Slapen met de kaak vooruit; Vitale roman van Wessel te Gussinklo

Wessel te Gussinklo: De opdracht. Uitg. Meulenhoff, 551 blz. Prijs ƒ 49,90.

In 1986 ontving Wessel te Gussinklo voor zijn debuut De verboden tuin de Anton Wachterprijs. Zijn dankwoord wijdde hij aan het begrip baldadigheid. Hij sprak niet alleen over het baldadige aspect in de romans van Vestdijk, maar onthulde ook dat hij zelf een keer een baldadige actie ondernam. Dat was in 1964, nadat de hogelijk bewonderde Vestdijk had geweigerd het manuscript van zijn (nimmer gepubliceerde) roman De expeditie te beoordelen. Met onduidelijke, maar wel boze bedoelingen reed hij op zijn motor met lekke uitlaat naar Doorn, waar hij met veel kabaal een paar keer door de Torenlaan scheurde. De schrijver bleef ongedeerd, maar een hond viel bij deze actie letterlijk om van schrik.

De jeugdige hoofdpersoon van Te Gussinklo's tweede roman De opdracht heeft wel iets van zo'n baldadige motorrijder: iemand die voortdurend tegen de gevestigde orde ingaat en zich niet gedraagt als een 'normale' jongen. Vanaf de eerste bladzijde weet je al dat dit boek geen ontsnapping zal bieden. Het zal niet goed aflopen, het zal erg en nog erger worden. En toch moet je door, omdat al die uitzichtloze treurnis zo vitaal en meeslepend wordt gepresenteerd.

De opdracht is een ware aanslag op het gemoed. Voor het verhaal heeft Te Gussinklo 52 hoofdstukken en 550 bladzijden nodig gehad, al is het in één zin naverteld: er was eens een jongen die op zomerkamp ging. Maar het gaat hier niet om het verhaal. In het zomerkamp gebeurt erg weinig. Des te meer gebeurt er in het hoofd van de 14-jarige Ewout, die zich er danig van bewust is geen gewone jongen te zijn. Hij wil ook niet gewoon zijn, maar juist om zijn bijzondere talenten en inzichten bewonderd en geprezen worden. Hij wil in de smaak vallen bij de andere jongens.

Maar het gaat niet met hem zoals hij had gehoopt. Ondanks al zijn goede voornemens lukt het hem niet zijn zelfopgelegde opdracht in het zomerkamp te vervullen en een populaire jongen te worden, een leider, een persoonlijkheid. Zijn grote voorbeelden zijn Churchill en Roosevelt, namen die als een komisch leidmotief steeds weer opduiken in de roman. 'Reeds toen ze dertig waren', zo mijmert Ewout, 'werden Churchill en Roosevelt bewonderd en toegejuicht door hun aanhangers en als vanzelf door de kracht, de glans van hun persoonlijkheid naar hun doel gevoerd, gedragen door de bewondering en liefde van allen. (-) Als híj dertig was zou alles anders zijn. Met een gevoel van warmte dacht hij eraan: de helderheid van zijn bestaan dan; zijn stralende, krachtige, maar toch innemende gezicht; de glans van succes die erop zou liggen: hooggeheven en heersend - een leider, een beminde. Dertig! Maar twee keer zo oud als nu!'

Ewout wekt met zijn ingestudeerde gedrag en zijn tirades over leiderschap en populariteit alleen maar bevreemding, geen bewondering en al helemaal geen genegenheid. 'Er ging iets hopeloos fout in dit zomerkamp', stelt hij dan ook bij herhaling vast.

Oppervlakkig gezien is De opdracht de zoveelste roman over het zoveelste eenzame, onbegrepen maar o zo ambitieuze jongetje. Maar het is natuurlijk niet het onderwerp dat de doorslag geeft, maar de vorm die het krijgt. En dan springen de geweldige inzet en de felle ondertoon in het oog. De opdracht is een obstinaat boek, onder meer door de hardnekkig ouderwetse manier van vertellen: breeduit, met eindeloos veel nuance en herhaling. Een typische Te Gussinklo-zin: 'Toch was dat anders, was dat niet hetzelfde.'

Ik zou, met uitzondering van Thomas Rosenboom en Kees Ouwens, geen levende schrijvers weten met wie Te Gussinklo te vergelijken valt. Couperus, Emants, Van Schendel, Van Oudshoorn, dat zijn namen die opkomen tijdens het lezen, niet alleen om de stijl, maar ook om de exclusieve nadruk op innerlijke roerselen.

Wat De opdracht tot een intrigerende roman maakt, is de beweeglijke geest van de hoofdpersoon. Nu eens is hij doordrongen van zijn nietigheid, dan weer ziet hij een mooie leidersrol voor zichzelf in het verschiet. Zelfs als alles reddeloos verloren is, blijft hij toch nog min of meer optimistisch: 'Hij zou opnieuw beginnen. Alles moest anders. (-) Hij zou nieuwe briefjes schrijven met voornemens en houdingen en woorden.'

Ewouts gespletenheid deelt zich mee aan de roman als geheel. De brave jaren vijftig-sfeer van het zomerkamp waarin liefde voor de natuur en kameraadschap door dik en dun gepropageerd worden en waarin rang, stand en uiterlijk er niet toe horen te doen, wordt fraai doorbroken door Ewouts kille observaties. De bomen die hij ziet zijn half verrot, het landschap komt hem saai en stoffig voor en hij ziet om zich heen geen vriendschap, maar een verbitterde strijd om macht en aandacht. Voortdurend geeft hij af op 'boerenkinkels' en 'achterbuurters'.

Ook neemt hij veel lichamelijke onvolkomenheden waar: te kleine kinnen, gezichten vol puisten, scheve monden, te grote of juist te kleine hoofden en verkeerde kapsels en kleren. Over een van de kampleiders merkt hij op: 'Hij was belachelijk. Die pogingen om autoritair te doen van zo iemand met zulk haar en zulke sandalen en zo'n te lange korte broek: belachelijk.' Daarentegen zou hij graag net zo'n kloeke kaak bezitten als de populaire Hugo: 'Om zelf zo'n vooruitstekende kaak te krijgen zou hij misschien ook 's nachts op die manier moeten slapen, met zijn kaak vooruit (-) en niet met zijn mond halfopen en verslapt zoals nu.'

Het is een weinig opwekkend beeld van de mens dat uit deze roman opdoemt. Dom of eenzaam, dat zijn de twee mogelijkheden, als we Te Gussinklo en zijn jonge anti-held mogen geloven. In het ene geval hobbelt hij maar wat met de massa mee, zonder inzicht in de ware aard van de menselijke betrekkingen, berustend in zijn leeghoofdige lot. In het andere geval heeft hij dat inzicht wel en is hij zich er pijnlijk van bewust 'onontkoombaar afzonderlijk' te zijn.

Alleen een begenadigde enkeling is het gegeven om die schier ondoenlijke opdracht te vervullen: anders te zijn en toch gelukkig.

UIT: WESSEL TE GUSSINKLO, DE OPDRACHT

“Zonder individualiteit waren ze. En als ze al kracht of allure bezaten, was dat toeval, was er geen weten of inzicht dat eraan ten grondslag lag. Ze hadden niets te zeggen. Ze wisten niets. Niets interesseerde ze of hield ze bezig - ja meiden, radio's bouwen, modelspoortreinen, voetballen, hockeyen of piano spelen... maar niets echts, niets wezenlijks. Gelijk als bladeren van dezelfde boom waren ze, en dat hinderde ze niet. Zonder beschaamdheid waren ze, zonder wanhoop terwijl ze toch wisten dat Churchill en Roosevelt hadden bestaan en Napoleon en Hitler en Jezus. Niet naijverig waren ze, terwijl zo te zijn mogelijk was en ze dat wisten - zelfs hier in het kamp: iemand als Hugo bijvoorbeeld. Als een slag in hun gezicht moest het feit zijn van Hugo's bestaan (-). Maar dat voelden ze niet zo. Ze bewonderden hem, dat was alles. Ze hadden het nog niet begrepen.

    • Janet Luis