Niet denken aan de doodskist

Oom Herman, de man van tante Jans, was gestorven. Tijdens de gedempte gesprekken in de familiekring werden vreemde termen gebruikt als 'waken' en 'afleggen' - mysterieuze handelingen, voor zover ik begreep, waarbij mijn grootmoeder, de zuster van tante Jans, behulpzaam bleek te zijn geweest.

De alkoof waarin hij thuis 'ontslapen' was zou zelfs in een speciale rouwkamer zijn veranderd voor de dagen dat hij 'boven aarde' stond. Volgens mijn grootmoeder had ze nog nooit zoiets indrukwekkends gezien, hetgeen waarschijnlijk de reden was dat mijn moeder de onbegrijpelijke wens te kennen gaf naar de overledene te willen gaan kijken en mij 's avonds meenam naar de bel-etage in het laatste, zogeheten betere gedeelte van de Zwartjanstraat.

Het moet zaterdag zijn geweest, want in het woonvertrek van het sterfhuis lag de Kikeriki, het zaterdagavondbijvoegsel van het Rotterdamsch Nieuwsblad, in de lichtkring van de lamp op tafel. Terwijl de vrouwen mij hun rug toekeerden, begonnen ze druk met elkaar te fluisteren en schoof tante Jans met een behoedzaam gebaar de porte-brisée open. Hoewel zij hem zo gauw mogelijk weer net zo geruisloos sloot, ving ik vanaf de plaats waar ik onzeker bij de tafel was blijven staan een glimp van een spookachtig blauw schijnsel op, dat uit een omfloerste plafonnière het interieur van de aangrenzende alkoof bescheen, waar zwarte draperieën de wanden bedekten en iets onduidelijks op een soort verhoging onder een zwart kleed met zilveren franje schuilging.

Met een schok besefte ik dat het de bewuste rouwkamer moest zijn en dat oom Herman daar in een kist lag 'opgebaard'. Plotseling durfde ik geen voet meer te verzetten en keek strak op de voorpagina van de Kikeriki neer, waarboven een parmantige haan met opgeheven kop en opengesperde snavel het woord uitkraaide waaraan het krantje zijn naam te danken had.

Het zal hoogstens een kwartier geduurd hebben, maar in mijn herinnering heb ik ten minste een uur alleen in de kamer met de eigenaardige eau-de-cologne-geur en de nadrukkelijk lege stoelen doorgebracht, waar buiten het licht van de lamp een geheimzinnige schemer hing en ik in een duizelingwekkende stilte honderdmaal de vier lettergrepen van 'Kikeriki' spelde om niet aan de doodskist met het zwarte kleed te hoeven denken, die slechts door een schuifdeur van mij gescheiden was.

Juist toen oom Herman met de grijze pet die hij altijd droeg (ook in huis en onder het eten) in zijn roodtrijpen stoel bij het raam roerloos naar mij zat te staren en zijn broer, oom Coen met de lange bakkebaarden en de paarse vlek bij zijn slaap waarvoor ik tijdens zijn leven zo'n afschuw had gevoeld, zich uit de vergulde lijst boven de piano zo dicht over mij heen boog dat de wijnvlek mijn wang raakte en ik verstard van angst mijn vingers om de tafelrand klemde, ging de deur van de zwarte kamer eindelijk open.

Terwijl we door de verlaten Zwartjanstraat naar huis liepen, zei mijn moeder, in plaats van medelijden met de arme dode oom Herman te tonen, dat hij nu niets meer aan al zijn geld had en dat tante Jans haar niet eens een kopje thee had aangeboden, en mijn hand grijpend versnelde zij haar pas in de richting van de Bergweg, die we overstaken naar de Rodenrijselaan, waar we destijds in de Willebrordusstraat, de eerste zijstraat links, woonden.