Fundamenteel Chinees

Twee jaar geleden, in 1993, was het 100 jaar geleden dat de historicus Jan Romein werd geboren. Om die 100ste geboortedag te herdenken werd twee jaar geleden een congres gehouden met debatten en lezingen. De meeste van die lezingen zijn nu gebundeld in een boek met de titel: “Geloof niet wat geschiedschrijvers zeggen...”

Zo'n congres en zo'n bundel wekken de indruk dat Romein als historicus nog volop in de mode is en dat er over zijn ideeën nog levendig wordt gediscussieerd. Het congres heb ik indertijd niet bijgewoond, maar de bundel heb ik inmiddels gelezen en wat daarin nog het meeste opvalt is dat bijna alles waar Romein zich druk over heeft gemaakt, achterhaald lijkt.

Tot zijn dood is Romein zich marxist blijven noemen. Zoals iedere marxist hield hij ervan ontwikkelingen te zien. Hij onderscheidde tendensen, die maatschappijen en continenten in een bepaalde richting zouden stuwen. In die zin was Romein eigenlijk een soort futuroloog, zij het niet zo'n goede. Ik denk niet dat Romein je geloofd zou hebben als je hem had verteld dat Rusland nog voor het eind van deze eeuw het meest kapitalistische land ter wereld zou zijn en dat Karl Marx alleen nog zou worden aanbeden in uithoeken als Cuba en Noord-Korea.

Maar meer nog dan Romeins verkeerde voorspellingen, is het zijn manier van redeneren die tegenwoordig bijna komisch aandoet. Voor Romein was de Sovjet-Unie weliswaar geen land met een grote vrijheid van meningsuiting, maar wel 'had men er tenminste te eten'. Om die tegenstelling te handhaven, was Romein gedwongen een zekere mate van terreur goed te praten. In dit verband heeft Karel van het Reve gewezen op de polemiek die Romein heeft gevoerd met Huizinga.

Huizinga had in 1935 geschreven dat Lenin mede schuldig was aan 'één der vreselijkste gruwelen der geschiedenis'. In 1950, vijf jaar na Huizinga's dood, bracht Romein daar ongeveer het volgende tegen in. Het is waar, zegt Romein, dat Lenin een aantal doden op zijn geweten heeft, maar dat zijn er in totaal nog altijd heel wat minder dan de miljoen mensen die Napoleon voortijdig van het leven heeft beroofd en ook nog minder dan de 100.000 slachtoffers die gevallen zijn tijdens de Parijse opstand van 1871, “nog daargelaten dat het verkeer in de Verenigde Staten en Engeland alleen al 40.000 mensen per jaar doodt”.

Romein stelt dus de slachtoffers van de Sovjet-terreur op een lijn met de doden die in het verkeer vallen. Hier heeft hij voor het gemak het verschil tussen moord en dood door schuld maar weggemoffeld. Kennelijk ziet Romein het als een bewuste politiek van de kapitalistische landen om zoveel mogelijk doden in het verkeer te veroorzaken. Hoe moet je je dat voorstellen? Dacht Romein dat de regeringen van Amerika en Engeland de stoplichten met opzet zo instellen dat ze juist op groen springen als het verkeer van de andere kant er aankomt. Jammer dat Huizinga op dit punt Romein niet van repliek heeft kunnen dienen.

In “Geloof niet wat geschiedschrijvers zeggen...” staat ook een curieus artikel van W.F. Wertheim. Daarin probeert Wertheim aan te tonen dat Romeins dialectiek wel degelijk is opgegaan voor China en andere Aziatische staten. Zo zag Romein wel iets in het Chinese streven om een nieuwe socialistische maatschappij te stichten via een centralistische staat. “Is dat strijdig met de Chinese traditie”, vroeg Romein zich af in een postuum gepubliceerd essay. Hij gaf zelf het antwoord: “Ik geloof van niet. Als er iets fundamenteel Chinees is, dan is het de traditie van een krachtig bureaucratisch stelsel, beheerst door een elite, voor dat doel speciaal opgeleid, onder centrale leiding. Deze past zo goed in de huidige situatie in China dat hij ook een definitie van regeren in de fase van de dictatuur van het proletariaat zou kunnen zijn.”

Dit citaat geeft in een notedop het denken van Romein weer. Hij is er van overtuigd dat er zoiets bestaat als fundamenteel Chinees. Fundamenteel Chinees is de bereidheid geregeerd te worden door een speciaal opgeleide elite. Maar als er iets fundamenteel Chinees is, dan moet er ook iets fundamenteel Duits, joods of Nederlands bestaan. De gedachte dat het misschien fundamenteel menselijk is om niet in een situatie van terreur te willen leven, kwam bij Romein eenvoudig niet op.