INTERNET VOOR JOURNALISTEN (2); Goudmijn en valkuil

Het Mexicaanse leger viel in februari van dit jaar de deelstaat Chiapas binnen om een nieuwe opstand van de guerrillabeweging EZLN in de kiem te smoren. Een jaar eerder had het ook al een inval gedaan. Daarbij vielen tientallen doden onder de bevolking van Chiapas.

Een paar dagen na de nieuwe invasie doken via Internet de eerste getuigenverklaringen op. De lezer moest wel geloven dat het leger opnieuw de beest had uitgehangen. Die berichten misten hun uitwerking niet: onder druk van bezorgde buitenlanden, mensenrechtenorganisaties, en burgers met een fax staakte de Mexicaanse president de operatie en liet journalisten in Chiapas toe.

Maar de platgebombardeerde en uitgemoorde dorpen bleken er vredig bij te liggen. Een onsje propaganda had voor de zapatistas meer gewicht in de schaal gelegd dan hun duizend roestige geweren. Pogingen om de Internet-berichten tot een bron te herleiden liepen dood in de mist.

Internet kan een goudmijn zijn voor journalisten. Documentatie waarvoor je anders uren zou moeten telefoneren ligt er op een paar muisklikken afstand. De bonafide organisaties die zich op het Internet hebben begeven - de Verenigde Naties, het Rode Kruis met gedetailleerde rapporten over rampen, het Open Media Research Institute (OMRI) met zijn Oost-Europa-bulletins, CNN, Time en NOS-Teletekst, om er een paar te noemen - kunnen een steun in de rug zijn bij het schrijven van een bericht.

Maar 'Chiapas' maakte veel journalisten opeens bewust van de vele valkuilen op Internet. De objectieve verschijning van de berichten had hen ertoe verleid ze voor waar aan te nemen en geen slag om de arm te houden tot ze uit onafhankelijke bron waren bevestigd.

Tegenwoordig maakt het EZLN er geen geheim meer van propaganda te bedrijven. Het heeft - zoals talloze pressiegroepen - een eigen site op het World Wide Web, het meest spectaculaire en snelst groeiende deel van Internet, waar documenten behalve uit tekst ook kunnen bestaan uit foto's en zelfs uit filmbeelden en geluid. De EZLN-site heet Ya Basta! - The EZLN Page en is toegankelijk op het adres http://www.peak.org/justin/ezln.

Hoewel de beheerder, Justin Paulson, een dramaturg aan de universiteit van Pennsylvania, zegt gedreven te worden door het “gebrek aan betrouwbare informatie over het EZLN”, maakt alleen de naam van zijn site - 'Genoeg!' - al duidelijk waar hij staat. Het EZLN en hun sympathisanten zijn zijn voornaamste leverancier van documenten, verslagen en - nog steeds - getuigenverklaringen.

Dat je soms ongemerkt in propaganda verzeild raakt, heeft ook te maken met de glossy vormgeving op het Web die suggereert dat uiteenlopende informatie dezelfde graad van objectiviteit bezit. Zo is op het adres http://www.cco.caltech.edu/ãyhan/bosnia.html de Bosnian Home Page te vinden. Wie de VN-resoluties over Joegoslavië wil nalezen kan daar terecht, evenals voor rapporten van de Amerikaanse wereldomroep en verscheidene niet-gouvernementele organisaties van onbesproken gedrag. Maar een muisklik verder ben je dan vrijwel ongemerkt aangekomen bij de bulletins van de Bosnische ambassade in Washington. Aan de vormgeving van die afzonderlijke delen van de Bosnian Home Page is niet te zien welke 'status' ze hebben. De lezer moet dat zelf maar in de gaten houden. Of niet dus.

Kranten als NRC Handelsblad en de Financial Times (respectievelijk op http://www.nrc.nl en http://www.ft.com) gaan anders te werk. Hun sites op het Web zijn een 'kopstation'; als je er alles hebt gelezen moet je weer terug. En wat er te lezen is, is uitsluitend eigen werk. Wie zulke plekken bezoekt, kan vermoeden wat de berichten waard zijn, omdat hij weet wat zijn krant waard is.

    • Hans Steketee