In Amsterdam klinken klokken en dukaten; De hernieuwde belangstelling voor de carillons

In Nederland en België bloeit de beiaardcultuur. De enige twee beiaardscholen ter wereld zijn gevestigd in Mechelen en Amersfoort, Nederlandse klokkengieters genieten internationale faam en moderne componisten schrijven voor het carillon. Onlangs brak er echter een richtingenstrijd uit tussen de aanhangers van verschillende beiaardopvattingen. “De klank van de Zuidertoren is nu anders, maar soms ook mooier.”

Amsterdam was op het hoogtepunt van de Gouden Eeuw niet alleen de rijkste en de bedrijvigste stad van de wereld maar ook verreweg de vrolijkste. Vijf carillons strooiden hun muziek van hoog uit de lucht over de Amsterdammers. Regenten, handelaars, handwerkslui, sjouwers en sloebers - overal in de stad hoorden zij de torens zingen. Andere steden hadden ook wel een carillon, maar in Amsterdam klonken er vijf: op de torens van de Oude Kerk, de Westerkerk, de Zuiderkerk, op de Munttoren en in de koepel van het Stadhuis op de Dam. Zoveel gratis muziek voor iedereen, dat was uniek in de wereld.

Het mooiste Amsterdamse carillon was in 1665 geïnstalleerd op het nieuwe Stadhuis van Jacob van Campen - dit 'Achtste wereldwonder' werd destijds al beschouwd als 'een Paleis'. De klokken waren door de gebroeders François en Pieter Hemony gegoten in hun Giethuis aan het Molenpad, een straatje achter de Leidsegracht tussen Keizersgracht en Prinsengracht. Ook de bronzen beelden van Quellinus op het Stadhuis werden daar gegoten. De Hemony's, die 51 beiaarden produceerden, waren door Amsterdam benoemd tot Stadsklokken- en geschutsgieters. Het gieten van klokken was alleen werk voor vredestijd. Het gieten van kanonnen ging altijd door: de VOC-schepen werden ermee uitgerust.

Als we met beiaardier Frits Reynaert voor zijn maandagse concert van twaalf tot een uur achter de balustrade van de Stadhuiskoepel over de stad uitkijken, zien we ons omringd door de vier andere carillons. De Enkhuizenaar Reynaert (44) is er trots op om hier te kunnen spelen. “Dit is het hart van de stad en van het land. Ik ben geboren en getogen in Amsterdam en dan is dit heel speciaal. Het is een mooie, zware beiaard met nog negen Hemony-klokken.”

De andere, inmiddels afgekeurde Hemonyklokken, hebben we zojuist beneden zien hangen, onder de koepel, waar nog verschillende verdiepingen zijn. De oude klokken zijn sterk aangetast door luchtvervuiling. In dit klokkenkerkhof hangen ook recentere klokken, nog voorzien van de naam van beiaardier Jacob Vincent, de vader van de sopraan Jo Vincent. Hij was hier van 1900 tot 1952 een zeer geliefd beiaardier en trok vaak grote menigten naar de Dam.

Speeltrommel

Uit de vloer gaat een wirwar van tientallen draden door het plafond naar het carillon daarboven. Ze zijn afkomstig uit een prachtige houten kamer, die op een onderstel los in de ruimte staat. Daarin staat een van de muzikale wonderen van de zeventiende eeuw: de aan het uurwerk gekoppelde speeltrommel, die elk kwartier automatisch het carillon laat spelen. De trommel, met een middellijn van tweeëneenhalve meter, telt 7200 vierkante gaten. Daarin worden palletjes gestoken die via de draden de klokken doen klinken.

De koperen trommel glanst alsof hij van goud is. En duur als goud was dit verbazingwekkende stuk precisie-smeedwerk destijds ook zo ongeveer. De Engelse musicoloog Charles Burney, in 1772 op bezoek in Amsterdam, zegt dat de trommel evenveel kostte als twee orkesten. Burney was geen liefhebber van klokkespel, hij walgde al na enkele dagen van al die carillons: “In Amsterdam klinken alleen maar klokken en dukaten.” Toch bekeek hij het Stadhuiscarillon, dat toen werd bespeeld door de blinde Potholt, ook de organist van de Oude Kerk. Burney vond hem een geniale virtuoos, die met zijn twee vuisten op de stokken meer kon dan anderen met tien vingers op een klavierinstrument.

“Nooit heb ik in zo korte tijd zoveel klankeffecten gehoord. Hij speelde piano, dan weer forte, liet zelfs de triller crescendo gaan, liet dan weer het volume en dan weer de snelheid toenemen.” Volgens Burney vergde het klokkespel meer lichaamskracht dan muzikaliteit. Zo zwaar was het spelen dat Potholt na een kwartier 'helse arbeid' hevig zweette, zich tot op het hemd ontkleedde en gewoonlijk naar bed moest om weer bij te komen. Inmiddels zijn klavier en overbrenging sterk verbeterd. Frits Reynaert prijst de lichtheid en het gemak van het spelen op de Paleisbeiaard.

De glorie van de Hollandse beiaardcultuur is ontstaan uit import. De Hemony's, die als eersten klokken konden bijstemmen, kwamen uit Lotharingen. De liefde voor het klokkespel verspreidde zich vanuit de Zuidelijke Nederlanden. Daar begon aan het eind van de vorige eeuw ook de renaissance van het klokkespel rond de Mechelse beiaardier Jef Denijn. Zijn optreden deed ook in Nederland opnieuw waardering voor de verwaarloosde carillons ontstaan. Dat leidde tot de 'broekse en tuimelaarse twisten' over verbeteringen aan de overbrenging van de beweging van het klavier naar hamer of klepel. De fel gevoerde strijd ging over de vraag welk systeem het beste was: de Hollandse 'broek', die van de beiaard vooral een slaginstrument maakte, of de afgeveerde tuimelaar van Denijn, die geraffineerder spel mogelijk maakte. De tuimelaar won overal.

Nog steeds beheersen de Nederlanden de beiaardcultuur. In Mechelen en Amersfoort zijn de twee enige beiaardscholen op de wereld. En opnieuw genieten Nederlandse klokkegieters faam: Eysbouts in Asten en Petit & Fritsen in Aarle-Rixtel installeerden beiaarden in tal van landen. Na de oorlog goten zij vele beiaarden ter vervanging van instrumenten die waren vernield of door de Duitsers waren gevorderd en omgesmolten. Ook kwamen er veel meer beiaarden. Voor de oorlog telde Nederland 77 klokkespelen, nu 350.

Al sprak Burney dan neerbuigend over het klokkespel als 'klapperbussen voor volwassenen', andere buitenlanders hadden juist veel bewondering voor de Hollandse carillons. In 1842 voer Franz Liszt, op reis van Keulen naar Den Haag, over de Waal langs Zaltbommel. Daar hoorde hij het carillon van de Gasthuistoren klingelen. Liszt liet het schip aanleggen, ging aan land en beklom de toren. De beiaardier Leenhof werd gecomplimenteerd en bij hem thuis hoorde Liszt Leenhofs dochter Suzanne op de piano spelen. De pianist raadde haar aan naar Parijs te gaan en daar ontmoette Suzanne de schilder Edouard Manet. Ze woonden aanvankelijk samen, pas in 1863 trouwde Suzanne met Manet in de Maartenskerk in Zaltbommel. In het Louvre hangt nog een Manet met Suzanne.

Nu wordt het carillon van de Gasthuistoren bespeeld door Ru Stolk, leraar aan de muziekschool in Zaltbommel. Al 22 jaar speelt hij op het Bommelse carillon. Zestien klokjes zijn nog van Hemony (1654), twee zijn er van De Grave (1721); de overige zeventien van Eysbouts. Tijdens zijn wekelijkse concert speelt Stolk deze avond vooral repertoire voor het historische deel van het carillon. Zoals van Jacob van Eyck, de Utrechtse fluitist, componist en beiaardier die samen met de Hemony's de klokkenklank perfectioneerde. Zo horen we vooral de Hemony-klokjes met hun frisse en helder tinkelende geluid.

Na het concert kijken we vanuit de torenraampjes in oostelijke richting naar buiten, waar we - denkend aan het gedicht van Martinus Nijhoff - alweer een nieuwe brug bij Bommel in aanbouw zien. Het regent èn de zon schijnt, zodat er hoog boven de Waal een regenboog staat, een halfronde brug van kleuren.

Dan kijken we naar het vloerluik, waar honderddrieënvijftig jaar geleden Liszt doorheen klom. “Ja, gek idee”, zegt Stolk. Zou er tegenwoordig nog wel eens een pianist of componist over de Waal varen, zo vragen we ons af. Tot duidelijke conclusies komen we niet. Ook de huidige Bommelse beiaardier heeft een dochter. Stolk: “En ze speelt piano. Maar ze heeft al een vriend.”

Galmgaten

De stoere toren van de Grote Kerk in Dordrecht, de oudste stad van Holland, zorgde in de Gouden Eeuw voor het meest geschilderde stadsgezicht, maar bezat destijds geen klokkespel. Sinds 1966 hangt hier een Eysbouts-beiaard. Die staat bekend als een van de bijzonderste in ons land, zegt stadsbeiaardier Henry Groen. Hij vervult die functie samen met zijn compaan Boudewijn Zwart.

Het Dordste instrument is niet alleen omvangrijk (50 klokken) en zwaar (30 ton) maar hangt bovendien onzichtbaar in een toren met een uitstekende akoestiek. Het klokkengeluid wordt eerst binnen de klokkenkamer gemengd en treedt dan naar buiten via de galmgaten. Groen looft de egale speelaard en de perfecte overbrenging van klavier naar klok, zodat alle dynamische gradaties, van pianissimo tot fortissimo, hier moeiteloos zijn te realiseren. Gastbeiaardier Bernard Winsemius bewijst deze avond in een Frans-impressionistisch concert hoe kleurrijk de Dordtse toren kan klinken.

De nieuwe beiaard en het enthousiasme van Jaap van der Ende, die hier van 1966 tot 1993 stadsbeiaardier was, hebben van Dordrecht een centrum van beiaardkunst gemaakt. De beiaardkring, die met duizend leden de grootste ter wereld is, organiseert excursies. Bij bespelingen wappert de beiaardvlag en er zijn fraaie programmaboekjes. Ook het Dordtse wisselluidersgilde is uniek. Bovendien zijn er rond de Dordtse toren, waar weinig verkeer is, uitstekende luisterplaatsen, op de steiger aan de Voorstraatshaven en op de bankjes rond het haventje aan de voet van de toren.

In Dordrecht treedt de beiaardier uit de anonimiteit: Winsemius, op deze warme avond slechts gekleed in hemdje en korte broek, is in de toren te zien op tv-monitors. Na afloop wordt de beiaardier door de luisteraars beneden in de toren met applaus begroet en meegetroond naar het Klockhuys aan de voet van de toren. Daar leidt Groen een geanimeerde nabespreking met Winsemius.

De nieuwe beiaardcultuur in Dordrecht heeft ook geleid tot het 'Dordtse standpunt' over een hervorming van het repertoire voor de torenmuziek. Henry Groen maakt een scherp onderscheid tussen echte concerten en 'marktbespelingen', waarbij vooral bekende liedjes uit verleden en heden klinken. Beiaardiers zijn de grootste fans van The Beatles.

Voor concerten wil Groen de folklore voorbij met een muzikaal sterker repertoire voor de beroeps-beiaardiers en meer eigentijdse muziek. Op 24 augustus gaat in Dordrecht de wereldpremière van Cinq pièces van de jonge Marco de Goeij. Omdat de echt goede componisten te weinig hebben geschreven voor beiaard, wil Groen meer bewerkingen van bestaande muziek. Zo maakte hij zelf een carillon-versie van de Zes suites voor cello-solo van Bach.

Met Boudewijn Zwart vormt Groen het Nederlands Carillon Duo. Quatre mains spelen ze de Vijfde symfonie van Beethoven en de Italiaanse symfonie van Mendelssohn. Gideon Bodden speelt wel eens een hele Mahler op de beiaard.

Frits Reynaert ziet niets in zulke bewerkingen van symfonische muziek. Hij geeft de voorkeur aan originele beiaardmuziek of bewerkingen van gitaarmuziek, bij uitstek geschikt voor de beiaard. Tijdens zijn concert op het Paleis klinken De Falla en Albeniz. Winsemius herinnert aan de belangstelling voor het stuk dat Peter Schat vorig jaar componeerde voor drie Amsterdamse beiaarden. “Jammer dat Messiaen en Strawinsky niets schreven voor carillon.”

Het is 14 juli half een 's middags in Utrecht heet, benauwd en vochtig. Arie Abbenes, de beiaardier van de Domtoren, klimt heel langzaam. We komen eerst langs de veertien luidklokken, 32.000 kilo bij elkaar. Zeven dateren uit de jaren 1505 en 1506. We zien het torenuurwerk en de automatische speeltrommel uit 1666, minder mooi dan de Amsterdamse. Het carillon van vijftig klokken hangt in een zeventien meter hoge houten klokkestoel in de open lantaarn van de Domtoren. Drieëndertig zijn nog van Hemony. Dan begint Abbenes op deze zomerdag aan een Kerstconcert.

“Ja, met Kerstmis is het koud en dan komt er niemand luisteren, dus doe ik het nu. Maar ik speel geen àl te herkenbare kerstmuziek, geen Stille nacht, heilige nacht.” Er klinkt wel kerstmuziek van Bach, Corelli en Tsjaikovski. Abbenes besluit met de delen 'Nazareth' en 'Bethlehem' uit een triptiek van Johanna Bordewijk-Roepman, de echtgenote van de schrijvende advocaat.

Willebrord

Utrecht herdenkt dit jaar dat 1300 jaar geleden Willebrord werd gewijd tot de eerste Utrechtse bisschop. Op 21 augustus speelt Abbenes de wereldpremière van De komst van Willebrord, een compositie voor het Domcarillon van Louis Andriessen, zelf geboren in Utrecht. Abbenes toont enthousiast het begin met licht trippelende motiefjes: 'Het paardje van Willebrord'.

Abbenes vertelt met grote gedrevenheid over zijn fascinatie voor carillons, zijn vele contacten in het buitenland, over de kundigheden van de Nederlandse klokkegieters en over zijn bijdragen aan het Festival Oude Muziek. Er zijn ook problemen. Allerlei gemeenten bezuinigen op carillons en beiaardiers: “Voor een beiaardiersbaantje wordt een moord gepleegd. Dat is niet bevorderlijk voor de collegiale sfeer.” Zelf is Abbenes, net als Reynaert, Zwart en Groen, een van de weinige beroepsbeiaardiers. Abbenes speelt ook nog in Eindhoven, Oirschot en Asten. Hij geeft les in Amersfoort, samen met Winsemius.

Maar er zijn nog veel ernstiger zaken aan de hand in de carillonwereld. “Er is een staatsgreep gepleegd in de Nederlandse Klokkenspel-vereniging. De 'dolle' liefhebbers, de 'klokkemannen' hebben vorig jaar de macht overgenomen.” Hij beschrijft de staatsgreep als een conflict tussen beiaardiers met muzikale verantwoordelijkheid en de liefhebbers van de carillons als publieke vermakelijkheid. Ook keert hij zich tegen de 'soms genadeloze restauraties' van André Lehr en Eijsbouts, waarbij de historische variëteit wordt opgeofferd aan uniformiteit.

De vorig jaar voltooide restauratie van het Hemonycarillon van de Amsterdamse Zuidertoren was de aanleiding voor het uitbreken van een nieuwe klokkenstrijd, het spiegelbeeld van de oude broekse en tuimelaarse twisten. De bedoeling was hier weer een typisch oud-Hollands carillon te creëren. Met instemming van de adviescommissie van de Nederlandse Klokkenspel-vereniging werd het Vlaamse tuimelaarsysteem weer vervangen door het ooit afgeschafte Hollandse broeksysteem. Ook verminderde men het aantal klokken.

Sommige beiaardiers vergelijken de restauratie met het inwisselen van een auto voor een brommer. Volgens André Lehr is er geen sprake van 'authenticiteit', al was het alleen maar omdat de verkeerde soort klepels werd gebruikt. Er ontstonden openlijke scheldpartijen en een aantal beiaardiers die het experiment weggegooid geld vonden, stelden tegenkandidaten bij een bestuursverkiezing van de Klokkenspel-vereniging. Het oude bestuur trad af en ook de belangrijke adviescommissie verdween.

Beiaardstrijd

Bernard Winsemius, destijds samen met Abbenes adviseur bij de restauratie en sindsdien ook de beiaardier van de Zuidertoren, heeft geen spijt dat er nu in ons land één toren is met een ander systeem. Hij vergelijkt de beiaardstrijd met de discussies over orgelrestauraties, waarbij goede argumenten elkaar kunnen tegensprekenontbrand. “De klank van de Zuidertoren is nu anders, soms ook mooier. Dat maakt het Amsterdamse beiaardbezit gevarieerder, ook al geeft het beperkingen in het repertoire dat kan worden gespeeld. Het vereist ook een omzichtiger speelwijze, waarbij je, net als bij een clavichord, de toon meer moet voorbereiden. Via de toetsen is er ook meer contact met de klank.”

Dinsdags van twaalf tot een bespeelt Boudewijn Zwart het Hemony-carillon van de Amsterdamse Westertoren met gevarieerd repertoire. Dit keer Matthias van de Gheyn ('de Bach van de beiaard'), oud-Hollandse liedjes en de Pianosonate KV 309 van Mozart. Dan komen torenbeklimmende buitenlanders de houten trapjes opstommelen. Ze mogen verzoeknummers indienen: My Bonnie is over the ocean, een Japans muziekje waar Japanse meisjes erg om moeten giechelen, en Australia. Op mijn verzoek speelt Zwart nog Aan de voet van de oude Wester. Met veel tremolo's imiteert hij perfect de Jordanese zangstijl.

In het klassieke Amsterdamse café Kalkhoven op de Westermarkt, waar Zwart vanachter de tap hartelijk wordt begroet, praat de beiaardier over de problemen met het Amsterdamse beiaardbezit. Nog altijd is Amsterdam de beiaardhoofdstad van de wereld. Sinds de Gouden Eeuw zijn er vijf carillons met minstens 18 klokken bijgekomen: op het Rijksmuseum, het Plein 1940-1945, het Surinameplein, bij het Luthers bejaardencentrum en de Vrije Universiteit.

Algemeen is de klacht over het gebrek aan rustige luisterplaatsen in de lawaaiige stad. Boudewijn Zwart vindt dat Amsterdam veel te weinig doet met die tien beiaarden. “Er zijn wel vier stadsbeiaardiers, maar we spelen elk slechts één keer per week één uur het carillon op onze toren. Vroeger werd op elk instrument wel vier of vijf keer per week gespeeld.”

Het Paleis, eigendom van de Nederlandse Staat, heeft geen vaste beiaardier. Naast Reynaert spelen hier ook Jaap van der Ende en Loek Boogert. Winsemius betreurt dat koningin Beatrix, die ooit compositie-opdrachten gaf aan Daan Manneke en Jurriaan Andriessen, nu minder belangstelling voor de Paleisbeiaard lijkt te hebben. Prinses Juliana houdt er wel van. Toen André Lehr vorig jaar op het Paleis van prins Bernhard een Zilveren Anjer kreeg, vroeg Juliana aan Henry Groen zijn carillonconcert te herhalen.

Zwart: “Amsterdam zou zich veel meer moeten profileren als beiaardstad, bij de toeristen èn bij de Amsterdammers. De carillons kunnen worden betrokken bij de rest van het muziekleven - bij voorbeeld door Mozart te spelen, als er een opera van Mozart in het Muziektheater gaat. En waarom klinkt er bij de Dodenherdenking op 4 mei op de Dam niet een koraal op het Paleiscarillon?”