Galopperen langs de keukentrap

Hij kwam met Sinterklaas, toen ik vier was en mijn zusje drie. Hij had prikharen die langs je benen schuurden. Zijn vel was niet warm en glanzend, maar kil en dof. En hij rook helemaal niet zoals een paard moet ruiken - naar zout, naar hooi en stro en naar mest - maar naar stof en zaagsel. Maar dat gaf allemaal niks: ons paard was een paard, al was hij dan een hobbelpaard.

Hij sliep bij ons op de kamer, en 's middags, na school, ging hij mee op reis. Hij kreeg een hoofdstel om en een zadel op, mijn zus klom voorop en ik achterop of omgekeerd, de koffer ging mee, en zo reisden we de wereld rond. We waren voor geen hond, geen krokodil, geen mens bang.

Mijn zusje en ik houden van paarden. We zijn 'paardengek', zoals dat heet. Sommige mensen vinden dat een scheldwoord. Nou, wij niet. Paardenliefde is het mooiste dat er bestaat en het komt je nog aanwaaien bovendien. Want voordat je je kunt herinneren dat er ook maar iets te herinneren valt, hou je al van ze.

Als je paardengek bent, hangt je kamer vol paardeposters en paardestickers, en als er een paardeplaatje in de krant staat dat je wilt hebben dan sla je daar je broertje of zusje een blauw oog voor. Hoor je geklepper op straat dan mòèt je naar het raam rennen om te kijken of er een paard langs komt. En als je meerijdt met je ouders in de auto voor een tochtje, kijk je maar naar één ding, naar paarden en pony's in de wei.

Mijn zus en ik hoefden van onze ouders gelukkig haast nooit weg van huis. Uitstapjes naar musea, dierentuinen en pretparken, we hadden er een bloedhekel aan. Veel liever speelden we paardje in de tuin, met een waslijn in onze mond. Dat gaat zo:

Wie het touw tussen z'n kiezen krijgt is 'paard', wie het in zijn handen heeft is 'baas'. Als paard moet je zo hard mogelijk galopperen en hoog springen, want anders krijg je een klap met de zweep. Met het keukentrapje, de grasmaaier, tafels en stoelen uit de garage, boomstronken en takken uit het bos kun je hindernissen maken en echte concoursen naspringen. En het mooiste is als er een echte hoefslag in het gras uitslijt.

Toen dat bij ons in de tuin gebeurde, bedachten onze vader en moeder dat het misschien slim was om ons op paardrijles te doen. Dan hadden we minder tijd om de tuin in de vernieling te helpen.

Sindsdien kijken we alleen nog maar uit naar die ene keer in de week dat we gaan rijden. Alles draait om paardrijden en paard-aaien. Hoe vaak we er ook afvallen, bang zijn we nooit. Hoe wilder het paard, hoe stoerder we ons voelen. We houden van alle paarden maar van ons lievelingspaard het meest. Daar proberen we zo lang mogelijk onafgebroken op te rijden, want dan is het net of hij van jou is. Bij 'mijn' vroegere lievelingspony Shaffy droomde ik telkens hoe ik hem van de manege zou ontvoeren en hoe we samen op een rubberboot naar Amerika zouden varen. Daar zou niemand ons ooit kunnen pakken en zouden we altijd samen zijn.

Prijsvraag

Schrijf over je liefde voor paarden naar de Kinderpagina! De mooiste inzending wordt aan het eind van de serie in de krant afgedrukt. Als cadeau krijg je dan een poetsset met borstels en een hoevekrabber. Het adres is: Paardengek, Kinderpagina NRC Handelsblad, Paleisstraat 1, Amsterdam. Schrijf je naam, adres en leeftijd op je inzending.