Eenzaam tussen de monsters; De heilige Antonius de heremiet en de kunst

De heilige Antonius de heremiet is niet zo bekend als de heilige Antonius van Padua. Maar onder kunstenaars was de heremiet wel heel populair, zoals nu te zien is op een tentoonstelling in het Museum voor Religieuze Kunst in Uden. Op de meeste schilderijen is hij echter weggedrukt in een hoekje - de gevleugelde padden, enorme vissen en eivormige monsters krijgen meer aandacht. “De heilige was tot een alibi voor weelderige creativiteit verworden.”

Antonius, de kleine en de grote. Museum voor Religieuze Kunst, Vorstenburg 1, Uden. T/m 9 sept.

'De verzoeking van de heilige Antonius', gebaseerd op Flaubert, wordt de komende maand gespeeld door Stichting Theater Adhoc. Atrium Hogeschool, 's-Hertogenbosch, 4 t/m 13 aug. 21.u.; Kasteel Strijthagen, Landgraaf.17 t/m 20 aug. 20.30u.; Groninger Museum, Groningen 23 t/m 27 aug. 20.30u.

Het moet omstreeks het jaar 315 zijn geweest dat Antonius, toen nog niet heilig, besloot om zijn geloofsgenoot Paulus op te zoeken. Net als Paulus leefde Antonius op dat moment al tientallen jaren als kluizenaar, eerst in een graftombe in de buurt van zijn geboortedorp Coma in Egypte en vervolgens nog eenzamer in een verlaten fort aan de Nijl. Ondanks zijn snel groeiende reputatie als voorbeeld voor asceten koesterde hij grote bewondering voor Paulus, die zich veel eerder dan hij, al omstreeks het jaar 250, had teruggetrokken in een hol in de rotsen en daar in volstrekte eenzaamheid zijn dagen doorbracht.

Volgens Hieronymus, die de tocht van de ene heremiet naar de andere omstreeks 375 in zijn Vita Sancti Pauli primi Eremitae heeft beschreven, rustte op het bezoek van Antonius aan Paulus duidelijk de zegen van hogerhand. Al spoedig na Antonius' vertrek uit zijn kluis komt de heilige bijvoorbeeld een hippocentaurus tegen die hem de weg naar de grot van Paulus wijst. Even later verschijnt er een sater op zijn pad, die hem ter verlichting van zijn reis dadels aanbiedt. En ten slotte, als Antonius de grot van Paulus al dicht is genaderd, komt er een wolvin op hem af die hem definitief naar zijn bestemming brengt.

Eenmaal in de grot aangekomen wordt Antonius door Paulus aan tafel uitgenodigd en Antonius zal zich hebben afgevraagd waar de oude kluizenaar zijn voedsel vandaan haalt. Zijn verbazing is dan ook groot als op het moment dat ze gaan zitten er een raaf komt aanvliegen met een brood in zijn bek en Paulus vertelt dat God hem al zestig jaar iedere dag een half brood stuurt en nu zijn goedertierenheid laat blijken door voor de gelegenheid de portie te verdubbelen. Desondanks krijgen de twee kluizenaars vervolgens ruzie over de verdeling van het brood. Paulus wil dat beleefdheidshalve aan zijn gast overlaten, Antonius vind dat de gastheer het moet doen. Na enig gekrakeel besluiten de twee heiligen ieder aan één kant van het brood te trekken en te houden wat er in hun hand achterblijft.

Op een houtsnede van Albrecht Dürer uit 1502 die te zien is op de kleine tentoonstelling Antonius, de kleine en de grote in het Museum voor Religieuze Kunst in Uden, is de ontmoeting tussen de twee heiligen prachtig afgebeeld. Op de prent zit Antonius links, gekleed in een monnikspij met op het tafeltje naast hem een bel, een van zijn attributen. Tegenover hem zit Paulus, in een eenvoudig gewaad, met een staf tussen zijn armen en enigszins verwaaide haren. Vanuit de lucht komt de raaf aanvliegen. Dat is op de prent van Dürer een wonderlijk gezicht: de vogel is redelijk op schaal afgebeeld, maar komt naar beneden gesuisd als een straaljager die zich met zijn neus in de grond wil boren, en daarbij is het een raadsel hoe het beestje het tamelijk forse brood in zijn snavel geklemd weet te houden. Maar nog merkwaardiger is het brood zelf; de hemelse gift is in de lucht al bijna door midden gesneden. Alsof God in de optiek van Dürer de ruzie tussen de twee heiligen heeft zien aankomen en die in al zijn Goddelijke voorzieningheid alvast heeft willen beslechten.

Hongerige ezel

Hoe futiel de wonderen waarmee Antonius in de omgeving van Paulus wordtgeconfronteerd op het eerste gezicht ook zijn, ze zijn tekenend voor de manier waarop de heilige heremiet voortleeft. Natuurlijk worden christelijke heiligen wel vaker met wonderen geconfronteerd - ze zijn er vaak juist heilig door geworden - maar in de meeste gevallen hebben die wonderen dan een duidelijke functie, bijvoorbeeld doordat ze direct tot een bekering leiden. Dat is goed te zien op de tentoonstelling in Uden, waar naast Antonius de heremiet evenveel aandacht wordt besteed aan zijn naamgenoot, Antonius van Padua. Als deze een wonder laat plaatsvinden, zoals dat van de hongerige ezel die na drie dagen moet kiezen tussen een grote bak voer en een kleine hostie en dan voor de hostie kiest, is dat omdat Antonius daarmee de voorman van de katharen kan bekeren. Bij de heremiet lijken zulke praktische overwegingen nauwelijks te bestaan; de verhalen over zijn leven en werk zijn meestal van een functieloze sprookjesachtigheid die Tolkien jaloers zou hebben gemaakt.

De oorzaak daarvan ligt vermoedelijk in het verhaal dat Antonius beroemd heeft gemaakt, de 'verzoeking van Antonius', het verhaal van de duivel die probeert de gelovige heremiet met alle denkbare middelen uit zijn ascese te verjagen. Dit verhaal, dat ook wel 'de bekoring' of 'de verleiding' van Antonius wordt genoemd, is vooral bekend geworden door het grote aantal schilderijen dat erover is gemaakt en dan in het bijzonder de prachtige reeks die Hieronymus Bosch eraan heeft gewijd. Net als Antonius is Bosch bijna synoniem geworden met monsters, duivels en fabelwezens en bij Bosch komt dat vooral door het beroemde drieluik dat tegenwoordig in het Museu Nacional de Arte Antiga in Lissabon hangt. Op dit schilderij zijn verschillende scènes uit het leven van Antonius afgebeeld, maar die zijn slechts met moeite te herkennen. Veel nadrukkelijker in het oog springt het pandemonium aan fantasiewezens dat op dit schilderij voorbij trekt en dat de duivelse verzoekingen moet verbeelden. In de linkerbovenhoek zien we Antonius bijvoorbeeld door de lucht vliegen op de rug van een gevleugelde pad, naast hen zweeft een ei-vormig monster met een zeis in zijn pootjes, op de aarde daaronder kruipt een walvis-achtig monster met een stenen toren op zijn rug en op de voorgrond zien we een vogel met merkwaardig gekruiste bek waar een brief uitsteekt, waarbij het beest ook nog eens op schaatsen staat, gekleed is in een jas en een sjaal en een omgekeerde trechter op zijn hoofd draagt. En zo gaat het door op de twee andere delen van het schilderij: een naakte vrouw die in een holle boom verscholen staat; een geiteschedel met een hoofddoek om die harp speelt; een enorme vis die een ingewikkelde machine op zijn rug draagt die nog het meest van een installatie van Tinguely wegheeft - de duivel verschijnt bij Bosch in zulke merkwaardige gedaanten aan Antonius dat ze nauwelijks te beschrijven zijn. En daartussen staat de heilige: alleen, eenzaam en een wanhopige blik op de toeschouwer werpend die lijkt te smeken om redding van de duivelse machten die hem omringen.

Sprookjesachtig

Voor wie Bosch' verbeeldingen van het heilige Antonius-verhaal bekijkt is het curieus om voor te stellen dat deze doeken ooit in dienst van het geloof hebben gestaan. De weelderige en vaak humoristisch geschilderde duivels lijken niet te passen in de christelijke schilderkunstige traditie die toch voornamelijk de nadruk legde op een zuiver, op het passieverhaal gericht geloof. Het is dan ook voorstelbaar dat Bosch de curiosa op zijn schilderijen alleen maar heeft kunnen legitimeren door de status en de levenswandel van zijn heilige. Want ondanks de sprookjesachtige wereld waarmee Antonius meestal wordt geassocieerd staat wel vast dat hij werkelijk heeft geleefd.

Het levensverhaal van Antonius is opgetekend door zijn leerling Athanasius in de Vita Antonii, verschenen in het jaar 357, dat meestal wordt beschouwd als kort na Antonius' overlijden. De Antonius van Athanasius werd geboren in een dorpje in Midden-Egypte, als zoon van een Koptische boer die een vrij groot landgoed bezat. Toen zijn ouders op zijn achttiende jaar overleden stond Antonius voor de vraag hoe hij zijn leven zou inrichten, tot hij tijdens de zondagse dienst een tekst uit Mattheus hoorde voorlezen: 'Als ge volmaakt wilt zijn, ga dan, verkoop al uw bezit; geef het aan de armen en kom, volg mij. Dan zult ge een schat in de hemel vinden' (Mat. 6:34) De jongeman besloot zijn niet onaanzienlijke bezittingen weg te schenken, en na een korte 'leertijd' sloot hij zichzelf op in een graf in de buurt van zijn geboorteplaats, waar hij kon overleven doordat een vriend hem regelmatig brood bracht. In zijn eenzaamheid zag Antonius het als zijn taak de demonen te bestrijden en zich volledig aan een Godbeschouwend leven te wijden. Na zijn verblijf in het graf trok hij naar een verlaten fort in de woestijn ten westen van de Nijl, waar hij zich twintig jaar voor de buitenwereld verborgen hield; toen hij weer opdook was hij volgens Athanasius gezegend met charismatische gaven die hem een grote schare volgelingen opleverde. Maar al spoedig, zo wil de levensbeschrijving van Athanasius, riep een stem hem op naar elders te vertrekken: 'Wil je werkelijk kluizenaar zijn, ga dan naar het hart van de woestijn.' Daarop sloot Antonius zich aan bij een groep Saracenen die de woestijn introkken. Met hen kwam hij bij een leefbare oase, aan de voet van de berg Qolzum, waar koel drinkwater was en enkele dadelpalmen stonden. Hier vestigde de heremiet zich definitief. Volgens Athanasius stierf Anthonius op 105-jarige leeftijd en werd hij door enkele van zijn volgelingen begraven. De locatie van Antonius' graf hielden ze op zijn verzoek geheim, om verering van zijn graf te voorkomen.

De levensbeschrijving van Athanasius was er nadrukkelijk op gericht om de vele volgelingen van Antonius - hij wordt ook tegenwoordig nog steeds gezien als de 'godfather' van het heremietendom, al was hij niet de eerste - duidelijk te maken dat Antonius in Gods geest werkte. Niet voor niets laat Athanasius Antonius door God zelf verder de woestijn insturen - daarmee aangevend dat God instemde met de ascetische werken van zijn onderdaan. Uit zijn levensbeschrijving blijkt ook dat zijn volgelingen meenden dat voorkomen moest worden dat Antonius teveel ging lijken op een heidense wonderdoener. Daarvan waren er al genoeg in die tijd, en voor het geloof was het niet bepaald bevorderlijk. Daarom was Athanasius relatief sober met het aantal wonderen en profetische visioenen dat Antonius zou hebben gehad.

Dat neemt niet weg dat de verhalen over Antonius al snel een eigen leven zouden gaan leiden. En hij werd er populair door: vanaf het jaar 1000 groeide hij door toeval bijvoorbeeld uit tot een heilige van wie verwacht werd dat hij genezing kon brengen bij een toen veel voorkomende schimmelziekte, die brandende pijnen opleverde. En op die manier kwam Antonius aan wel meer symbolen waarmee hij word afgebeeld: het varken (dat staat voor vruchtbaarheid, ontucht en de duivel), het vuur (naar het St. Antonisvuur, zoals de schimmelziekte al spoedig werd genoemd) en de bel (die staat voor de verdrijving van de demonen) - allemaal voorwerpen die met het oorspronkelijke Antonius-verhaal weinig te maken hebben.

Bijgeloof

Dat de inspanningen van Athanasius om Antonius zo christelijk mogelijk te houden voor een groot deel vergeefs zijn geweest komt echter vooral doordat de heilige vanaf de vijftiende eeuw langzaam tot een symbool uitgroeide voor een andere vorm van 'bijgeloof': de kunsten. Vooral wie de prenten en schilderijen uit de vijftiende en zestiende eeuw ziet, kan zich nauwelijks aan de indruk onttrekken dat het Antonius-verhaal voor kunstenaars vooral een prachtige gelegenheid vormde om hun fantasie eens lekker te laten gaan en toch binnen de christelijk-iconografische paden te blijven. Zoals in Uden is te zien zijn de manieren waarop dat gebeurt door de eeuwen heen nogal aan verandering onderhevig. Het Antonius-verhaal laat zich zelfs gemakkelijk interpreteren als een toetssteen voor de manier waarop een schilder zijn publiek voor zich wilde winnen: om de verzoeking van Antonius voor zijn toeschouwer geloofwaardig te maken moest ook die toeschouwer door de schilder worden 'verleid'.

In de vijftiende en zestiende eeuw domineerden in de Antonius-beelden de Bosch-achtige taferelen waarop de merkwaardige beesten met gekke pakken, duivels en monsters de toeschouwers met stomheid geslagen moeten hebben, alsof ze op de kermis waren - het lijken wel geschilderde equivalenten van de vrouw met de baard en de man met de drie hoofden. En alleen daarom al zal de heilige een populair onderwerp zijn geweest: kunstenaars als Martin Schongauer, Lucas Cranach de oudere, Pieter Brueghel, allerlei navolgers van Bosch en een groot aantal anonymi maakten uitbundig gesneden of geschilderde verzoekingen, waarbij Antonius steeds vaker in een hoek weggedrukt raakte - de heilige was tot een alibi voor weelderige creativiteit verworden.

In de schilderkunst is hij dat ook min of meer gebleven. Ondanks het feit dat het 'christelijke alibi' de laatste anderhalve eeuw nauwelijks nog nodig was, zijn er nog een groot aantal 'Antoniussen' geschilderd. Zowel romantische als symbolistische kunstenaars ontdekten in de negentiende eeuw de kluizenaar, als symbool van vertwijfeling en van de (artistieke) droom. Vooral in de tijd van het symbolisme werd Antonius regelmatig afgebeeld, bijvoorbeeld door Felicien Rops en Gustave Wappers. In die gevallen zijn de Boschiaanse duivels grotendeels verdwenen en wordt de heilige voornamelijk nog omringd door rondborstige vrouwen; die waren voor negentiende-eeuwse kunstenaars blijkbaar verleidelijker dan een vogel met een omgekeerde trechter op zijn hoofd.

Vuur

De mooiste uitwerking die het Antonius-verhaal de afgelopen anderhalve eeuw heeft gekregen was niet schilderkunstig maar literair: het toneelstuk La Tentation de Saint Antoine van Flaubert, dat verscheen in 1874 en waarover de schrijver tegenover George Sand opmerkte dat het 'l'oeuvre de toute ma vie' was. Zijn hele leven heeft Flaubert zich sterk met Antonius vereenzelvigd; in brieven merkte hij bijvoorbeeld op dat het schrijven voor hem een reis leek door een eindeloze verlatenheid of, zoals hij aan Maxime du Camp schreef, die de schrijver een aantal jaren daarvoor nog had geadviseerd het stuk in het vuur te gooien: 'Je hebt geen idee hoe volstrekt de woestijn is die me omringt.'

Le Tentation de Saint Antoine mag dan geschreven zijn als toneelstuk, voor een regisseur en een decorbouwer moet het een onmogelijke opgave zijn om Flauberts aanwijzingen op te volgen. Flaubert laat Antonius als een soort Scrooge in Charles Dickens' Christmas carol met de duivel over de hele wereld vliegen, om hem, net als met Jezus in de bijbel, het koninkrijk te laten zien dat hij voor de kluizenaar in petto heeft als hij zich aan hem overgeeft. En daarmee is Flaubert bepaald niet karig. Al aan het begin van het stuk laat hij bijvoorbeeld de Koningin van Sheba voor Antonius' eenzame hut opduiken. Ze wordt geëscorteerd door kamelen, muilezels, slaven en een witte olifant, terwijl ze zelf is getooid is met goud, smaragden, parels en ivoor - en Antonius wijst haar af. Vervolgens biedt de duivel, die de gedaante van Antonius' oud-leerling Hilarion heeft aangenomen, hem schoonheid, macht en rijkdom, waarbij duidelijk wordt dat Flaubert is beïnvloed door alle schilderijen die er over het onderwerp zijn gemaakt.

Maar wat Flauberts versie werkelijk veelzeggend maakt is de ultieme verleiding waaraan hij Antonius blootstelt. Als Antonius het goud en de juwelen die de duivel hem heeft voorgehouden relatief eenvoudig heeft afgewezen, komt de zwaarste beproeving als de duivel met Antonius in discussie treedt. Eerst doet hij dat nog in de gedaante van Hilarion voor hem te verschijnen, of in die van de wijsgeer Apollonius, maar als dat allemaal weinig uithaalt, verschijnt de duivel zelf op het toneel. Dat is een hele gebeurtenis - zover ik weet is het de eerste keer dat de duivel in zijn meest naakte gedaante aan Antonius verschijnt; niet in de vorm van merkwaardige beesten, mooie vrouwen of bekers vol juwelen, maar als zichzelf, inclusief bokkepoten en horens. En meteen blijkt hij in die gedaante ook het gevaarlijkste. Als een ware sofist confronteert hij Antonius met de ultieme verleiding: die van de rede. De duivel houdt hem voor dat God een paradox moet zijn omdat hij óf alles moet omvatten (maar dan is ook het kwade goddelijk) of niets (maar dan bestaat God niet). En daarmee weet hij Antonius tot de rand van zijn geloof te dwingen: 'De Duivel heeft Antonius beet; hij houdt hem vast met gestrekte armen en ziet hem aan met open muil, klaar om te verslinden', schrijft Flaubert. Maar dan komt hij tot de crux van zijn stuk: hij maakt duidelijk dat de heilige de duivel alleen maar van zich af weet te houden door instinctief te reageren, door 'in een laatste opwelling van hoop zijn ogen op te slaan'. En daarmee geeft Flaubert voor het eerst aan wat de essentie is van het Antonius-verhaal: Antonius is geen heilige omdat hij zo braaf is, of zo'n nette volgeling; hij is een heilige omdat hij tegen alle ratio in, volstrekt instinctmatig doet wat hij moet doen, gewoon omdat hij niet anders kàn. En plotseling wordt daarmee ook duidelijk waarom Flaubert zich zo sterk met de heilige kluizenaar vereenzelvigde, tegen alle verdrukking en tijdgeesten in: in al zijn toewijding en volharding vertoont Antonius de trekken van een groot kunstenaar.