In oosterse en westerse muzen verstrikt

Tentoonstelling: Moderne Indonesische Schilderkunst: de keuze van Toeti Heraty. Museum voor Volkenkunde, Willemskade 25, Rotterdam. T/m 27 aug. Cat ƒ 20,-

Wie bij moderne Indonesische schilderkunst denkt aan sawah dijkjes, sluimerende vulkanen en Indonesische dames in gebatikte heupdoeken, is hopeloos ouderwets. Deze taferelen, bekend uit de 'Mooi Indië'-school van voor de oorlog, lijken voorgoed te hebben afgedaan. Op de tentoonstelling in het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam, georganiseerd in het kader van de vijftigjarige onafhankelijkheid van Indonesië, zijn de schilderijen waarin iets 'typisch Indonesisch' herkenbaar is zelfs in de minderheid. De moderne schilders richten zich op een internationaal kunstcircuit en bedienen zich van ongeveer alle stijlen die de westerse kunstgeschiedenis de laatste honderd jaar heeft voortgebracht.

Te zien zijn ruim vijfentwintig doeken, geschilderd in de tweede helft van deze eeuw. Het betreft een persoonlijke keuze uit de collectie van Toeti Heraty, hoogleraar filosofie, directrice van de kunstacademie in Jakarta, dichteres en galeriehoudster. De collectie is geen eenheid en is wisselend van kwaliteit. Niet het werk zelf, maar de band met de schilder stond op de voorgrond.

De moderne schilderkunst in Indonesië kent een korte maar bewogen geschiedenis, die nauw verbonden is met die van de jonge staat. Enkele jaren na de onafhankelijkheidsverklaring werden twee academies, in Yogyakarta en Bandung, in het leven geroepen. Schilderkust zag men als een belangrijk medium om de ziel van het herboren Indonesië te verbeelden. Zij moest typisch Indonesisch, nationalistisch, modern en universeel tegelijk zijn. Maar wat is 'typisch Indonesisch'?

In het Soekarno-tijdperk werd de realistische stijl, waarin schilders onder andere de onafhankelijkheidsstrijd neerzetten, hoog gewaardeerd. Deze werd vooral in Yogya beoefend. In Bandung legde men zich meer toe op de abstracte kunst. Tegenwoordig is de spanning tussen deze twee richtingen verslapt en is ook de zoektocht naar een nationale identiteit in de schilderkunst naar het achterplan verschoven. De getoonde schilderijen weerspiegelen vooral de kosmopolitische oriëntatie van de kunstwereld op Java.

Men kan zich afvragen of de collectie in een volkenkundig museum op haar plaats is. Men zou dan in elk geval verwachten dat, waar dit mogelijk is, de relatie tussen kunst en samenleving zou worden toegelicht. En dat gebeurt nauwelijks, terwijl het sociale en politieke decor waartegen de Indonesische schilderkunst gestalte kreeg, en wat zij ook zelf vaak tot onderwerp koos, interessant genoeg is.

Een aanknopingspunt biedt het werk van Agus Djaja. Djaja, die in Jakarta en Amsterdam de academie bezocht, schilderde een vrouw die met ontbloot bovenlijf nonchalant tegen een piano leunt. Een man in smoking legt een bos met rozen voor haar op tafel. Zijn gezicht is vreemd. De omhoogwippende neus en de spottende grijns doen denken aan Petruk, een clownsfiguur uit het wayang-spel. De scène zou zich in een bordeel kunnen afspelen.

Is het een politieke metafoor en symboliseert de vrouw het machteloze Indonesische volk, dat wordt gebruikt en afgekocht door een koloniale machthebber? Petruk stond, vanwege de neus, wel vaker voor Nederlanders model. Of is het misschien een zelfportret van een schilder, die niet meer goed weet waar hij bijhoort en welke muze hij moet beminnen? Het zijn vragen waarop zelfs de verzamelaarster het antwoord schuldig blijft. Maar juist deze werken, waarin de Indonesische thematiek wordt uitgewerkt op een persoonlijke wijze en in een vermenging van oude tradities en nieuwe tijden, intrigeren het meest.

Rendez-Vous van Agus Djaja (1938-1979) op een expositie van moderne Indonesische schilders in Rotterdam

    • Jet Bakels