Helden zijn zeldzaam; De overlevingsdrang in Joegoslavië beschreven in drie romans

Voordat de oorlog in Joegoslavië uitbrak waren de schrijvers Ivo Andric, Drago Jancar en Aleksandar Tisma landgenoten, nu liggen hun geboorteplaatsen in verschillende landen. Van alle drie verscheen onlangs een roman in Nederlandse vertaling. “In deze romans uit de gemeenschappelijke geschiedenis zich in xenofobie en mensenhaat, maar ook in overlevingsdrang en uithoudingsvermogen.”

Ivo Andric: De kroniek van Travnik. Vert. C.W. Sangster-Warnaars en K. Vermeulen-Dijamant. Uitg. Prometheus, 400 blz. Prijs ƒ 39,90 Drago Jancar: De galeislaaf. Vert. Roel Schuyt. Uitg. Wereldbibliotheek, 349 blz. Prijs ƒ 46,50. Aleksandar Tisma: De kapo. Vert. Reina Dokter. Uitg. Meulenhoff, 334 blz. Prijs ƒ 39,90.

Het is wrang, maar voor de hand liggend. Er zijn in Nederlandse vertaling nog nooit zoveel boeken van Joegoslavische schrijvers verschenen als de laatste drie jaar. Wie murw is van de waanzin van Bosnië, kan de eendimensionale televisiebeelden weer wat diepte geven met deze drie romans uit voormalig Joegoslavië.

Tot de oorlog uitbrak hadden de drie auteurs in ieder geval hun nationaliteit gemeen: ze waren Joegoslaaf. Maar de werkelijkheid lag gecompliceerder. Andric bleek een Bosnische Kroaat te zijn, Jancar een Sloveen en Tisma half-joods, half-Serviër. Hun geboorteplaatsen liggen inmiddels in drie verschillende landen.

En wat hun gemeenschappelijke taal betreft: het Servokroatisch was de nationale taal van Joegoslavië. Maar omdat taal naast tanks nu eenmaal een machtig wapen is, komt ook die er in deze barre tijden weer niet zonder kleerscheuren vanaf: sinds het uitbreken van de oorlog proberen de politici van de verschillende kampen haar weer met man en macht te splitsen in het Servisch en het Kroatisch, twee erg op elkaar lijkende Zuidslavische talen, die in de loop der eeuwen met elkaar vergroeid waren geraakt, zoals ook Serviërs en Kroaten zich steeds meer hadden vermengd.

Wat blijft is hun gemeenschappelijke geschiedenis. In deze drie romans uit die zich in xenofobie, angst voor vreemde overheersing en mensenhaat, maar ook in overlevingsdrang en uithoudingsvermogen. Als er al liefde voorkomt, is het niet meer dan vleselijk genot en zoeken naar vergetelheid bij drank en vrouwen.

Het minst onheilspellend is De Kroniek van Travnik (1945) van Ivo Andric, dat zich afspeelt in de tijd van Napoleon. Andric' boeken worden op dit moment overal herdrukt, omdat ze enig licht werpen op de geschiedenis van het gebied dat sinds de oorlog bijna niet meer van de voorpagina's van de kranten is verdwenen. Andric, die in 1961 de Nobelprijs voor literatuur kreeg en in 1975 in Belgrado stierf, is een meesterlijk kroniekschrijver met een trage, zangerige en meeslepende stijl. De consuls, vizieren, pasja's en andere Turken die zijn romans bevolken, roepen de sfeer op van sprookjes van 1001 nacht. Alleen gaat het hier niet om broeierige liefdesgeschiedenissen, maar om een Bosnisch stadje, dat model kan staan voor het Middeneuropese gewemel van de Napoleontische tijd.

Verwensingen

Een Franse en een Oostenrijkse consul worden door hun regeringen naar Travnik gestuurd als voorpost tegen de opdringende Turken. De Turkse hoogwaardigheidsbekleders en de bevolking reageren wantrouwig of ronduit vijandig op de komst van de Westeuropese indringers.

Zo beschrijft Andric de eerste rit van de Franse consul door de binnenstad van Travnik, als hij zijn opwachting gaat maken bij de Vizier: 'En al bij de eerste huisdeur maakte een meisje die op een kier open, mompelde onverstaanbare woorden en spuwde op de grond bij wijze van vervloeking. En zo ging het toen door, deuren vlogen open, het houten latwerk voor de ramen ging omhoog, en voor een seconde doken gezichten op, vertrokken van haat, gloeiend van fanatisme, gesluierde vrouwen spuwden en sisten verwensingen, jongens riepen scheldwoorden, die nog eens onderstreept werden door drastische bewegingen en ondubbelzinnige dreigementen, zij sloegen op hun achterwerk en streken met de hand langs hun keel alsof ze iemand een kopje kleiner maakten.' (Het is overigens jammer dat er niet even opnieuw naar de uit 1962 daterende vertaling is gekeken, want die rammelt hier en daar; 'scheldwoorden die nog eens onderstreept werden door drastische bewegingen' is geen fraai proza en dit is geen uitzondering).

Terwijl de consuls wegkwijnen rijpt in de klamme steegjes de volkswoede, die met de regelmaat van een natuurverschijnsel tot uitbarsting komt. Voor Andric is de geschiedenis als een getijdenstroom. De stedelingen hebben geen weet van de machinaties van de hoge heren en laten de gevolgen van hun oorlogsverklaringen en vredesakkoorden als eb en vloed over zich heenslaan. En na de uitbarsting van geweld versterven de echo's van de wereldpolitiek weer langzaam in de bedompte sloppen van Travnik.

Maar ook de hoogwaardigheidsbekleders kunnen hun lot niet ontlopen. De eenzame consuls worden teruggeroepen en de Vizier wordt na een machtswisseling in Istanboel verbannen naar een verre uithoek. En zelfs Napoleon vindt uiteindelijk zijn Waterloo. Zo is De kroniek van Travnik uiteindelijk een verhaal van gefnuikte idealen, vastgelopen ambities en gemiste kansen.

Ketterijen

Blinder nog dan bij Andric is het noodlot in De galeislaaf van Drago Jancar. Anders dan het op het oosten gerichte Bosnië is Slovenië altijd beïnvloed geweest door de westelijke, christelijke, Duitstalige buren. Jancars middeleeuwse sage gaat dan ook over ketterijen en heksenvervolgingen. De Duitse vluchteling Johann Ott wordt vervolgd en opgejaagd, gearresteerd en gemarteld op verdenking van ketterse sympathieën en belandt tenslotte op de galeibanken. Jancars boek is doortrokken van dierlijke angst. Het gevaar loert van alle kanten en de mens wordt voortgeblazen als een herfstblad in de storm. De angst voor onbestemd onheil maakt de mensen gevoelloos en wreed. Dat verklaart ook het dwaze fanatisme van de heksenvervolgingen. Met behulp van duimschroef en gloeiende pek dwingen overijverige gerechtsdienaren hun willekeurige slachtoffers tot elke gewenste bekentenis. Zuipen, rondhoereren en op het juiste moment de benen nemen, zo ziet een middeleeuws leven er uit in Jancars roman. Het zijn de schilderijen van Bosch en Breughel, met hun boertige braspartijen en angstaanjagende waanvoorstellingen. ('Op een nacht waren de sterren te zien. Hij stond op het achterschip en zag in het kielzog een groot beest. Het maalde met de kaken, brulde en bewoog zich traag achter het schip aan. Hij draaide zich om en schreeuwde, maar niemand werd wakker. Toen verdween het dier in de diepte.') Ott valt tenslotte ten prooi aan de pest en ook deze griezelige ziekte wordt door Jancar plastisch beschreven. Hij wordt, nog levend, letterlijk aan de haak geslagen door de ophaaldienst voor pestlijken.

De galeislaaf in Jancars boek heeft totaal geen greep op zijn leven. Hij is een speelbal der elementen en nooit is duidelijk uit welke hoek welke wind komt waaien. Tisma's roman De Kapo gaat veel dieper. Hier grijpt de hoofdpersoon wel degelijk in zijn eigen leven in en de gevolgen zijn desastreus. Ook Vilko Lamian is een slachtoffer van de geschiedenis, maar door zich aan de kant van de vijand te scharen, verliest hij zijn menselijke waardigheid. Hij overleeft, maar wordt de rest van zijn leven gekweld door schuldgevoelens.

Huppelende kammen

De half-joodse Lamian belandt in het beruchte Kroatische concentratiekamp Jasenovac en vervolgens in Auschwitz. Uit zelfbehoud wordt hij Kapo, maar hij gaat nog verder dan dat. Hij maakt misbruik van zijn positie en laat zich vrouwen brengen die zich in ruil voor een hap eten aan hem moeten geven. Hij zinkt daarmee dieper dan zijn beulen. Met het klimmen der jaren groeit de walging over zijn eigen gedrag en tenslotte gaat hij op zoek naar een van zijn slachtoffers die de oorlog moet hebben overleefd. In Zagreb denkt hij haar gevonden te hebben, een geknakte oude vrouw, en schaduwt haar. 'De kammen huppelden, de grijze jas viel stijfjes over het dik aangeklede achterste, de dikke benen ploegden voorwaarts en plantten brede schoenen met zachte hakken in het plaveisel: je kon zien dat ze zich met moeite voortbewoog, dat ze het deed met tegenzin, alsof ze het lopen allang beu was, alsof ze tot de bochel in haar gebogen rug en tot de kruin van haar met kammetjes bedekte hoofd genoeg had gekregen van steeds maar weer datzelfde verzetten van haar benen, al in de tijd dat ze marcheerde in het Strafkommando, onder geschreeuw en dreigementen en vloeken, met op haar gerichte geweerlopen die deinden op de stevige schouders van in het groen geklede bewakers, zoals de slappe tas nu deinde in haar hand.'

De titels van al Tisma's boeken zijn veelzeggend: Het gebruik van de mens, Argwaan en vertrouwen, De school der goddelozen. Tisma, zelf half-joods, komt, net als Danilo Kis, uit Novi Sad, een Joegoslavisch stadje op de grens met Hongarije, bevolkt door Hongaren, Duitsers, joden, Serviërs en Kroaten. Dit mengsel vormt de achtergrond van zijn boeken, die allemaal in de Tweede Wereldoorlog spelen. De Kapo is een klassieke psychologische roman. Stap voor stap ontrafelt Tisma het karakter van Lamian, in het kamp Kapo Furfa genoemd. Het is een heel gewone, wat bangelijke en zelfs wat viezige man die zich in zijn antisemitische omgeving schaamt voor zijn joodse afkomst. Zijn ouders hebben die schaamte bij hem ingeplant door hem voor alle zekerheid katholiek te laten dopen. Met die verdringing begint zijn latere val en die is zo diep dat hij zelfs bewust nalaat contact te zoeken met zijn ouders, die in hetzelfde kamp omkomen.

Tisma's boeken gaan over het eeuwige thema van collaboratie en verzet en de helden die je in het dagelijks leven ook zo zelden tegenkomt, zul je er vergeefs zoeken. De mens is slecht, zwak en misselijkmakend en zelfs als je hier en daar goedheid bij Tisma aantreft, heeft die iets vaals en naïef banaals. 'Moord en steel! Het zit niet zo diep onder hun huid, dat weet Lamian, dat is voelbaar achter dat bewegingloze zitten, achter die gedisciplineerde pantomime in het café - bestellen, afrekenen, nippen van bier en mineraalwater, een afspraakje maken met de serveerster om, tegen de prijs van eindeloos wachten, in haar opgemaakte bed te belanden.'

En toch is er dat schuldgevoel, dat getob en gepieker, bij Tisma en bij Andric, en daarin verschillen ze van Jancar, in wiens Galeislaaf het leven weer lijkt op de schrille, maar platte kleurenplaten van de televisie.