Moslim-terreur Algerije roept steeds meer weerzin op; Het gevoel van onveiligheid is allesoverheersend; Iedereen probeert alleen nog maar het vege lijf te redden

ALGIERS, 28 JULI. Op 3 juni, om half twee 's nachts, overviel een groep gewapende moslim-extremisten een kleine volkswijk ten noorden van Boudouaou, 35 kilometer van Algiers. Ze trapten de deur in van een appartementencomplex en klopten aan bij Ahmed, een metselaar.

Zijn vrouw en kinderen waren verstijfd van schrik en hij weigerde open te doen. Daarop bewerkten de terroristen een kwartier lang zijn voordeur, tot die het uiteindelijk begaf. Ze bevalen alle leden van het gezin naar buiten te gaan, ook de kleintjes die zich onder het bed hadden verstopt. Zij namen de oudste van Ahmeds dochters, die in een farmaceutisch laboratorium werkte, mee en schoten haar een kogel door het hoofd. Toen ze vertrokken, verkeerde de hele wijk in doodsangst.

Ahmed begrijpt nog steeds niet wat hem is overkomen. “Ik ben een simpele metselaar, mijn hele leven heb ik gewerkt voor mijn gezin en nu vermoorden ze mijn dochter in mijn eigen huis.” Als hij een beetje is bijgekomen, vertelt hij dat hij in december 1991 op het radicale Front van Islamitische Redding (FIS) heeft gestemd. Volgens hem heeft zijn hele gezin dat gedaan, ook de vermoorde dochter. “We zijn een gelovig gezin. Ik wist niet dat het zover kon komen.”

De tragedie van Ahmed en zijn gezin staat niet op zichzelf. Moslim-extremisten richten hun terreur steeds meer op burgers, zeker nu het Algerijnse leger aan een succesvol tegenoffensief bezig is. Sinds een jaar hebben de extremisten niet één operatie van enige omvang tegen de strijdkrachten uitgevoerd. Het aantal moordaanslagen op burgers is daarentegen explosief toegenomen, evenals de acties tegen scholen, staatsondernemingen, gebouwen van de gemeente, telefooncentrales en ga zo maar door. In de voorsteden van Algiers gaat er geen dag voorbij zonder dat burgers het slachtoffer worden van terreurdaden.

Ahmed vertelt dat niemand in zijn wijk meer na zes uur 's avonds zijn huis verlaat, ook al gaat de avondklok pas om half twaalf in. Het gevoel van onveiligheid is allesoverheersend. Er heerst verbittering over de barbarij van de moslim-extremisten onder die lagen van de bevolking die toch het dichtst bij hun opvattingen stonden. Toch helpt dit de machthebbers niet, die blijven net zo gehaat als voorheen.

Eigenlijk proberen de mensen alleen nog maar het vege lijf te redden. Ze hebben geen vertrouwen meer in politieke praatjes. Ook niet meer, en dat is nieuw, in de religieuze betogen. Hun vroegere sympathie voor de moslim-extremisten maakt hen in de ogen van het leger nog steeds verdacht. Cynisch wijst het leger hen op de wreedheid van de gewapende groepen die ze eerst met hun hart en hun mond steunden.

Elders, vooral in Kabylië, ontwikkelt de situatie zich anders. Na een aantal aanvallen tegen dorpen hebben de inwoners, die het allemaal flink de keel uit begon te hangen, besloten tegenspel te bieden. Uiteindelijk grepen ze naar de wapens om zich te verdedigen.

In het dorpje Igoujdal, het eerste dat zijn eigen verdediging ter hand heeft genomen, laat men trots de wapens zien. “Sinds zes maanden”, vertelt Belaid, de leider van een verdedingingsgroep, “is er geen enkele terrorist in ons gebied gekomen. De laatste keer hebben we er twee doodgemaakt die onze geweren wilden roven.” De autoriteiten hebben uiteindelijk hun zegen gegeven aan deze nieuwe ontwikkeling. “In het begin”, aldus Belaid, “waren ze er tegen en wilden ze ons zelfs ontwapenen. Maar na een tijdje begrepen ze dat we besloten hadden onszelf hoe dan ook te verdedigen. Ze kregen er toen begrip voor. Een paar keer heeft de politie ons zelfs gevraagd mee te helpen aan zoekoperaties in de bergen, omdat we dat gebied beter kennen.”

Voor Belaid en zijn medestanders zijn het de moslim-extremisten die de oorzaak van alle problemen zijn. “Toen ze de machthebbers aanvielen en de militairen, die net als zij gewapend zijn, was dat verder onze zaak niet. Maar nu ze ons, burgers, aanvallen, gaan ze te ver. We verdedigen niet de machthebbers zoals velen willen doen geloven, maar simpelweg onszelf en onze gezinnen.” Gevolg daarvan is wel dat voorheen vreedzame dorpen nu vrijwel in staat van oorlog verkeren en alle mannen bij toerbeurt hun woonplaats bewaken.

Ook in Algiers is sprake van een nieuwe ontwikkeling. Aanvankelijk slaagden de moslim-extremisten er in de mensen angst in te boezemen door de wreedheid van hun daden, maar nu reageert men - vooral de intellectuelen, doelwit bij uitstek van de gewapende groepen. Steeds vaker gaan zij gewapend naar hun werk. Een aantal kon slechts aan de dood ontsnappen door hun aanvallers met gelijke munt te betalen. Zo heeft een professor een van de mensen die hem bij zijn huis opwachtten om hem te vermoorden, zelf doodgeschoten. Tijdens de schotenwisseling kozen de anderen het hazepad. De hoogleraar zelf raakte licht gewond aan zijn been.

Handelaren, industriëlen en gewone burgers hebben besloten zelf zorg te dragen voor hun eigen verdediging omdat de staat dat niet meer kan. De autoriteiten staan dat toe en proberen het wapenbezit te reguleren door aan bepaalde categorieën burgers een vergunning te geven wapens te dragen.

Deze houding van verzet is, meer dan alle andere factoren, verantwoordelijk voor de afname van het aantal aanslagen in de hoofdstad, waar het normale leven langzaam weer op gang komt. In de hitte van de zomer zijn de stranden weer vol en het nachtleven heeft iets van zijn vroegere luister herkregen. In het centrum van de stad, in de winkelstraten, lopen echtparen weer hand in hand en steeds minder vrouwen dragen een sluier.

Ook de etalages van de winkels zijn veranderd. Het tijdperk van de tekorten van de centraal geleide economie heeft plaats gemaakt voor de overvloed van de vrije markt. De etalages puilen uit van importgoederen uit het Westen. Algiers heeft daarom een andere aanblik gekregen niet langer dat sobere uiterlijk van voorheen, ook al zijn de prijzen van de goederen zo hoog dat slechts een klein gedeelte van de bevolking ze kan betalen.

De koopkracht van de bevolking is zo gedaald dat iedereen het te druk heeft de eindjes aan elkaar te knopen om tijd vrij te maken voor de politiek. Na de beslissing van de regering geen steun meer te verlenen aan staatsbedrijven zonder reële toekomst, hebben tientallen daarvan inmiddels hun deuren gesloten. Daardoor kwamen duizenden mensen op straat te staan. Andere redden het vooralsnog maar hebben al twee of drie maanden geen salarissen meer uitbetaald. De werknemers leggen zich daar bij neer in de hoop dat hun onderneming er zo weer bovenop komt.

“We hebben geen keus en zij weten het”, zegt een vakbondsactivist die zijn heimwee naar de tijd van de centraal geleide economie moeilijk kan verbergen. “We hebben het te druk met het terrorisme en de veiligheidssituatie in het algemeen. Er zijn economische hervormingen doorgevoerd die ons snel een markteconomie hebben gegeven zonder dat we daar op waren voorbereid.”

Eisen van de arbeiders liggen slecht bij de regering en het publiek. De prioriteiten liggen elders: bij rust en vrede. De gevoelens van opstandigheid die de eerste twee jaar door de moslim-extremisten werden opgewekt hebben plaats gemaakt voor apathie. Ook in die zin is de poging van de moslim-extremisten om permante sympathie voor hun zaak te mobiliseren mislukt.