FAO: hongersnood dreigt bij slinkende reserves

ROME, 28 JULI. Wegens slinkende voorraden en slechte oogstverwachtingen zouden grote graanproducenten als de Verenigde Staten en de Europese Unie in plaats van minder, meer graan moeten gaan verbouwen. Dat is de impliciete conclusie van een aantal recente rapporten van de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties.

Als volgend jaar de oogst tegenvalt, dreigt in een aantal landen hongersnood. “De veiligheidsmarge tegen een slechte oogst in 1996 is aanzienlijk verkleind,” waarschuwt de organisatie in een vanmorgen verschenen rapport. Het is een aanvulling op de reguliere rapportage, in verband met de verslechterde situatie.

Op de korte termijn van een paar maanden dreigt mondiaal gezien geen graantekort, maar volgens de FAO zijn de graanvoorraden op een onverantwoord laag niveau gekomen. De wereld is aan het interen op zijn voorraden, en er zijn geen directe tekenen dat die ontwikkeling tot staan wordt gebracht. De in Londen gevestigde International Grains Council waarschuwde gisteren dat de voorraden in geen twintig jaar zo laag zijn geweest.

De totale graanproduktie zal dit jaar met een verwachte 1,9 miljard ton ongeveer twee procent lager liggen dan vorig jaar. Dat is niet voldoende om de verwachte consumptie te dekken. Daarom moeten de voorraden worden aangesproken. Die zouden met bijna dertien procent dalen, naar 262 miljoen ton.

Daarmee komen de voorraden beduidend onder het minimumniveau (zeventien à achttien procent van de consumptie) dat de VN-organisatie nodig acht voor de voedselzekerheid in de wereld. Als er ineens wat gebeurt, als er ergens grote hongersnood uitbreekt, als de oogst volgend jaar slechter wordt, kunnen de reservevoorraden onvoldoende blijken.

De FAO schrijft dat het komend jaar in ieder geval genoeg zou moeten worden verbouwd om niet verder te hoeven interen op de voorraden. Dat betekent dat vier procent meer zou moeten worden geproduceerd. Maar dat is niet voldoende. “Om de voorraden aan te vullen tot het veiligheidsminimum is een extra produktiestijging van 3-4 procent nodig,” aldus het nieuwste rapport.

De timing lijkt mede te zijn bedoeld om de besluitvorming in Brussel en Washington te beïnvloeden. “De mate waarin de produktie kan worden verhoogd hangt af van beleidsbesluiten van de grote producenten en ook van het weer dit najaar en in 1996,” schrijft de FAO. De grote graanproducenten staan nu voor de vraag hoe ze de produktie op een beheerste manier kunnen verhogen, zonder terug te keren tot de enorme overschotten uit het verleden.

Met name de tarwevoorraden zijn snel geslonken, maar ook die van ruwe granen (zoals mais en gerst) en in mindere mate rijst zijn achteruit gegaan. Een gunstige ontwikkeling is dat de tarweproduktie dit jaar stijgt, naar schatting met vier procent, door een goede oogst in Australië en een aantal Europese landen.

Deze stijging wordt meer dan teniet gedaan door de daling van bijna zeven procent bij de ruwe granen. Met name in de Verenigde Staten valt de oogst tegen, door te nat weer in juni en te warm en te droog weer in juli. De International Grains Council publiceerde gisteren cijfers over voorraden en produktie die nog iets lager liggen dan die van de FAO, maar de tendens is hetzelfde.

Berichten over dreigende graantekorten in Europa worden door medewerkers van de FAO met deze cijfers in de hand afgedaan als onzin. Maar FAO-deskundigen waarschuwen dat de export uit deze gebieden groot genoeg moet zijn om ook de tekorten elders te dekken.

In de rapporten wordt speciale aandacht geschonken aan de voedselsituatie in Afrika. Onder de Senegalees Diouf is de aandacht voor dit continent binnen de FAO sterk toegenomen. De FAO constateert dat in zuidelijk Afrika de oogst dit jaar wegens droogte alarmerend laag is. Een echte hongersnood zoals in 1992 en 1993 dreigt daar vooralsnog niet, omdat de voorraden van belangrijke producenten als Zimbabwe en Zuid-Afrika nu nog voldoende zijn. Maar het komende jaar zullen hun reserves vrijwel opraken. Als de oogst van volgend jaar weer tegenvalt, worden opnieuw miljoenen mensen in zuidelijk Afrika bedreigd met de hongersnood.

Door deze ontwikkelingen op de graanmarkten zijn de prijzen, tarwe voorop, de afgelopen maanden sterk gestegen, soms met twintig procent in twee maanden. Dat brengt een aantal Derde Wereldlanden in grote problemen. Met name in Afrika zijn veel landen afhankelijk van invoer. Zij hebben vaak het geld niet om de prijsstijgingen te betalen.

Arme landen met voedseltekorten moeten dit jaar naar schatting twintig procent meer uitgeven aan de import van graan dan vorig jaar. Dat komt neer op ongeveer 2,3 miljard dollar extra. “Deze toegenomen kosten zullen hun betalingsbalansproblemen verergeren en leiden tot toenemende buitenlandse leningen en een grotere internationale schuldenlast,” waarschuwt het FAO-rapport.

Een veronderstelling daarbij is dat de noodhulp op hetzelfde niveau blijft. Maar ook dat is niet zeker. Omdat de voorraden dalen is er minder graan beschikbaar is voor noodhulp. De voedselhulp in graan is op het laagste niveau van de afgelopen tien jaar gekomen. In het net afgesloten boekjaar juli 1994-juni 1995 is voor 9,8 miljoen ton aan noodhulp in graan gegeven. Dat is bijna drie miljoen ton minder dan in de twaalf maanden daarvoor.

Naar schatting 36 miljoen mensen worden geconfronteerd met een ernstig tekort aan voedsel. Daarvan wonen er meer dan 23 miljoen in Afrika bezuiden de Sahara. Volgens de FAO is het voor de voedselveiligheid in die landen nodig dat de graanproduktie duidelijk omhoog gaat.