Een rebètis moet mooi en nederig dansen

De rebètika, Griekse liederen van de zelfkant, stonden tientallen jaren in een kwalijk daglicht. Zij werden - niet ten onrechte - geassocieerd met drugs en gevangenis, waaraan veel van deze liederen waren gewijd, zodat de bovenlaag niet toekwam aan een muzikale waardering ervan.

De toen nog jonge componist Manos Chatzidakis vroeg in 1949 in de Parnassószaal van Athene muzikale aandacht voor deze liederen in een lezing die historisch zou blijven. Tot ontsteltenis van het selecte publiek bracht hij zelfs twee 'rebètes' mee om te zingen en te spelen op de verachte bouzouki: Markos Vamvakáris en Vasilis Tsitsánis, die nu worden beschouwd als de meest karakteristieke meesters in het genre. Hij betitelde hen als “de Bach en Beethoven van de Griekse volksmuziek”.

Chatzidakis verwerkte in die jaren ook rebètika-melodieën in zijn pianomuziek. Maar het was, veertien jaar later, Mikis Theodorakis die zijn liederencyclus Epitaphios geheel in het teken zette van rebètikaritmen, terwijl hij de grootmeester Manolis Chiótis op de bouzouki liet begeleiden. Daarmee was het hek van de dam: de rebètika waren definitief geëmancipeerd. Ze zijn heden ten dage zo gangbaar dat dezelfde Theodorakis soms tekenen van ongenoegen geeft: het is duidelijk dat hun populariteit ten koste gaat van de zijne.

Inmiddels hebben, behalve muziekwetenschap, ook andere disciplines zich met het verschijnsel beziggehouden, historici, sociologen en zelfs een Freudiaanse dieptepsycholoog. Ze zijn er nog niet in geslaagd de oorsprong van de naam te achterhalen, en er wordt ook gestreden over de vraag wat nu precies een rebètis is. Gunstig is het in ieder geval, ondanks de hasj- en gevangenisassociaties waarvoor ze gedurende de dictatuur van Metaxas (1936-'40) zelfs aan vervolging blootstonden.

Voor de nog levende en optredende Michalis Jenitsaris (77), die tijdens Metaxas naar het eiland Ios werd gedeporteerd, is het eenvoudig: “Ik ben een rebètis omdat ik niemand hinder en niemand kwaaddoe.” Maar zo eenvoudig ligt het niet. Er hoort ook positieve levenskunst, een soort vrijbuiterschap bij, een optreden dat goed overkomt, “mooi weten feest te vieren” zoals een lied zingt en “mooi en nederig dansen” zoals een ander eist. De musicologe Gail Holst heeft haar aardige deels autobiografische boekje 'Road to Rebètika' (1975) opgedragen aan haar vader, “die één hunner was”.

Zelf heb ik me niet zo beziggehouden met al die diepgravende rebètiko-studies in de Griekse literatuur. Ik ben een betrekkelijk primitief rebètiko-liefhebber, en houd me tamelijk ver van al het gegraaf naar de oorsprongen van het genre, waarbij naast het Smyrna van voor de 'katastrofi' - de verdrijving van de Grieken in 1922 - ook de Verenigde Staten, met hun Griekse gemeenschap, een grote rol spelen. Daar komen ook zowat alle vroege grammofoonplaten vandaan.

De Griekse rebetikologen raken niet uitgepraat over die eerste decennia en laten soms zelfs blijken deze periode het mooist te vinden. Ik respecteer hun voorkeur - met een vleugje snobisme-verdenking - maar voor mij worden die liederen pas werkelijk mooi als er bouzouki bijkomt, in de jaren dertig onder Vamvakaris. Dan ook worden de melodieën groot en gedurfd, het zijn geen 'wijsjes' meer zoals in de aanloopperiode. Maar als ze dit horen, lopen de rebètikologen rood aan.

Eén hunner, de alleswetende Panayótis Kounádis, organiseerde twee jaar geleden een groot concert waarop een chronologisch tableau van de rebètika ten beste zou worden gegeven.

Zelf was ik toen niet in het land, maar ik heb later gehoord dat het pas om twaalf uur pauze was en dat hij toen nog steeds niet toe was gekomen aan de 'grote periode' van Tsitsanis en Vamvakaris, wier liederen iedereen kent.

Er vond een uittocht plaats.

Om heel eerlijk te zijn: ook van de liederen die de laatste decennia in de stijl van de rebètika zijn geschreven door bekende componisten als Theodorakis, Xarchakos en Moutsis vind ik er vele wél zo mooi als klassieke rebètika. Het zijn metarebètika, waar de rebetikologen ook weer op neerkijken. Deze raken niet moe van de daken te roepen - en ze hebben natuurlijk gelijk - dat de periode van de rebètika, met haar eigen leefstijl en subcultuur, definitief voorbij is en dat men niet hoeft te proberen, daar nog iets van overeind te zetten. Maar de muziek is gewoon zo sterk dat men niemand kan verwijten, op dit spoor door te gaan.