel mogelijkheden. De meesten kiezen er eentje en gaan daar de rest van hun leven mee verder. Ik heb er twee gekozen en dat zijn verschillende kanten van dezelfde persoon. Voor de buitenwereld is het ingewikkeld dat ik zowel de kunstjournaliste als de juffrouw van de poppen ben. Heel lang hield ik me van de domme als ze aan Ella Snoep vroegen of ze Ella Reitsma soms kende. Een mens wordt altijd in een context bekeken. Als ze van mij weten dat ik 'met poppetjes speel', voel ik me in een kader gezet: zo'n vrouw kan toch niet goed haar werk als kunstcritica doen. Museummensen of galeriehouders doen er vaak een beetje grappig over. En in de poppenwereld wordt het als bedreigend gezien dat je twee vakken uitoefent, want dat houdt in dat die poppen niet genoeg zijn. Maar wat voor de een honderd procent is, is voor mij maar zestig.”

Snoep maakte één voorstelling voor volwassenen, over de reizen van Odysseus. Het beleefde, zwijgend toekijkende publiek beviel maar matig. “Volwassenen hebben hun fantasieën ver weg op zolder of in de kelder liggen. Voor hen is het zoiets als je kunsten vertonen en ze vragen ook onmiddellijk: hoe hebt u dat gemaakt en hoe lang werkt u daar nu aan, mevrouw. Bij kinderen heb ik het gevoel dat ik mijn verbeeldingswereld echt met hen kan delen.

Totaaltheater

“Ik houd van spelen. Officiëel heet het 'zij speelt in de Brakke Grond', maar voor mij is het echt een spel. Nee, niet lekker met poppen tuttelen. Dat deed ik vroeger nooit. Ik verzin iets dat buiten de gewone tijd en wereld plaats vindt. Poppentheater is als een muziekstuk dat door allerlei instrumenten tot klinken wordt gebracht: stem, beeld, kleur, licht, taal, muziek. Het is totaaltheater in miniatuur. De meeste poppenspelers doen alles zelf. De jongere generatie laat meer aan anderen over, bijvoorbeeld de tekst of de vormgeving. Ik vind het juist zo aantrekkelijk om die hele wereld precies zo te maken als ik die zelf zie.”

Haar eerste voorstelling hield ze aan het begin van de jaren zeventig op de kleuterschool van haar kinderen. “Ik was altijd al met poppen in de weer op de rand van de zandbak. Die waren met spuug, lijm en touw in elkaar geknutseld en bemoeiden zich met de kinderen en hun zandtaarten. De beginselen van het marionetten maken leerde ik op de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar van Wanda Reumer. Ik gaf daar kunstgeschiedenis en pikte van alles op door achterin de klas de lessen van anderen te volgen. De naam van Feike Boschma ging er rond en nadat ik hem een keer had zien optreden wist ik zeker dat ik dat ook wilde.

“In de jaren zeventig was er een club van poppenspelers, onder wie Boschma, Damiët van Dalsum en Camilla Koevoets, die de kleine zalen van de schouwburgen bespeelden. Ze vroegen me als invaller voor de toptijden. Met geleende apparatuur en mijn allereerste met hulp van mijn man en de buren in elkaar gezette theater reed ik naar Amsterdam. Het was zeven december, dat ding paste niet in de auto en het sneeuwstormde. We moesten wel doorzetten want er hingen affiches in de stad. Tien minuten voor aanvang sloegen in de schouwburg alle stoppen door. Toen heb ik de technicus een fles jenever in het vooruitzicht gesteld en zo ging daar ondanks alles mijn eerste stuk, met vijf bedrijven en honderdtachtig kinderen op de grond. Ik herinner me vooral dat het afgelopen was en dat alles nog overeind stond. Mijn sterkste kant is iets moeilijks oplossen met bijna niets, snel associëren en combineren. Dat komt prima uit, want marionettentheater is therapeutisch werk voor neurotici. Als je niet kalm blijft raken je draden in de war!

“Op mijn dertigste ontdekte ik een mogelijkheid die goed paste bij mijn manier van leven met kinderen. Nu zijn die kinderen groot en ga ik ermee door. Kennelijk is het iets dat bij mij hoort. Officiëel heet ik nog steeds Stichting Illusie. Beladen met koffers en rotzooi kom ik aan in een of ander misselijk makend dorpshuis of andere gezellige locatie, vol oude affiches en verpieterde hangplanten en die zet ik naar mijn hand. Het wordt donker, er gaat een lichtje aan en een pop begint te bewegen. Dat is de perfecte illusie. En daarna doe ik alles weer in kisten en ga over tot de orde van de dag.”